| Notities persoon | 24 mei 1732 verschenen voor het Gerecht van Hellendoorn Gerrit Janssen Calvenhaer verklaart dat hij de voorkinderen van wijlen zijn vrouw genaamd Jan Janssen, Hend.e Janssen, Jenneken Janssen en Janna Janssen en zijn zoon Jan Gerrijtsen zal uitkeren hun moederlijk erfdeel de som van 50 caroli guldens, uit te keren op mei 1733 aanstaande. Janna krijgt verder nog een bed met toebehoren (Bron: Archief Schoutambt Hellendoorn, inv. nr. 6 folio 451, foto 234).
26 september 1761 contract tussen Albert Tijsselink, zijn meerderjarige zoons Jan en Jannes en de voogden van zijn 3 minderjarige kinderen Maria, Mannes en Hendriene, te weten Jan Hendriks van het Kleine Heksel en Jan Gerrits van den Twilhaar, deze maand als voogden aangesteld. Albert Tijsselink zal de gehele boedel houden, inclusief alle lasten en schulden, uit het moederlijke goed van wijlen Jenneken Jansen zal hij aan de kinderen door haar in echte verwekt elk moeten uitkeren als ze meerderjarig zijn of komen te trouwen: aan de zoons Jan en Jannes ieder 60 guldens en aan de minderjarigen Maria, Mannes en Hendrine elk een som van 80 guldens, alsmede aan ieder een koe, benevens aan elk een gestopt Twilburen, onder en bovenbed en tenslotte aan de oudste dochter de kist van wijlen haar moeder en aan de jongste dochter een nieuwe kist. Albert verklaart samen met zijn aankomende bruid Geertjen Beerents, hierbij meede gecompareerd, dat de kinderen zo lang zij ongetrouwd zijn altijd op het ouderlijk goed mogen blijven wonen en mochten zij ziek of armlastig worden dat hebben ze recht op onderhoud in de ouderlijke woning (Bron: Archief Schoutambt Hellendoorn, inv. nr. 15 folio 185 foto 96). |
|