| Notities persoon | Neemt de landerijen (6 1/2 akker) over van zīn vader gelegen aan het Oosteinde (vermoedelijk huidige nummering 266). Wordt in 1726 nog genoemd. In 1733 staat zijn zoon Jan Gerrits als de nieuwe eigenaar vermeld. Gerrit is dan echter nog niet overleden.
In het boterpachtregister van 1696 (archiefmap 1693) staat vermeld dat Gerrit Jansen Broertjen een deel van de boterpacht van het erf van [zwager] Hermen Hendriks voldoet, waarmee de familiaire familierelatie tussen beider echtgenoten (Frerikjen Berends en Aaltje Berends) bevestigd lijkt te worden. In het register van de 1.000e penning van 1715 komt Gerrit Broertjen voor met het aanzienlijke vermogen van 1100 gulden, in 1734 is dit nog steeds 1000 gulden. In 1739 staan zijn zonen Jan en Berent "Broetien" vermeld op dezelfde locatie.
Treedt op 26-12-1710 op als momber van Geertjen Hendricks als deze haar testament opmaakt (arch. Sch.ambt Vriezenveen inv. nr. 2673). Uit dit testament zou je kunnen afleiden dat de vader van Gerrit (tenminste als de voogd Gerrit Jansen Broertjen identiek is aan de Gerrit Jansen aan wie getesteerd wordt in het testament), Jan Hendriks genaamd is geweest. Als broers van Gerrit worden genoemd Berent en Henrick en ook wordt nog een zuster Geertruijt genoemd.
Gerrit Jansen Broertjen is in het jaar 1737 (de maand september of oktober) in de stad Halle en Leipzig samen met Jan Jansen Berkhoff. Ook Henrik Jansen Boeschen en Jan Fredriks Fronten waren in dezelfde periode in die streken, mogelijk betokken bij dezelfde maatschap. Dit blijkt uit een memorie uit het archief van het hooggericht Almelo. Hierin staat dat Henrik Jansen Boeschen samen met Jan Fronten van een bankier in Halle (Duitsland) enkele honderden guldens geld geleend hadden onder borg van 7 stuks linnen, maar de schuldverklaring zou Henrik Boeschen met een valse naam hebben ondertekend. Jan Jansen Berkhof en Gerrit Jansen Broertjen, die dezelfde bankier in Halle bezochten, werd gevraagd of zij de twee ( "een dikke zware man en een klein keerltien met swart haar") kenden en hen werd de valse schuldverklaring getoond, waarop ze ontkennend zouden hebben geantwoord. De man deelde de twee nog mee, jullie zijn het niet, maar ze hadden wel dezelfde spraak. (bron: HAA inv. nr. 2969). |
|