Extract uit het kasboek (Rekenboeck) van Hermen Evers Coster, koster van de Gereformeerde Kerk te Vriezenveen 1659-1660, een toelichting.


- maart 1659 deel 1     - maart 1659 deel 2     - april 1659    - mei 1659     - juni 1659     - juli 1659    - augustus 1659    - september 1659     - oktober 1659     - november 1659     - december 1659    - januari e.v. 1660     - de verrekening     
extract uit het kasboek van de koster te Vriezenveen

Inleiding.

Soms kom je in het archief een stuk tegen, waarvan je gelijk denkt, dit is bijzonder, dit verdient een publicatie voor een breder publiek en het kasboek van de koster uit Vriezenveen van 1659, behoort daar zeker toe! Het kasboek leest haast als een dagboek en maakt het daarom, hoe gedateerd ook, zeer lezenswaardig. Voordat ik op de inhoud inga, past het mij om de heer Frans Harwig uit Hasselt hartelijk te bedanken voor zijn geweldige bijdrage bij de totstandkoming van deze publicatie van de transcriptie van het "Reekenboeck" van Hermen Evers Coster uit 1659-1660. Met name het transcribeerwerk heeft hij voor zijn rekening genomen en verder is Frans mij verdienstelijk geweest met allerhande op- en aanmerkingen.

Het uittreksel, of extract, zoals het in de oude papieren wordt genoemd, is deel van een kasboek, dat werd bijgehouden door Hermen Ever(t)s van Weerselo, koster te Vriezenveen. Hij werd ook wel vaak Coster genoemd, naar het beroep dat hij uitoefende. Het woord extract zegt het al, we hebben hier met een uittreksel van het originele kasboek te maken. Dus, wat hier getoond wordt, is een uittreksel van delen van het originele kasboek dat niet bewaard is gebleven. Ondanks dat het kasboek geen volledige weergave is van de feiten, werpt het toch een aardig licht op een jaar van een historische periode van Vriezenveen, waarover niet zoveel bekend is. De reformatie is net achter de rug en bepaalde "katholieke" gebruiken en aanduidingen zijn nog steeds heel gewoon.
Zo worden de predikanten in het kasboek nog met de term pastoor aangeduid en was kroegbezoek in het calvinistische Vriezenveen heel normaal (ook voor predikanten). Ook op zondag werd de kroeg nog bezocht, gezien de aantekeningen van de koster in zijn kasboek. Op zondag 12 juni betaalde de koster de consumpties voor de schout en ouderling/kerkmeester Jan Smit in de herberg van Jan van Spanien (ook wel Spanier). En op zondag 3 juli ging de koster, samen met de predikant van Wierden en zijn bediende naar de kroeg van Berent Jansen Rappert, waar bier werd gedronken. Ook op zondag 9 oktober ging de koster met de dominee van Wierden en zijn bediende de kroeg in. Dit maal wordt in het kasboek als excuus vermeld dat het slecht weer was. Verder werd de Vriezenveense koster Hermen Evers, op 14 oktober 1659, voor het breukgericht van Almelo veroordeeld tot het betalen van 8 mudde haver. Dit vanwege het feit dat hij een "schenk bruloft hadde geholden". Dat wil zeggen een bruiloft waar rijkelijk drank werd geschonken. Op dit laatste kom ik verderop in mijn verhaal nog terug. En ook het plaatsen van grafkruisen op de kerkhoven van Vriezenveen en Wierden was nog steeds heel gebruikelijk. Dit overigens tot groot ongenoegen van de classis Deventer (bron: Cor Trompetter "Leven aan de rand van de Republiek"). Het mag duidelijk zijn dat er in deze tijd nog aardig wat "katholieke randjes" aan het calvinistische leven van de "gereformeerde" Vriezenvener zaten.

Het beroepen van een nieuwe predikant in 1659.

De reden voor het overleggen van het kasboek van de koster van de Gereformeerde Kerk (lees Hervormde) te Vriezenveen was, zo blijkt duidelijk uit het uittreksel van het kasboek, de predikantskwestie. Aanleiding was het overlijden van de 4e gereformeerde predikant van Vriezenveen, Winoldus Bruins. Deze was in 1658 in Vriezenveen beroepen en al voor 2 maart 1659 overleden. Dat is namelijk de datum dat de koster met de kerkmeester Berent Luijkes (ten Cate) alias Cort Berent, naar Deventer gaat om bij de classis, namens de Heer van Almelo en de Vriezenveense kerkenraad, te vragen of men een nieuwe predikant mocht beroepen. Dit werd kennelijk toegestaan, want al de eerstvolgende zondag (6 maart 1659) preekte de eerste kandidaat. Het is een zekere Quirijn ten Broecke. Vervolgens preekten nog Hermannus Leussinck, Lambert van Bommel, ds. Francke, Henricus Arentsen en de heer Halfwassenig. Het houden van een dienst op donderdag schijnt, gezien de aantekeningen in het kasboek, in die tijd heel gewoon geweest te zijn.
Op maandag de 21e maart 1659, na de laatste preek, ging de kerkenraad (diakenen en ouderlingen), samen met de kerkmeesters, schout, de rentmeester Berent Jansen Rappert , Otto Frericks (verwalter-schout?) en talloze anderen, naar de Heer van Almelo om over het beroepingswerk inzake de nieuwe predikant te praten. Wie van de kandidaten moest de nieuwe Vriezenveense voorganger worden? Kennelijk zijn er toen geen besluiten genomen, want op de 22e maart ging een bode, namens de Vriezenveners, naar de Heer van Almelo met de vraag of een andere kandidaat Abraham de Laer, in Vriezenveen mocht komen preken. De 24e werd de Heer van Almelo opnieuw door de Vriezenveense koster bezocht, om te vragen of hij naar een preek van deze predikant wilde komen luisteren, wat hij inderdaad de opvolgende zondag 27 maart 1659 deed. Op de 31e maart bezocht de koster Huize Almelo opnieuw, om de Heer te vragen of hij de preken van de kandidaat-predikanten Franck, Leussinck en Bommel, die kennelijk nog niet afgeserveerd waren, wilde komen beluisteren. Vrijdag, de dag dat Francke zou komen preken, schikte de Heer van Almelo niet, maar wel beloofde hij zondag te komen om de preken van de kandidaten Bommel en Leussinck aan te horen. De verhoudingen schijnen toen al vertroebeld geweest te zijn, want de Heer van Almelo kwam, ondanks zijn belofte, niet opdagen in Vriezenveen en verscheen pas op de namiddag van zondag de 14e april in de kerk van Vriezenveen. Bijna 2 weken later dus. Dit zal te maken hebben gehad met de keur (verkiezing) van de predikant, die de Heer niet welgevallig was, door de Kerkelijke Gemeente van Vriezenveen, op 7 april . Daarbij waren aanwezig geweest: de schout, de kerkmeesters en natuurlijk de ouderlingen en diakenen en nog andere "huislieden".

Een rechtszaak volgt.

Uit de kasboeknotities van 28 mei blijkt dat de keur van 7 april was uitgevallen in het voordeel van Abraham de Laer. Herman Jansen, de Vriezenveense dorpshistoricus, schrijft in de artikelenreeks "Ken uw dorp en heb het lief", (in de boekversie) op blz. 25, dat de keuze van de Vriezenveners, met hun voorkeur voor de predikant Abraham van Laar, de Heer van Almelo bruuskeerde. Hij was tegen de keur van de Gemeente en deed een beroep op oude privileges om de predikant te mogen benoemen. Hij schoof zijn eigen favoriet Henricus Arentsen naar voren. Dit tot groot ongenoegen van de Vriezenveners die, op grond van oude privileges, meenden zelf een predikant te mogen beroepen en een rechtszaak tegen de Heer van Almelo aanspanden.
Volgens deze oude privileges, mochten de Vriezenveners zelf een predikant beroepen, die ze dan wel ter goedkeuring moesten voordragen aan de Heer van Almelo. Deze formele toestemming tot benoeming van de predikant is ook wel bekend als het collatierecht. Zo was het tot 1659 in elk geval altijd gegaan. Ook toen Vriezenveen overgegaan was naar de nieuwe gereformeerde religie was hierin geen verandering gekomen. Eigenlijk was de procedure identiek aan de verkiezing van de schout. Ook die functionaris mochten de Vriezenveners op meiavond (Walpurgisnacht) zelf kiezen en vervolgens droeg men de verkozen schout aan de Heer van Almelo ter goedkeuring voor. Hierop had de Heer van Almelo de keus de keur (verkiezing) goed te keuren, dan wel af te wijzen.
De rechtszaak, die volgde, werd voor de Staten van Overijssel uitgevochten. De Vriezenveners leken een sterk punt te hebben. Het recht, zelf een predikant te mogen kiezen, leek hier toch met voeten getreden. In een bewaard gebleven stuk in het onvolledige procesdossier van het Statenarchief van Overijssel, -opgesteld door de predikanten van de classis Deventer-, wordt, voor wat betreft de Vriezenveense rechten in de predikantskwestie, verwezen naar een oude privilegebrief van 1452, die de Vriezenveners het recht verleende, jaarlijks op Sint Walburgdag, zelf een richter (schout) te kiezen. Hetzelfde gold voor de vacature van een predikant. Letterlijk luidt de citering van de acte uit 1452, waaruit de Deventer predikanten in hun overweging citeren:

"Voort meer, Wanneer oock de boeren geene priester hebben, soo mogen sij eenen priester haelen, na oere Landtwijse en brengen die voor ons, is dat hij ons behaegt , en de kercke waerdich is, soo sullen wij den priester met den kercke beleenen, en behaget hij ons niet, soo sullen sij wesen om eenen anderen die ons behaget"

Hoe het ook zij, de Vriezenveners verloren het proces. De geleerde predikanten van de classis Deventer verwezen namelijk naar de kerkorder van Dordrecht uit 1618 en 1619. Deze bepaalde dat het beroepen van een predikant moest gebeuren:
"niet sonder goede correspondentie met de Christelijcke Overheijt van de plaetse respectivelijck".
Door de Staten van Overijssel was dit overgenomen en bevestigd op 30-7-1619.
De afgevaardigden van de nationale synode legden deze regel als volgt uit:

1e: wanneer 1 of meer predikantsplaatsen in een kerk vacant waren, moest de kerk dit aan haar christelijke overheid bekend maken, zodat deze naar een bekwaam persoon uit kon zien.
2e: wanneer de kerkenraad op 1 of meerdere personen het oog had gericht, dan waren zij verplicht dit aan haar Christelijke Overheid bekend te maken en als deze overheid bezwaar had, omdat de prediker niet stichtelijk genoeg zou zijn, dan moest de kerkenraad met haar beroepingswerk verder gaan en na een nieuwe verkiezing de predikant weer ter goedkeuring voordragen.

Op zich lijkt dat met deze visie de Vriezenveners nog steeds in hun gelijk werden gesteld. Toch verloren de Vriezenveners de zaak en werd Henricus Arentsen door de Heer van Almelo op 19-11-1659 formeel beroepen. De kerkenraad van Vriezenveen volgde op 29-11-1659 met een formeel beroep. Dit was een omdraaiing van de normale procedure, waarbij het initiatief de Vriezenveners toekwam. Of de rechtszaak hierna nog doorliep, is mij niet helemaal duidelijk. De stukken van de geleerden van de classis Deventer suggereren van wel. Ze zijn namelijk van 27 maart 1660. Het lijkt er dan ook op dat de Vriezenveners, al bakzijl haalden voordat de rechtszaak beeindigd was. Immers al in november werd dominee Arentsen door de kerkenraad formeel beroepen. Voor wat betreft toekomstige zaken schijnt de Vriezenveense gemeenschap toch haar gelijk hebben willen halen voor de rechter, om hun standpunt inzake het beroep, op z'n minst voor de toekomst juridisch vast te laten leggen (bron: Statenarchief Overijssel inventarisnummer 1641).

Vruchteloos overleg.

Terug naar het kasboek van de koster en de keur van de predikant op 7 april. Zoals gezegd, ondanks een vooroverleg op 6 april in Huize Almelo, waarbij ongetwijfeld de voorkeur van de Heer van Almelo voor predikant Henricus Arentsen zal zijn besproken, viel de keur op 7 april van de Vriezenveners uit in het voordeel van dominee Abraham van Laar. In het kasboek wordt hij steevast aangeduid als Abraham de Laer. Van Laar was de laatste opgeroepen kandidaat om te komen preken in Vriezenveen en speciaal hiervoor was toestemming gevraagd bij de Heer van Almelo. Op 11 april, op een bijeenkomst te Vriezenveen, bleek dat de Heer van Almelo niet wenste in te stemmen met de voorkeur van de Vriezenveners. Noch de rentmeester Berent Jansen Rappert, noch Otto Frerix, hadden een last gekregen van de Heer van Almelo met de benodigde instemming inzake de predikantskeur. De Heer van Almelo, die op 14 april (donderdag) 's-middags eindelijk langskwam, om een Vriezenveense kerkdienst bij te wonen, voerde na deze dienst uitgebreid overleg met alle belangrijke Vriezenveners, die bij de koster bijeengekomen waren. Het waren, de schout van Vriezenveen , de kerkmeesters, ouderlingen en diakenen, de gerichtsschrijver (Bonecamp), Geert Luickes, de rentmeester Berent Janssen Rappert en tenslotte Otto Frericks, die mogelijk verwalter-schout was. Ondanks dat er flink gedronken werd, -de rekening bedroeg een voor die tijd formidabel bedrag van 10 gulden (inclusief het eten overigens)-, werd de predikantskwestie niet opgelost. Vanaf half april lag het beroepingswerk stil (kennelijk wordt er al geprocedeeerd) en werden voor de kerkdiensten voortdurend predikanten uit de omgeving uitgenodigd om in Vriezenveen een "predicatie" te houden. Het betrof de predikanten uit Almelo, Tubbergen, Ootmarsum, Weerselo en vooral de predikant van Wierden kwam regelmatig langs in Vriezenveen. Tussendoor werd op 31 mei nog een afvaardiging van de Vriezenveners naar Almelo gestuurd. Het waren de kerkmeester Hendrick Berents (Berckhoff ?) en de ouderling Jan Smit, die op Huize Almelo een goed woordje moesten doen in de Vriezenveense predikantenzaak. Het bleek vruchteloos. Op 13 juni ging opnieuw een delegatie naar Huize Almelo. Dit keer was de delegatie veel groter. Het waren kerkmeester Cort Berent (alias voor Berent Luijkas ten Cate), de schoolmeester Frerick Frericks (kerkmeester), Jan Pouwels (functie onbekend, maar wel vaak genoemd in het kasboek), Herman Geerts (functie onbekend), Jan Bertels of Bartels (kerkmeester) en de schout Hendrik Schuurman die opnieuw een poging deden om tot een oplossing te komen. Kennelijk zonder succes, want diezelfde dag ging men over tot het schrijven van een "request" (verzoekschrift). Hierbij waren in elk geval betrokken: Jan van Spanien, Jan Pouwels en de procurator Hendrik Busch. kennelijk was het "request"gericht aan de predikanten van de classis Deventer, want op 23 juni brachten de Vriezenveners een bezoek aan hen. Het waren de koster Hermen Everts Coster en de ouderling/kerkmeester Jan Smit, die de Vriezenveners in Deventer vertegenwoordigden. Op 28 juni bezocht men opnieuw Huize Almelo, dit keer met de vraag of men een nieuwe beroepingsprocedure mocht starten overeenkomstig de oude privilegebrief.
Op 5 juli verzocht de Heer van Almelo de Vriezenveners (ouderlingen en diakenen) om naar Huize Almelo te komen. Daar kregen ze vervolgens te horen dat hij de volgende dag met een bode een verklaring zou laten bezorgen in Vriezenveen. Op zich merkwaardig natuurlijk. De Heer van Almelo liet de Vriezenveners naar Huize Almelo komen en vervolgens kreeg men niets te horen aangaande hun verzoek het beroepingswerk te mogen hervatten. Het lijkt op een pesterijtje. Wat de inhoud van de verklaring, die de bode de volgende dag bracht, is geweest, staat niet vermeld in het kasboek, maar laat zich wel makkelijk raden, gezien het gegeven dat het beroepingswerk niet werd voortgezet. De Heer zal het verzoek, het beroepingswerk door de Vriezenveense kerkenraad te laten hervatten, dus hebben afgewezen. De zaak zat muurvast. Ten einde raad bezochten de Vriezenveners opnieuw de vertegenwoordigers van de classis Deventer en op 6 september bezocht de koster met de kerkmeesters Jan Smit, Frerick Frericks en Jan Bertels, de gedeputeerden van de Provincie Overijssel in Kampen. Dit alles in de hoop voldoende steun te vinden voor, in hun ogen, een rechtvaardige zaak.

De Heer van Almelo weigert een nieuwe beroepingsprocedure en de Vriezenveners geven toe.

Vervolgens ging op 14 oktober weer een zware delegatie van Vriezenveners, inclusief schout, kerkmeesters, ouderlingen en diakenen en nog wat anderen naar Huize Almelo. Opnieuw werd verzocht of de Vriezenveners over mochten gaan tot het opstarten van een nieuwe beroepingsprocedure, maar ook dit keer weigerde de Heer van Almelo hiermee in te stemmen.
In november bezochten de Vriezenveners Almelo nog vele malen en ook bracht men weer een bezoek aan Deventer. Uit andere archiefstukken van het Statenarchief (inv. nr. 1641) blijkt dat in deze kwestie de Vriezenveners kennelijk toch hebben gebogen voor de wil van de Heer van Almelo. De Heer van Almelo formaliseerde het beroep op zijn favoriet Henricus Arentsen door formeel een beroep op hem uit te brengen op 19 november 1659. De omgekeerde wereld natuurlijk, omdat volgens de oude Vriezenveense privileges dit recht tot initiatief nemen inzake het beroepen van een predikant bij de Vriezenveense kerkenraad lag, die daarbij de hele Gemeente vertegenwoordigde. Ondanks de onjuiste procedure, volgde de Vriezenveense kerkenraad de Heer van Almelo in zijn beroep en formaliseerde 10 dagen later, op 29 november, in navolging van de Heer van Almelo, het beroep op Henricus Arentsen. Kennelijk had men de hoop opgegeven nog een andere predikant te kunnen beroepen. Het was al lang duidelijk, de heer van Almelo zou het beroepen van een andere predikant nooit goedkeuren. Slechts zijn eigen keuze was voor hem acceptabel. Het was natuurlijk een machtsspelletje. De Vriezenveners gaven vooralsnog toe. Iedere zondag een andere predikant vinden, om te komen preken in Vriezenveen, was toch ook een hele klus. De juridische procedure tegen de Heer werd, zo mogen we concluderen uit archiefstukken uit het Statenarchief, wel gewoon voortgezet, maar dit proces werd volgens de historicus Herman Jansen, uiteindelijk verloren. De invloed van de Heer van Almelo en niet te vergeten zijn grote buidel met geld, waardoor hij langdurige processen kon financieren, leidden tot de nederlaag voor de Vriezenveners. De Heer van Almelo had zich in deze zaak niet alleen het recht van collatie (benoemen) toegeëigend, maar ook het recht van vocatie (beroeping). Het recht van collatie bleef een recht van de Heren van Almelo tot 1922. Waarschijnlijk was het recht toen al geruime tijd meer symbolisch van inhoud. Op zich overigens heel opmerkelijk dat dit recht met de Franse Revolutie niet ten onder ging. Het is duidelijk, de Heren van Almelo hadden een lange adem en gaven verworven rechten niet zomaar op. Integendeel, in de predikantskwestie van 1659 wist de Heer van Almelo zijn rechten zelfs uit te breiden. Hij had het initiatief genomen een predikant te beroepen, in plaats van een voorgedragen predikant goed te keuren.

Overigens, ondanks dat er in november een formeel beroep werd uitgebracht op Henricus Arentsen ,- zowel door de Heer van Almelo als, iets later, door de kerkelijke Gemeente van Vriezenveen-, geeft het kasboek indicaties dat de zaak toen toch nog niet echt geregeld was. Zo wordt nog steeds melding gemaakt van gastpredikanten in januari 1660 en alhoewel Henricus Arentsen zowel in januari als februari een aantal dagen naar Vriezenveen kwam om te preken, vertrok hij daarna ook weer. Mogelijk liet Henricus Arentsen een antwoord op het beroep afhangen van de uitspraak in de gerechtelijke procedure die, zo blijkt uit archiefstukken van het Statenarchief van Overijssel, toen nog steeds moet hebben gelopen. Een overweging van de classis Deventer, in het onvolledige procesdossier van de Vriezenveense beroepingskwestie, dateert van eind maart 1660. Wellicht zijn er stukken in het archief van de Hervormde Kerk in Vriezenveen, die meer helderheid over de rechtszaak kunnen verschaffen.

De rekening van de rechtszaak en wie deze betaalde.

Denkbaar is, dat één van de aspecten van de rechtszaak ook was, de vergoeding van onkosten, welke in verband met de beroepingsprocedure door de Vriezenveense Gemeente waren gemaakt. Mogelijk hebben de Vriezenveners bij de rechtszaak gesteld: "als wij de predikant niet mogen beroepen, dan willen wij ook niet betalen voor de beroepingsprocedure". Ook in later tijd blijkt dat de Vriezenveners problemen hadden geld te doneren aan een kerk die gedomineerd werd door de Heer van Almelo. Het is in dit verband opvallend dat na de Franse omwenteling in 1795 eindelijk de gelden werden vrijgemaakt voor de verbouwing van de bouwvallige Vriezenveense kerk.
De verrekening van de beroepingskosten werden uiteindelijk, hoe je het ook went of keert, niet door de Heer van Almelo uit eigen zak betaald. Hij beoordeelde welke kosten relevant waren en welke niet, gezien de aantekeningen in de marge van het kasboek en liet de door hem gehonoreerde kosten betalen door deze te verrekenen met de opbrengsten van het miskoorn uit 1659. Dit was een pacht van haver en rogge, die de predikant van de kerkelijke Gemeente toekwam en waaraan alle(?) Vriezenveners moesten bijdragen. Uit het kasboek van de koster blijkt dat dit jaarlijks gebeurde op Sint Maarten (11 november) en dat de koster het miskoorn voor de predikant in ontvangst nam. In 1659 bedroeg dit ongeveer 30 mud. Op Huize Almelo bleek opmerkelijk genoeg dat de hoeveelheid 1 mud minder was, dan wat in Vriezenveen was vastgesteld. Ook de pachters van de pastorie-erven (7 in getal, omvattende ca. 1/20e deel van Vriezenveen) hadden hun rol bij de inzameling, zij regelden het transport. Mocht de opbrengst van het miskoorn niet voldoende zijn, dan moest de rest door de pachtgelden van de pastorie-erven worden opgebracht, zo verordonneerde de Heer van Almelo. Hij had na de reformatie het beheer over de kerkelijke goederen gekregen en dus zeggenschap over haar inkomsten. In totaal bedroeg de rekening van beroepingskosten, welke door de Heer gehonoreerd werden, ruim 170 gulden. Toch een behoorlijk bedrag voor die tijd. Een groot deel van dit bedrag was voor drank (bier en wijn). Dat kan misschien in onze tijd enige bevreemding wekken, echter voor die tijd was het heel gewoon dat er veel alcohol werd gedronken, inclusief door de dominee dus! Dranken als koffie en thee waren toen nog geen gemeengoed en frisdranken kende men natuurlijk al helemaal niet. Het enige alternatief in die tijd was het water uit de waterput.
Het is verleidelijk de boete, die de koster van Vriezenveen moest betalen aan het breukgericht, vanwege het organiseren van een drankbruiloft, in verband te brengen met zijn rol in de beroepingszaak. De samenloop van data in deze kwesties kan haast geen toeval zijn. De koster, benoemd door de Heer van Almelo (!), trok duidelijk partij voor de Vriezenveners in de Vriezenveense beroepsprocedure, wat blijkt uit zijn bezoeken aan Deventer en Kampen om de classis en de Gedeputeerden van Overijssel van het standpunt van de Vriezenveners te overtuigen. Dit zal hem niet in dank zijn afgenomen. Alhoewel de koster de meeste van zijn onkosten vergoed kreeg, lijkt het erop dat hij op andere wijze was teruggepakt. Een deel van de toegekende vergoeding, lijkt te zijn verhaald op de koster zelf, door hem een boete op te leggen van 8 mudde haver voor de organisatie van een drankbruiloft. Of de Heer van Almelo, die het in het breukgericht van de Heerlijkheid Almelo en Vriezenveen voor het zeggen had, daadwerkelijk de drankbruiloften in Vriezenveen aan wilde pakken, is zeer twijfelachtig. Dit is namelijk de enige drankbruiloft in het breukregister dat voor het breukgericht (lees de Heer van Almelo) aanleiding was een boete, ook wel "breuck" genoemd, op te leggen. Het lijkt er vooral op dat hij de koster wilde straffen voor zijn rol in de beroepingskwestie.

De Vriezenveners in het Rekenboeck.

Uit het kasboek blijkt wie er in 1659 in Vriezenveen behoorden tot de bestuurders en wie er op het gebied van kerkzaken een vinger in de pap hadden. Hiertoe behoort de schout, die overigens in het kasboek niet met naam wordt genoemd. Uit andere bronnen blijkt dat in 1659 Hendrik Schuurman de schout van Vriezenveen was. Otto Frericks, die ook regelmatig wordt genoemd, als iemand die vaak bij bestuurlijk overleg betrokken was, was mogelijk verwalter-schout in die tijd. Dit zou je kunnen beschouwen als een soort loco-burgemeester. Otto Frericks wordt vanaf 1663 tot 1685 regelmatig als schout genoemd in diverse bronnen, dus hij zou eerder zeker verwalter-schout geweest kunnen zijn. Verder moeten toen Jan Pouwels en zijn zoon Pouwel belangrijk zijn geweest. Welke functie zij vervuld hebben blijft onduidelijk, mogelijk waren ze ouderlingen. Ook van Geert Luijkes, die regelmatig wordt genoemd en Herman Geerts, worden de functies niet vermeld. Ook zij waren mogelijk ouderlingen of wellicht diakenen. De enige ouderling die met naam wordt genoemd, is Jan Smit. Hij moet een belangrijk persoon zijn geweest, want hij komt ook voor als kerkmeester. Deze laatste functie is het beste te vergelijken met de wethouder in onze tijd. Een kerkmeester had vooral met wereldlijke zaken te maken, maar ze traden, zo blijkt uit dit kasboek, net als de schout, ook op in kerkelijke kwesties. Een andere kerkmeester met een dubbel-functie in het Vriezenveense bestuur was Frerick Frericks. Deze wordt als kerkmeester en diaken genoemd. Hij zal identiek zijn aan de schoolmeester Frerick Frericks, die op het einde van het Oosteinde woonde, en bij een overleg van kerkmeesters op 13-6-1659 aanwezig was.
Dat de kerkmeesters vooral met naam staan genoemd, zegt zeker iets over hun belangrijkheid in het Vriezenveense dorpsleven van toen. Er waren er altijd 4. Elk jaar werden daarvan op 1 mei 2 leden vervangen. Naast Frerick Frericks en Jan Smit worden de volgende kerkmeesters nog genoemd. Pouwel Lamberts en Berent Luijkes, die ook wel Cort Berent werd genoemd. Uit het breukregister van Almelo blijkt dat de familienaam van Cort Berent eigenlijk ten Cate was. Maar familienamen waren toen niet zo belangrijk om te noteren. Mensen werden vaak met hun patroniem (zoals Jansen, Pietersen etc.) aangeduid. Verder wordt nog Hendrick Berents als kerkmeester genoemd. Er zijn sterke aanwijzingen dat zijn familienaam Berkhof moet zijn. Zo wordt Hendrick (Berents) Berckhoff in januari 1659 als keurnoot in een rechtzaak genoemd (Statenarchief, inventarisnummer 4053). Dit hield in dat hij vrijwel zeker een functie in het Vriezenveens bestuur had, want zij werden doorgaans in de 17e eeuw opgeroepen als keurnoot (of assessor) om bijstand te verlenen aan de richter bij een rechtszaak of juridische kwestie. Daarnaast wordt in januari 1659 in het breukregister Berckhof met de schout van Vriezenveen genoemd als degenen die aansprakelijk werden gesteld in een bestuurlijke kwestie (tegen de drost van Thil). Dit is ook een zeker bewijs dat Berckhof een hoge bestuurlijke functie moet hebben vervuld, waarschijnlijk kerkmeester dus. Ten slotte, als laatste wordt Jan Bartels nog als kerkmeester genoemd. Hij is waarschijnlijk identiek aan de Olde Jan Bartels, die in 1660 door de Vriezenveners tot schout werd verkozen.

Blijven er nog drie belangrijke personen over. Ten eerste de gerichtsschrijver Joannes Bonecamp, in het kasboek meestal aangeduid als Boncamp. Hij is veelvuldig bij belangrijke vergaderingen aanwezig, mogelijk om hiervan schriftelijk verslag te doen. Er zijn aanwijzingen dat ook hij een kroeg had. Zo liet de koster op 23 mei 1659 een vaan bier halen bij deze Bonecamp. Ten tweede de rentmeester Berent Jansen, ook wel Rappert genaamd. Hij zal waarschijnlijk rentmeester van de kerk en de kerkelijke goederen zijn geweest. Daarnaast is uit andere bronnen bekend dat hij een kroeg had en overigens ook een drankprobleem, die hem menigmaal in aanraking bracht met het breukgericht, waar hij menige boete kreeg opgelegd. Tot slot is daar natuurlijk de koster zelf, Hermen Evers Coster, ook wel van Weerselo genoemd. Hij is de grote spil in het web en was bij alle belangrijke vergaderingen en overleggingen in de beroepingskwestie in Almelo, Kampen en Deventer, aanwezig. Er zijn aanwijzingen dat ook hij een gelegenheid had waar drank werd geschonken. Zo werd hij immers voor het breukgericht beboet voor het houden van een drankbruiloft.

(bron: Archief Huize Almelo; inv. nr. 3217).  
 

Inhoud van het Rekenboeck

- maart 1659 deel 1
- maart 1659 deel 2
- april 1659
- mei 1659
- juni 1659
- juli 1659
- augustus 1659
- september 1659
- oktober 1659
- november 1659
- december 1659
- januari e.v. 1660
- de verrekening
 
 
© 2007 Erik Berkhof Amsterdam. e-mail: onweersberkhof (at) chello.nl  

Last updated 03.02.2007