| Notities persoon | linnenkoopman. Verbleef met zekerheid in 1737 te Stettin aan de Oostzeekust, was daar in compagnonschap met Gerrit Boesschen (Bron: Ken uw dorp en heb het lief blz. 128). Zou volgens Herman Jansen gewoond hebben aan het Oosteinde nr.266 (huidige nummering). Bron: Ken uw dorp en heb het lief blz. 135,136. Ik heb Berent echter niet kunnen traceren in de boterpachtregisters. Waarschijnlijk deelde Berend de woning met zijn broer Jan Gerritsen Broertjen, die wel in de boterpachtkohieren wordt vermeld. In de hoofdgeldkohieren komen Jan en Berend wel beide voor, bijvoorbeeld in 1737. In alle kohieren en ook bij de volkstelling van 1748 staan ze naast elkaar genoemd.
In 1737 met de hoofdelijke aanslag wordt "berent brortien" aangeslagen voor 2 personen, en bedraagt de aanslag 1 gulden , dit is 50 cent p.p. (gemiddeld Oosteinde 46 cent p.p.). " Jan Broertien" wordt voor 1 persoon aangeslagen en moet 90 cent betalen, een hoog bedrag. In 1753 is alleen de weduwe "ijan bruetien" te vinden ze wordt aangeslagen voor 3 peronen en moet 1,30 betalen ca. 43 cent p.p.(tegenover gemiddeld 39 cent). In 1760 is dan weer uitsluitend "berent broertijen" vermeld, hij wordt aangeslagen voor 4 personen en moet dan 1 gulden betalen, met deze aanslag van 25 cent p.p. ligt hij behoorlijk onder het dorpsgemiddelde (39 cent). In het register van de 1.000e penning valt het geschat vermogen van de meer welgestelde Vriezenveners af te lezen. Berent had in 1751 een geschat vermogen van 550 gulden. Best wel aardig, maar toch de helft minder dan zijn vader eertijds. Het vermogen lijkt tussen de twee broers (Berent en Gerrit) opgedeeld te zijn. In het register van 1758 komt Berend niet meer voor wat betekende dat Berend onder de 500 gulden was gekomen. Die werden in dat register niet vermeld.
De landerijen van de familie Broertjen, die dus in de boterpachtregisters nog op naam staan van Jan Gerritsen Broertjen, raken vanaf 1755 verdeeld tussen Jan Berents Berkhof en Jan Boeschen, die elk met een dochter van Jan Gerrits Broertjen getrouwd zijn. De familie Broertjen blijft in de persoon van Albert Broertjen nog wel op de oude lokatie wonen, maar wordt in de boterpachtregisters niet meer als eigenaar van landerijen vermeld. Volgens Herman Jansen in Ken uw dorp en heb het lief zouden de landerijen in de familie zijn gekomen via de eerste vrouw van Berend te weten Aeltjen Hendriks. Op grond van de informatie uit het boterpachtregister blijkt het echter anders te liggen, de landerijen komen gewoon uit de eigen familie. Berend dreef samen met zijn broer Jan een handeltje in linnen. Othmar ten Cate, spreekt de broers op 11-11-1741 aan voor 19 stuks geleverde linnen ter waarde van 1500 caroli guldens, waarvan pas 815 was betaald. (Bron Herman Jansen, Ken uw dorp etc. blz. 135). Wat ik uit de gegevens van de hoofdelijke aanslag in combinatie met de andere gegevens concludeer is dat de handel niet lucratief is geweest voor Berend. Mogelijk dat hij zich later evenals zīn zoon op de turfschipperij heeft toegelegd, een beroep dat toch ook maar een karig bestaan opleverde, terwijl er hard gewerkt moest worden.
Op 28-07-1747 maakt Henrick Harms, de kinderen van zijn schoonzoon, bij zijn [tweede vrouw] Geertje Derks verwekt, genaamd Berent, Derk en Albert tot universeel erfgenaam (bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).
Volgens Herman Jansen, in ken uw dorp en heb het lief hield Geertje Derksen Smit in 1766 een boedelscheiding met haar 2 zoons Albert en Derk . Ik citeer: "De zoon Albert kreeg het huis en de landerijen in eigendom met de verplichting om zijn moeder en zijn broer, als deze niet trouwde, voor ´den tijt huns levens´ te onderhouden en ´kost, dranken kleederen en al hetgene sij verder van node mochte hebben´ te verschaffen. Verder zou derk, als hij dit verkoos, kunnen eisen dat Albert hem moest geven de stapel- en linnenkiste, de turfschuite en de beste koperen pot. Verder zou de weefkamer en het weefgetouw, zoals hij dat steeds had gebruikt, ter zijner beschikking moeten staan, verder moest aan derk worden toegetsaan uit het scharrebiervat of melkvat te mogen drinken. dat wil zeggen dat hij vrij scharrebier, dat zelf werd gebrouwen en melk mocht drinken." |
|