Kwartierstaat van Hendrik Berkhof

--- In de genealogische database vindt u dezelfde informatie anders gepresenteerd inclusief foto's. Levende personen worden niet weergegeven, tenzij toestemming is verleend. genealogische database---

Generatie I

Generatie I

1. Hendrik Berkhof, geb. Schoonebeek 4 okt. 1958.

Notitie bij Hendrik: rijksambtenaar Amsterdam

Generatie II

2. Gerhardus Engbertus Berkhof, geb. Vriezenveen 19 mei 1926, † ald. 3 nov. 1993, tr. Vriezenveen 21 mei 1953
3. Hendrika Johanna Schipper, geb. Vriezenveen 25 dec. 1930.

Notitie bij Gerhardus Engbertus: aanvankelijk nog landbouwer op het ouderlijk erf, later machinist bij de melkfabriek (Schoonebeek, Hardenberg, Utrecht), bedrijfsleider rioolwaterzuivering (IJsselstein) rayonchef Prov. Waterstaat Friesland (Drachten), bijnaam Onwjears Gerhard.

Generatie III

4. Hendrik Berkhof, geb. Vriezenveen 30 april 1897, † ald. 19 mei 1967, tr. Vriezenveen 15 nov. 1923
5. Magdalena Johanna Teunis, geb. Vriezenveen 28 dec. 1897, † ald. 24 febr. 1953.

Notitie bij Hendrik: landbouwer, Wijk I-nr. 79 (adres 1943), Oosteinde 345 (huidige nummering), bijnaam "Onwjears Hendrik" of op gewoon Nederlands "Onweers Hendrik"
bestuurslid K.I.-vereniging Hellendoorn-Den Ham-Vriezenveen
bestuurslid van de Slachtcoöperatie de G.O.S.
bestuurslid van de Coöperatieve Zuivelfabriek
bestuurslid van de Overijsselse Landbouw Maatschappij

Hendrik was één van de eersten die zijn boerenbedrijf na de ruilverkaveling (vijftiger jaren 20e eeuw) verplaatste van het Oosteinde naar de Dalweg. Zijn bedrijf diende vele jaren als een voorbeeldbedrijf van het landbouwconsulentschap Overijssel en van de Vereniging voor Bedrijfsvoorlichting. Met de verplaatsing van het bedrijf kwam een einde aan de bewoning van de oude boerderij (Onwjearserf) die generaties lang in de familie was gebleven (zeker meer dan 300 jaar).
Bron: familiearchief Onweersboerderij en krantenartikel nav overlijden Hendrik Berkhof in 1967.
Zie ook notities vader Hendrikus Berkhof(f) en grootvader Albertus Jaspers Faijer.
Notitie bij Magdalena Johanna: bijnaam Marriën Lena.
Notitie bij het huwelijk van Hendrik en Magdalena Johanna: huwt op dezelfde dag als zuster Julia Johanna

6. Derk Schipper, geb. Vriezenveen 7 jan. 1889, † ald. 16 mei 1964,1 tr. Vriezenveen 20 juni 1918
7. Johanna Bramer, geb. Vriezenveen 25 mei 1890, † ald. 13 nov. 1966.

Notitie bij Derk: timmerman en aannemer, Westeinde, bijnaam Boosmans Derk
Notitie bij Johanna: Gjötten Hanna, bij trouwen kamermeisje bij hotel ter Brake, waar ze ook inwonend was. Ze ging al jeugdig het huis uit evenals haar zuster Cornelia, die ook bij hotel ter Brake diende.

Generatie IV

8. Hendrikus Berkhof(f), geb. Vriezenveen 8 aug. 1857, † ald. 25 juni 1924, tr. Vriezenveen 2 april 1886
9. Johanna Jaspers Faijer, geb. Vriezenveen 10 maart 1864, † Heino 10 febr. 1941.

Notitie bij Hendrikus: landbouwer, Wijk I-nr. 79 (adres 1943), Oosteinde 345, bijnaam Jan Butens Dieks, ontvanger Ned. Herv. kerk (in elk geval van 1897 tot 1907). Was afkomstig van het bekende Jan Butenserf, waar al honderden jaren Berkhoff´s woonden. Was de eerste Berkhof die het Onweerserf bewoonde. Moet volgens overlevering een nogal norse man geweest zijn.
Bij de boedelscheiding van de ouders van Johanna Jaspers Faijer (zijn echtgenote), in 1896 staat bij Hendrikus Berkhof vermeld "zich ook wel schrijvende Berkhoff". Hendrikus ondertekent de akte zijn naam met dubbel ff.
Op 21-10-1913 koopt Hendrikus de boterpacht af van het zogenaamde "Onweersland"; hij betaalt hiervoor 48 gulden en hiermee vervalt zijn plicht voor dit land jaarlijks "acht halve Nederlandsche ponden boter" op Sint Martini aan de heer van Almelo te voldoen. Zie voor uitleg over de boterpacht ook mijn scriptie op deze website (zie index hoofdstuk 1 par.2 onder het kopje verhouding tot het Huis van Almelo). http://onweersberkhof.com/scriptie/inhoudsopgave.html
Na het overlijden van Hendrikus in 1924 vindt een eerste boedelscheiding plaats. Huis en erf komen aan Hendrik Berkhof toe, de landerijen zijn vergeleken met de vorige generatie aardig geslonken (zo´n 15 hectare). De smederij die de "Onweersfamilie" sinds 1858 in bezit heeft gaat naar zoon Johan Gerrit.
Notitie bij Johanna: Onwjears Hanna, overleed op 10 februari 1941 tijdens een bezoek aan haar dochter Julia in Heino. Op 13 februari werd haar lichaam door een ziekenauto van het Groene Kruis à raison van 30 cent per kilometer naar Vriezenveen vervoerd, waar ze naast haar man werd begraven op het zogenaamde "rijkeluis-kerkhof" (zie voor meer informatie over het standenkerkhof mijn scriptie; http://onweersberkhof.com//scriptie/inhoudsopgave.html)

10. Gerhardus Engbertus Teunis, geb. Vriezenveen 28 febr. 1845, † ald. 13 jan. 1927, tr. 1e Vriezenveen 8 april 18912 Magdalena Holland, geb. Vriezenveen omstr. 1859, † ald. 18 sept. 1893, zuster van zijn tweede echtgenote; tr. 2e Vriezenveen 29 mei 18953
11. Pieterlina Holland, geb. Vriezenveen 21 jan. 1865, † ald. 3 dec. 1939.

Notitie bij Gerhardus Engbertus: 1904-1909 notabele van de N.H.kerk. Van beroep kastelein, winkelier, koopman in tuinzaden en landbouwer (bereisde voor
z´n tuinzaadhandel samen met z´n broer Johannes Teunis vnl Duitsland); de oudste broer Jan (geboren in 1828) ging op 17 jarige leeftijd naar St. Petersburg en overleed daar in 1847 aan zenuwzinkenkoorts toen hij 19 jaar oud was; mondelinge info van Johanna Bom-Teunis te Almelo ca. 1972). Was van 1904 tot 1909 notabele van de N.H. kerk te Vriezenveen.

Bij een boedelbeschrijving na het overlijden van Magdalena Holland op 19-12-1893 is een goed beeld te krijgen van de huishouding van de familie, naast 4 wagens met toebehoren en enig landbouwwerktuig had G.E. Teunis, 2 roodbonte koeien, een paard en een vet varken, 15 kippen en 3 hanen. Verder worden de potten en pannen beschreven, serviesgoed, bedden, 1 uitrektafel met 8 stoelen, daarnaast nog een uitrektafel met 12 stoelen en een leuningstoel, 10 schilderijen, 2 spiegels, linnenkast met 3 potten, glasgordijnen etc. kerkboek met gouden knip, 2 onderbedden, 1 bovenbed en een ledikant etc. etc. Verder worden de winkelwaren beschreven, een breed assortiment, voedingsmiddelen, zoals suiker, zout en rozijnen, zeep, stijfsel, peper en nagelgruis, pruimen, drop, serviesgoed, petroleumkannen, diverse klompen, een kerkboek met zilveren band, een zilveren horlogerie, garen, raapolie, petroleum, lampenglazen en een flinke hoeveelheid jenever, brandewijn en likeuren. Deze laatsten vertegenwoordigden een waarde van 200 gulden, meer dan 15 hectare land en uitstaande leningen, waaronder een lening aan Hendrik Jan van der Linde te Arriën, Ambt Ommen van tweeduizend zevenhonderd zestig gulden en bij Fedde Cornelis van der Veem te Daarle stond drieduizend gulden uit en bij Derk Teunis te Daarlerveen zevenhonderd gulden.

5-4-1889 is er een boedelscheiding van de nalatenschap van Engberdina Johanna Teunis, overleden 20-10-1888. Erfgenamen zijn: 1. Johannes Teunis, koopman en grondeigenaar 2. Johannes Albertus Smelt, gemeenteontvanger, echtgenoot van Johanna Gerharda Teunis 3. Gerhardus Engbertus Teunis, winkelier en koopman 4. Jan Schuurman, timmerman en winkelier, wonend te Den Ham, echtgenoot van Esina Theresia Teunis 5. Mejuffrouw Truida Johanna Teunis, zonder beroep, weduwe van de heer Gerhardus Winter. Ze erven zo´n 14 hectare bouw en weidegrond en 2 hectare veengrond. Tevens het aandeel van de leningen van de vader van Engberdina Johanna, dat voor haar persoonlijk uit een aandeel bestond van ruim drieduizend gulden. In totaal wordt een geldwaardebedrag van 8000 gulden verdeeld en krijgt ieder 1600 gulden aan waarde.

(bron akten uit de nalatenschap van Johannes Teunis (Marriën), overleden 10-2-1973 te Almelo: in de 70ger jaren overgedragen aan museum Oud Vriezenveen).
Notitie bij het overlijden van Pieterlina: na de dood van Pieterlina verandert, volgens informatie van het kadaster, de bestemming van de woning. De woning van de familie Teunis wordt inwendig verbouwd en na ca. 200 jaar was de winkelnering op deze plek verleden tijd.

12. Berend Schipper, geb. Vriezenveen 9 aug. 1848,4 † ald. 7 mei 1926, tr. Vriezenveen 29 maart 1877
13. Johanna Hendrika Nijen Twilhaar, geb. Vriezenveen 10 nov. 1854, † ald. 17 maart 1931.

Notitie bij Berend: landbouwer, (bron huwelijksakte). bewoonde het Boosmanserf, Oosteinde 175 huidige nummering.
Notitie bij Johanna Hendrika: bij huwelijk dienstmeid van beroep

14. Berend Bramer, geb. Vriezenveen 4 april 1864, † ald. 30 aug. 1899, tr. Vriezenveen 1 juli 1887
15. Janna Aman, geb. Vriezenveen 15 juni 1865, † ald. 15 maart 1928, tr. 2e Vriezenveen 25 juni 1909 Johannes Wessels, geb. Vriezenveen 18 febr. 1855, † ald. 2 febr. 1950,5 zn. van Gerrit en Aleidina Engberts en wedr. van Mina Gezina Bramer.

Notitie bij Berend: kantoorbediende bij Jansen en Tilanus, daarnaast had hij een boerenbedrijfje. Volgens overlevering van Johannes Jacob Bramer zou Berend zijn overleden doordat hij met het hooien tijdens een naderende onweersbui de pet aan zijn knecht gaf, en daardoor zelf een longontsteking opliep. Is geboren op het Gjöttenspil, de boerderij, gelegen aan het Westeinde 144 huidige nummering (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 188).
Notitie bij Janna: Janna was afkomstig van het puntje van het Oosteinde (tegenover de Jan Butens boerderij van de familie Berkhoff), nr. 409, haar bijnaam was "Baais Janna".
Notitie bij het huwelijk van Berend en Janna: helaas is van dit echtpaar geen foto bekend, al dan niet vanwege godsdienstige redenen wilde Janna Aman niet op de foto, hoewel hier vaak een poging toe gedaan is door hoteleigenaar ter Brake, waar hun dochter Johanna Bramer in dienst was.

Generatie V

16. Fredrik Johannes Berkhof, geb. Vriezenveen 15 febr. 1823, † ald. 26 dec. 1891, tr. Vriezenveen 7 april 1849
17. Janna Aman, geb. Vriezenveen 3 febr. 1824, † ald. 20 aug. 1879.

Notitie bij Fredrik Johannes: landbouwer, Oosteinde 390, huidige nummering , bijnaam Jan Butens Freek. Vervulde diverse bestuurlijke functies in kerk en gemeente. Was gemeenteraadslid vanaf 1862 toen de gemeenteraad werd uitgebreid in verband met de bevolkingsvermeerdering van de gemeente Vriezenveen. Bedankt in 1883 voor de eer van het raadslidmaatschap. Was in de kerk o.a. actief in de functie van notabele (1856-1880), diaken (1870-1873) en ouderling (1855-1860).
Op 22-8-1889 vindt er een boedelscheiding plaats naar aanleiding van het overlijden van Janna Aman in 1879. Hieruit blijkt dat de familie er warmpjes bij zat en aan hypotheken en leningen meer dan 15.000,- gulden uit had staan. Elk der kinderen verwierf 1.889,- uit de boedel. (bron: familiearchief "Onweersboerderij)
Notitie bij het overlijden van Fredrik Johannes: grafsteen nog aanwezig op kerkhof Vriezenveen anno 2005
Notitie bij Janna: bijnaam: Joonkbeernds Janna
Notitie bij de geboorte van Janna: in haar geboorteakte staat vermeld dat ze de dochter is van Hendrikus Aman Fz. koopman en landbouwer te Vriezenveen 36 jaar, hij doet ook de aangifte van de geboorte en Johanna Broertjen, zijne huisvrouw, zonder speciaal beroep, 31 jaar. getuigen waren: Jasper ten Cate, bode 57 jaar en Hendrik Schipper Albz. 48 jaar landbouwer.
Notitie bij het overlijden van Janna: grafsteen anno 2005 nog aanwezig op kerkhof te Vriezenveen

18. Albertus Jaspers Faijer, geb. Vriezenveen 21 okt. 1827, † ald. 10 maart 1897, tr. Vriezenveen 23 juni 1860
19. Johanna Lena Webbink, geb. Vriezenveen 1837, † ald. 12 aug. 1869.

Notitie bij Albertus: Ook wel Albartus (bijnaam Onwjears Bats) genoemd, landbouwer en grondeigenaar, bewoonde het Onweersgoed aan het Oosteinde nr. 345 (huidige nummering). Koopt op 25-6-1864 zo´n 6 hectare land voor 200 gulden van de kinderen van Jan Aman en Klasina Berkhoff genoemd de oostelijke helft van het zogenaamde "Onweersland" aan de zuidkant van de dorpsstraat. In 1876 wordt de boerderij op een gemiddelde huurwaarde van 90 gulden geschat, dat is ruim boven het gemiddelde van ruim 52 gulden in Vriezenveen (bron: archief kadaster Zwolle). Opmerkelijk is dat het erf op naam van de broer van Albertus genaamd Hendrik staat, die al in 1865 is overleden, aangezien de boedel van de vader van Albertus pas jaren na zijn dood (in 1891) is verdeeld was eigenlijk iedereen van de kinderen eigenaar in 1876, maar opmerkelijk is toch wel dat Hendrik op dat moment al jaren was overleden, dus de registratie van het kadaster was niet echt up-to-date.
Albertus was gemeenteraadslid vanaf 1862, toen hij zitting kreeg in een grotere gemeenteraad in verband met de vermeerdering van de bevolking van de gemeente Vriezenveen in die tijd; was in elk geval in 1866 nog gemeenteraadslid. Vervulde de functie van wethouder van 6-9-1887 tot zijn overlijden op 10-3-1897. De heer J. Harmsen volgde hem op (bron: gemeentearchief Vriezenveen).
Op 19 april 1864 is er een boedelbeschrijving nav het overlijden van de neef Derk Jaspers Faijer die als wees op 19 jarige leeftijd op het Onweerserf in het huis van zijn oom Albertus overlijdt. Er wordt vermeld dat de boedelscheiding van de grootouders Jannes Jaspers Faijer en Gerritdina Kosters nog niet heeft plaatsgevonden en dat Albertus bij testament enig erfgenaam is geworden van het erfdeel van neef Derk en Derks eigen bezittingen. Het Onweersbezit wordt dan getaxeerd op 17.249,72. Derks erfdeel hiervan is één vierde deel, te weten 4.302,43. Naast dit erfdeel dat dus volledig aan Albertus toevalt vallen de bezittingen van Derk aan Albertus toe. Deze bestaan vrijwel uitsluitend uit hypotheken en uitstaande leningen ter waarde van 8.173,05. (zie ook notities neef Derk Jaspers Faijer (1845-1864).
In oktober 1871 vindt er al weer een boedelbeschrijving plaats naar aanleiding van het overlijden van dochter Julia: landerijen, woning, meubilair, kleding, geld, en waardepapieren worden geschat op ruim 23.000 gulden.
Op 8-6-1872 vindt opnieuw een boedelscheiding plaats nav het overlijden 3 jaar eerder van echtgenote Johanna Lena Webbink. Dit is opmerkelijk omdat de boedelscheiding van de vader van Albertus (overleden in 1858) pas jaren later plaats vond, terwijl het hier toch om de inboedel van het zelfde erf gaat, waar eigenlijk in het geheel geen boedelscheiding over had kunnen plaatsvinden, aangezien de boedelscheiding van een generatie eerder nog niet had plaatsgevonden (pas in 1891). Het lijkt erop dat Albertus ervan uitging dat een boedelscheiding van zijn ouders niet meer plaats zou vinden en dat het erf en landerijen hem toekwamen!

De beschrijving van de inventaris is erg uitvoerig. Een greep hieruit: een Friese hangklok ter waarde van 15 gulden, twee dozijn witte borden en twee dito schotels te waarde van 1,20. 9 stuks gekleurde borden en 5 dito schotels gewaardeerd op 0,50. 9 tinnen borden ter waarde van 6 gulden, 40 tinnen lepels en een dito soeplepel op 1,50. 15 ijzeren vorken en 16 messen getaxeerd op 1,50. Een koperen tabaksdoos , een servies met 30 kopjes en schoteltjes van aardewerk op 2 gulden geschat, een tinnen koffiekan, een verlakte tinnen koffiekan en 2 tinnen theepotten, 12 keukenstoelen. 3 petroleumlampen, waaronder 1 hanglamp, 6 eierlepeltjes, 2 bierglazen, 33 linnen beddenlakens geschat op 20 guldens, 1 rol ongemaakt linnen geschat op 30 gulden, 1 kerkboek met zilveren sloten en beugel geschat op 12 gulden. In de "groote oostelijke kamer van het huis een ovale geschilderde tafel met 6 stoelen, 3 schilderijen en een spiegel, een opgelegd eikenhouten kabinet, 2 katoenen parapluis, 1 strijkijzer, 2 onder en bovenbedden. Ook in de keuken met uitzicht op de straat is een onder en bovenbed en verder is dit zelfde ook te vinden in een kamertje boven de kelder, daar zijn ook nog 6 stoelen met rieten zittingen en 6 stoven te vinden. In totaal lijken er 8 slaapplaatsen te zijn. 2 in de keuken, 4 in de kamer en 2 in het bovenkamertje. In de kelder zijn melkvaten en een balans met schalen te vinden.
Verder de nodige pannen, melkvaten etc.
De veestapel was beperkt, 1 paard (120 gulden) 3 zwartbonte koeien (330 gulden), 2 kalveren (60 gulden), 1 oud varken (20 gulden), 25 kippen en 1 haan (7 gulden), 2 katten (!) worden geschat op 30 cent, 2 beslagen wagens (45 gulden), 2 mestwagens (20 gulden), divers boerengereedschap, 3 koperen wasketels. "Voorradige gedorschte rogge en boekboekweit" (55 gulden). aardappelen (9 gulden), hooi en stro (10 gulden) en mest in de stal (40 gulden), turf (15 gulden), op het veld staande vruchten (350 gulden), voorradige levensmiddelen (30 gulden), voorradige contanten (150,82).

De kleding van Johanna Lena Webbink bestond uit:
-5 katoenen en 7 wollen jakken, 15 gulden
-6 wollen rokken, 10 gulden
-3 gestreepte en een rode "baaijen" rok, 9 gulden
-15 mutsen, 1,80
-4 boezelaars, 3 gulden
-10 linnen hemden, 10 gulden
-40 linnen halsdoeken, 10 gulden
-6 linnen zakdoeken, 0,90
-een kerkboek met 2 zilveren sloten, 10,90

De kleding van Albertus Jaspers Faijer bestond uit:
-2 lakense jassen, 6 gulden
-1 duffelse jas, 5 gulden
-2 broeken en 2 vesten, 8 gulden
-2 "duffelsche en een lakens buis" , 5,50
-1 hoed en 2 petten, 4 gulden
-2 paar laarzen, 4 gulden
-2 "baaijen" en 4 katoenen borstrokken, 3 gulden.
-6 halsdoeken, 1,50
-2 oude zilveren horloges, 18 gulden
-6 linnen en 6 katoenen zakdoeken
-12 linnen hemden, 9 gulden
-6 paar kousen en 2 paar klompen, 3 gulden

Uitstaande leningen bedroegen in totaal 14.449,57, daarnaast bezaten Albertus en zijn vrouw nog effecten en obligaties ter waarde van 1.566,49, waaronder Russische en Oostenrijkse obligaties.
De landerijen omvatten ca. 44 hectare grond en naast het eigen erf 1/4 aandeel in een katerstede te Wierden.
Daarnaast waren er nog schulden: grond en personele belasting 25 gulden en aan verschuldigd loon voor dienstboden 250 gulden.

Pas in 1891 vindt de boedelscheining van de ouders van Albertus plaats, de boerderij is even daarvoor geheel afgebrand (zie notities bij vader Johannes Jaspers Faijer).

In december van 1897 vindt na zijn eigen overlijden, eerder dat jaar, weer een boedelscheiding plaats. Het onroerend goed wordt vastgesteld op 10.450 gulden, waaronder een boederij, een smederij en 1/4 deel eigendom van een katerstede te Wierden. Het eigendom aan landerijen omvat maar liefst ca. 46 hectare aan land. Hij wordt dus niet voor niets in de oude akten grondeigenaar genoemd. Zijn bezit was erg omvangrijk. Hij verhuurde veel van zijn landerijen. Aan waardepapieren (hypotheken en dergelijke) bezat Albertus de lieve somma van 18.760 gulden.
De inboedel en verdere roerende "lighamelijke zaken" werden getaxeerd op 800 gulden. Aangezien er slechts 2 erfgenamen waren erfde ieder een kapitaaltje van 14.605 gulden (de derde dochter Julia was al op jonge leeftijd overleden).

De tijd van Albertus Jaspers Faijer is de tijd van de "Onweersboer" als grootgrondbezitter. Na 1899 zal het grondbezit door boedelsscheidingen en verkoop haar aanvankelijke omvang snel verliezen. Volgens het kadaster was het grondbezit van de " Onweersboer" in 1859 in Vriezenveen (er was ook bezit in Wierden en Geesteren!) zo´n 33 hectare. In 1926 was hier nog maar 14 hectare van over, die omvang zou het erf vanaf deze tijd behouden.
(Bron: familiearchief Onweersfamilie).
Notitie bij het huwelijk van Albertus en Johanna Lena: Albertus huwde als Albartus Faijer met als beroep landbouwer, Johanna Lena Webbink was dienstmeid.
Albartus heette de zoon te zijn van Jannes Jaspers Faijer en Gerritdina Koster. Een wijziging van de namen in de huwelijksakte van Albertus vindt plaats op 09-11-1888 waarbij Albartus naam wordt gewijzigd in Albartus Jaspers Faijer en die van zijn moeder Gerritdina Koster wordt veranderd in Gerritdina Coster.

20. Engbert Teunis, geb. Vriezenveen 14 jan. 1802, † ald. 1 april 1863, tr. Vriezenveen 9 juni 18276
21. Johanna Bom, geb. Vriezenveen 23 dec. 1807, † ald. 8 jan. 1880.

Notitie bij Engbert: landbouwer, koopman en winkelier. Bij de geboorte van zoon Johannes is Engbert op reis, dat wil zeggen dat hij handel zal hebben gedreven. De oudste zoon Jan (geboren 1828) ging op 17 jarige leeftijd naar St. Petersburg en overleed daar in 1847 aan zenuwzinkenkoorts toen hij 19 jaar oud was; Diaken 1831- 1835. Ouderling 1845- 1849,
notabele 1820-1830. Behoorde in 1830-1832 en 1854 tot één van de 34 families in Vriezenveen die zich een eigen huurbank in de kerk kon veroorloven, deze werden jaarlijks door inschrijving verhuurd.
bezat volgens kadastrale gegevens in 1832 27 bunder en 48 roeden land, daarnaast meer dan 15 bunder in gemeenschappelijk bezit.

Op 19-1-1827 sluit Engbert met zijn zuster Trijntjen Teunis een contract, hun deel in de nalatenschap van hun vader Jan Teunis, "provisioneel in gemeenschap te behouden en ten gemeene nutte aan te wenden", als één van beiden uit de gemeenschap stapt en op zich zelf gaat wonen, moet hij/zij de ander 500 gulden meegeven zonder verdere verrekening of afrekening. Als Trijntjen op zich zelf gaat wonen is ze daarboven ook nog verplicht Engbert jaarlijks 30 guldens te betalen, zolang ze leeft, "tot aanschaffing eener woning of andere uitgaven". Mocht Tryntjen vertrekken dan mag zij meenemen "haar klederen, kaste en het bed door haar beslapen en zes lakens en zes slopens".

Engbert is samen met zijn zuster Tryntjen, begunstigd in een testament van Klasina Jansen, van beroep naaister, 70 jaar oud, wonende te Vriezenveen, dochter van wijlen Jan Jansen (ook wel Balthazar genoemd) en wijlen Grietjen Egberts (Hoff) voor een derde deel der nalatenschap akte d.d 13-1-1840.
(bron akten uit de nalatenschap van Johannes Teunis (Marriën), overleden 10-2-1973 te Almelo: in de 70ger jaren overgedragen aan museum Oud Vriezenveen).
Notitie bij Johanna: winkelierster
Notitie bij de geboorte van Johanna: gedoopt als Johanna dv Jannes Bom en Johanna Schuurman.
Notitie bij het overlijden van Johanna: 1880 (grafsteen nog op kerkhof van Vriezenveen 2004)

22. Engbertus Holland, geb. Vriezenveen 17 okt. 1825, † ald. 1 nov. 1877, tr. Vriezenveen 10 juni 1854
23. Janna van Eijck, geb. Tubbergen 8 sept. 1825, † Vriezenveen 16 mei 1901.

Notitie bij Engbertus: logementhouder, koopman in tuinzaden, winkelier in manufacturen en landbouwer (grafsteen nog op het kerkhof van Vriezenveen 2004).
In 1868 koopt hij van de erfgenamen van Johanna Alberdina Vetker een pand op het Midden,-aan de kant van het Oosteinde- en in 1869 laat hij het pand afbreken en bouwt een nieuw pand met winkel en logement Tot 1947 blijft het pand in handen van de familie Holland (Jan een zoon van Engbertus, koopman en hotelhouder). Na zijn overlijden erft Wicher Willem Winkel het pand, hij baat er een café uit dat wordt afgebroken in de zeventiger jaren (?). Een rotonde komt er voor in de plaats. (informatie uit het kadaster en eigen info).
Notitie bij Janna: logementhoudster
(grafsteen nog op het kerkhof van Vriezenveen 2004). Hoewel de familie in de bevolkingsregister in Vriezenveen doorgaans als van Eijck wordt aangeduid, schrijft Janna haar naam bij het huwelijk, evenals haar vader altijd deed met "van Eyck".

24. Dirk Schipper, geb. Vriezenveen 6 sept. 1812, † ald. 6 maart 1892, tr. Vriezenveen 26 maart 1842
25. Jesina Roelofsen, geb. Vriezenveen 5 mei 1819,7 † ald. 29 nov. 1914.

Notitie bij Dirk: bij huwelijk timmerman van beroep. Bij overlijden en in het kadaster staat hij vermeld als landbouwer (1876).bewoonde het Boosmanserf, Oosteinde 175 huidige nummering. (Zie blz. 95 Ken uw dorp en heb het lief). In 1876 had de boerderij een gemiddelde huurwaarde van 60 gulden per jaar en lag daarmee boven het gemiddelde van Vriezenveen, dat toen op 52,22 lag. (bron: kadastraal archief Zwolle).

Volgens de militaire verlofpas van Dirk (die nog steeds in familiebezit is) gedateerd 25 juli 1834 was Dirk lang 1 el, 1 palm, 6 duimen en 1 streep. het aangezicht was smal, het voorhoofd, de neus en de mond waren "ordinair", de ogen bruin, de kin spits en het haar en de wenkbrouwen bruin. Dirk was schutter van het 1e bataillon van de tweede afdeling van de Mobiele Afdeling van de Overijsselsche Schutterij.

Op 25-8-1892 vindt de boedelscheiding plaats na het overlijden van Dirk Schipper. Enig erfgenaam is zoon Berend Schipper met het beding dat de andere erfen een deel in contanten krijgen. De boedel wordt gewaardeerd op 6.300 gulden, daar gaat dan nog 1000 gulden aan schuld aan zoon Berend vanaf, zodat een boedel van ruim 5.000 overblijft.
Het grondareaal van Dirk en Jesina besloeg ruim 9 hectare. Verder had het echtpaar nog diverse stukken land in gemeenschappelijk bezit met derden. Hun aandeel bedroeg hiervan minstens 6 hectare, zodat het grondbezit op meer dan 15 hectare uitkwam.
Notitie bij de geboorte van Dirk: geboren als Dirk zv Derks Schipper Gz. landbouwer en Hendrika Japsers Faijer.
Notitie bij het overlijden van Dirk: overleden op adres wijk II nummer 213

26. Jan Hendrik Nijen Twilhaar, geb. Hellendoorn 7 okt. 1819, † Vriezenveen 12 febr. 1885, tr. Vriezenveen 3 mei 1851
27. Johanna Smelt, geb. Vriezenveen 7 aug. 1825, † ald. 5 april 1882.

Notitie bij Jan Hendrik: landbouwer van beroep (bron trouwakte dochter Johanna Hendrika). Bewoonde een half boerenerf gelegen aan het middengedeelte van het Oosteinde. Volgens informatie van het kadaster had de woning toen een gemiddelde huurwaarde van 10 gulden. Het moet een armoedige boerenbehuizing zijn geweest. Het gemiddelde voor Vriezenveen lag nl. op 52,22! Misschien moet hij dan ook eerder als een boerenarbeider dan als landbouwer worden beschouwd.
Notitie bij het overlijden van Jan Hendrik: overleden wijk II nr. 149
Notitie bij het overlijden van Johanna: in de overlijdensakte staat vermeld, oud 56 jaar, zonder beroep, echtgen. van Jan Hendrik Nijen Twilhaar, dochter van Jan Smelt Gerritsz. en Johanna Tromp, beiden overleden.

28. Willem Bramer, geb. Vriezenveen 29 juni 1832, † ald. 9 juli 1906, tr. 22 maart 1856
29. Hendrika Pot, geb. Vriezenveen 5 febr. 1831, † ald. 28 febr. 1902.

Notitie bij Willem: landbouwer volgens huwelijksregistratie in 1856, vervult diverse bestuursfuncties in kerk en gemeente, is vanaf 1877 gementeraadslid, vanaf 1879 wethouder. Vervulde in de kerk de functies van diaken (1874-1877), ouderling (1862-1867), notabele (1867-1880) en kerkvoogd.
Was geboren op het Gjöttenspil, de boerderij, gelegen aan het Westeinde 144 huidige nummering (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 188).
Notitie bij de geboorte van Willem: geboren als Willem zv Hendrik Bramer landbouwer 33 jaar en Gesina Gerrits zijn huisvrouw, zonder beroep, 34 jaar.
Notitie bij Hendrika: dienstmeid volgens huwelijksregistratie in 1856

30. Cornelis Lambertus Aman, geb. Vriezenveen 21 febr. 1835, † ald. 26 maart 1888, tr. Vriezenveen 25 maart 1864
31. Johanna Jesina Aman, geb. Vriezenveen 1 dec. 1843, † ald. 1911.

Notitie bij Cornelis Lambertus: landbouwer en turfsteker, werkte erg lange dagen volgens overlevering van 3 uur ´s-ochtends tot 7 uur ´s-avonds (mondelinge overlevering van Johannes Jacob Bramer geb. 1898). Trouwde met zijn nicht. De familie zal het niet breed hebben gehad. De bijnaam van deze familie Aman was "de Baais". Cornelis Lambertus bewoonde de boerderij gelegen aan het Oosteinde 409 (huidige nummering). Dit huis had in 1876 een gemiddelde huurwaarde van 40 gulden. Dit lag hiermee beneden het gemiddelde dat boven de 50 gulden lag (bron kadaster, zie ook mijn scriptie).
Schrijft zijn naam zelf als Kornelis Lambertus, dus niet met een C, maar met een K.
De boerderij was voorheen in het bezit geweest van de familie Weiteman en was een oude Berkhof’s boerderij, zo waren de Jan Butens (bijnaam van een tak van de familie Berkhoff) oorspronkelijk afkomstig van dit boerenerf.
Notitie bij het overlijden van Cornelis Lambertus: heet bij zijn overlijden de zoon te zijn van Jan Aman en Clasina Berkhof

Generatie VI

32. Jan Berkhoff, geb. Vriezenveen 7 sept. 1797,8 † ald. 4 febr. 1871,5 tr. Vriezenveen 10 okt. 1819
33. Alberdina Broertjen, geb. Vriezenveen 7 sept. 1796,8 † ald. 19 febr. 1834.

Notitie bij Jan: landbouwer, Oosteinde 390, huidige nummering (bron: trouwakte zoon F.J. Berkhof in 1849). Tekent in 1849 de trouwakte van zijn zoon als "J. Berkhof", dus met één f, echter in 1820 bij de geboorte van dochter Hendrika tekent hij met dubbel ff.
Notitie bij Alberdina: bij trouwen dienstmeid.

34. Hendrikus Fz. Aman, ged. Vriezenveen 7 maart 1788, † ald. 16 maart 1855, tr. Vriezenveen 27 mei 1815
35. Johanna Broertjen, geb. Vriezenveen 3 juni 1793, † ald. 19 april 1832.

Notitie bij Hendrikus Fz.: Koopman, landbouwer en imker.
Hendrikus zal waarschijnlijk een marskramer in tuinzaden zijn geweest, waarbij hij ’s-winters op pad zal zijn geweest. Dat blijkt uit een paar geboorteakten van zijn kinderen, waarvan een aantal in januari geboren was en waarbij de vader afwezig was en de vroedvrouw de aangifte van de geboorten deed.
In 1823 voor 4 jaar aangesteld tot wijkmeester 1e gelid (bron: dagboek Jan Kruijs).
Volgens overlijdensakte van echtgenote Johanna Broertjen (1832), bewoonde hij de boerderij Oosteinde 325-327 (huidige nummering); pand is nog steeds in originele staat en staat bekend onder de naam "Joonkbeernds". De boerderij had in 1832 een gemiddelde huurwaarde van 15 gulden en viel daarmee in belastingklasse 6.
Mogelijk identiek aan H. Aman die van 1825-1829 ouderling van de N.H. kerk was.
Nam het erf over van de familie Holland, via z´n schoonmoeder Janna Berends Holland in bezit gekomen van Hendrikus Aman. Het echtpaar Aman-Broertjen woonde in bij de ooms Jan en Albert Holland van Johanna Broertjen.

Verkoopakte gedateerd 20 oktober 1827 van Jan Faijer en zijn zoon Jannes Faijer, landbouwers in Vriezenveen. Zij verklaren te verkopen aan Hendrikus Aman Frederikszoon, een stuk woeste uitgegraven veengrond aan de westzijde van de Paterij in Vriezenveen, tussen de woeste grond van de aankoper en van Hendrik Mollink, beginnende voor de Oudenhoevenweg in de daar zijnde draai, en eindigende voor de Nieuwehoevenweg ter lengte van 550 Nederlandse ellen (bron: inventaris nr. 81.4 archief verening Oud Vriezenveen).

Naar aanleiding van het overlijden van Johanna in 1832 wordt bij notaris Riemsdijk een inventaris van aanwezige goederen opgemaakt (notar. arch. inv. nr. 33 Hist. Centrum Overijssel). Hij is een uitgebreide inventaris, die de opmakers ervan maar liefst drie dagen werk heeft gekost!
In de inventaris zijn mede extracten te vinden van testamenten van 2 oudooms van Johanna Broertjen, te weten Jan en Albertus Holland. Diverse waardepapieren passeren de revue. Als voogd van de minderjarige kinderen was aangesteld Bernardus Broertjen, zaadkramer wonend te Vriezenveen, broer van de overleden Johanna Broertjen.
Een (onvolledige) greep uit de boedelbeschrijving (gezamenlijke waarde huisraad en gereedschap etc. 1104,85):
-12 tinnen borden 4,80
-2 tinnen schotels 3,50
-3 tinnen kannetjes 0,75
-28 tinnen lepels 2,80
-9 bont aarden schotels 1,80
-een tinnen(?) theepot, biermengele
en waterfles 4,00
-2 spiegeltjes 1,50
-3 rood koperen keteltjes 4,00
-12 stoelen 4,00
-3 tafels 4,50
-een hangklok 6,00
-een bijbel en wat boeken 2,00
-4 stapelkisten en een korenkist 30,00
-2 uitgesneden eikenhouten kasten 20,00
-2 ploegen 16,00
-landbouwgereedschappen 13,00
-4 boerenwagens 110,00
-een blauw gestreept bombazijnen bed 14,00
-een kerkboek met zilveren krappen 14,00
-een kerkboek met zilveren krappen 17,00
-een zilveren beugelstas, nog een tas 10,00
-een paar zilveren schoengespen 3,50
-23 korven met bijen en 40 honingkorven
met toebehoren 225,00
-een zwartbles ruin paard 80,00
-4 melkbeesten (divers) 100,00
-2 kalveren en 3 starken 40,00
-3 ossen (gecastreerde stieren) 80,00
- 8 mud gedorste rogge, 6 mud gedorste
boekweit 56,00
-een turfschuit 35,00

Aan leningen had het echtpaar meer dan 2.000 gulden uitstaan. Ook stond er nog een legaat van oud-oom Jan Holland op naam van Johanna Broertjen groot 250 gulden.

aan kosten voor de begravenis van Johanna Broertjen staat in de inventaris opgenomen:
-doodskist 6,00
-bier, jenever en andere dranken 32,00
-voor uitdeling aan de armen 30,00
In de hele inventaris valt op dat landerijen en woning niet in de opsomming van bezittingen zijn meegenomen. Verder wordt duidelijk dat het gezin niet echt krap bij kas heeft gezeten en dat de inkomsten van bestaan gezocht moeten worden in de imkerij (evenals vader Fredrik Aman), landbouw, veeteelt, handel en turfschipperij.

Kennelijk vergaat het Hendrikus na het overlijden van zijn vrouw Johanna in 1832 minder goed. De verwanten stellen hem in 1839 onder curatele (vonnis arrondisementsrechtbank 19 juni 1839); bron: Staatscourant 24 juni 1839. Helaas is de jaargang 1839 van het archief van de arrondisementsrechtbank van Almelo niet bewaard gebleven, anders zouden de achterliggende redenen van de onder curatelestelling wat duidelijker kunnen worden.
Notitie bij Johanna: begunstigde in het testament van haar oom Albert Holland d.d. 24 april 1823 bij notaris Jan Hendrik Warnaars te Almelo. Hieruit blijkt dat hij zijn woning samen met Bernardus Holland bewoonde. Johanna Broertjen (gehuwd met Hendrikus Aman) krijgt daarbij gelegateerd de inboedel van het huis, vee en zaadgewassen, in gemeenschap met Bernardus Holland bezeten.

oom Jan Holland (samenwonend met broer Albert) maakte eveneens op 24-04-1823 voor notaris Warnaars te Almelo zijn testament.
Tot erven werd oa benoemd:
7. aan Johanna Broertjen, gehuwd met Hendrikus Aman Frederikz. alle roerende zaken, de inboedel des huizes, vee en zaadgewassen.

36. Johannes (Jannes) Jaspers Faijer, geb. Vriezenveen 26 dec. 1792, † ald. 2 juli 1858, tr. Vriezenveen 16 nov. 1814
37. Gerhardijna (Gerritdina) Coster, geb. Vriezenveen 5 juli 1794, † ald. 30 jan. 1838.

Notitie bij Johannes (Jannes): grondeigenaar en landbouwer. Moet een geziene persoonlijkheid zijn geweest. Was van 1819-1823 ouderling en van1837-1841 diaken van de kerk.(zie voor een uitleg van de aard van de functies mijn scriptie over het 19e eeuwse Vriezenveen, te bereiken via mijn homepage).
Bewoont het Onweerserf, Oosteinde 345 (huidige nummering). Pas in februari 1891 volgt de verdeling van de nalatenschap van Johannes Jaspers Faijer en Gerritdina Coster. Dat is 32 jaar na het overlijden van Johannes! De Onweersboerderij was toen pas afgebrand (volgens overlevering van mijn vader door een uit de hand gelopen paasvuur). Uit de boedelscheiding blijkt dat de "roerende lighamelijke goederen, voor het grootste gedeelte door brand zijn vernield", het zaakje was wel verzekerd want Albertus Jaspers Faijer moet de verkregen vergoeding van de Brandverzekeringsmaatschappij á 800 gulden inbrengen in de boedel, de waarde van de kennelijk van de brand geredde roerende lighamelijke goederen bedraagt 723 gulden. De landerijen gelegen in Vriezenveen, Wierden en Tubbergen worden geschat op bijna 8.000 gulden! Het totaal van het bezit, inclusief landerijen wordt vastgesteld op bijna 22.000 gulden. Hieronder zitten talrijke te gelde gemaakte uitgezette hypotheken. Zoon Albertus had recht op één kindsdeel (uit het huwelijk waren 5 kinderen geboren). Aangezien broer Johannes al in 1859 is overleden zonder kinderen moest de boedel door 4 gedeeld worden. Albertus had door testament (in 1864) echter ook het aandeel van zijn broer Derk verworven doordat diens enige zoon Derk (vroeg wees geworden en verder door Albertus Jaspers Faijer op het Onweerserf opgevoed) vlak voor zijn dood Albertus enig erfgenaam had gemaakt. Hierdoor had Albertus recht op de helft van de nalatenschap; dus ruim 10.000 gulden aan waarde. Doordat echter de vrouw van Albertus ook al was overleden verviel de helft van zijn aandeel in de boedel direct aan zijn kinderen.
(Bron: familiearchief Onweersfamilie).
Notitie bij Gerhardijna (Gerritdina): afkomstig uit de koopmansfamilie Costers, die op diverse manieren verwant is met de familie Jaspers Faijer.
Notitie bij het huwelijk van Johannes (Jannes) en Gerhardijna (Gerritdina): het huwelijk was een moetje, het eerste kind werd geboren in maart.

38. Jan Hendrik Webbink, geb. Vriezenveen 1 mei 1813, † ald. 3 nov. 1870,5 tr. Vriezenveen 18 okt. 1834
39. Johanna Schipper, geb. Vriezenveen 11 jan. 1809, † ald. 23 okt. 1890.9

Notitie bij Jan Hendrik: bij huwelijk boerenknecht. landbouwer en turfgraver. Uit de stukken van het archief van de "Onweersboerderij" krijg ik sterk de indruk dat de familie Webbink een vervenersfamilie was. Dochter Johanna Lena trouwde duidelijk boven haar stand door met Albertus Jaspers Fayer te trouwen.
In 1860 wordt als beroep vermeld landbouwer (bij huwelijk dochter Johanna Lena).
Jan Hendrik bewoonde een boerderij aan het Oosteinde (in de buurt van nummer 187 huidige nummering). In 1876 was de gemiddelde huurwaarde van zijn woning 50 gulden en dat was net iets onder het gemiddelde voor Vriezenveen.
Notitie bij Johanna: naaister van beroep voor haar huwelijk (bron huwelijksakte]
Notitie bij de geboorte van Johanna: gedoopt als dochter van Lucas Klaassen en Janna Schipper

40. Jan Teunis, ged. Vriezenveen 29 okt. 1752, † ald. 6 april 1810, tr. Vriezenveen 20 mei 1781
41. Eva Egberts, ged. Vriezenveen 19 okt. 1755, † ald. 6 maart 1828.

Notitie bij Jan: winkelier, koopman en landbouwer. bij volkstelling 1795 als koopman vermeld.
Koopt 4-2-1783 een grasgaarden en een dagwerk van gemaaij in de landerijen van de
Verkoopster de wed. Jan Leenders gelegen, haar momber (vertegenwoordiger bij verkoop) is Derk van Olde.
(bron akte uit de nalatenschap van Johannes Teunis (Marriën), overleden 10-2-1973 te Almelo: in de 70ger jaren overgedragen aan museum Oud Vriezenveen).

Jan Teunis is in 1788 bij een proces betrokken omtrent het schutten van "beesten" van Jenneken Jansen wed. van Frerik Klaasen. Samen met een zekere Eesse Janssen had hij de beesten van Jenneken geschut. Jenneken sleepte de twee voor het gerecht en ze kreeg haar gelijk. Het was vanouds nl. gebruik om de weiden van anderen te mogen gebruiken voor het heen en weer drijven van de beesten, zonder dat dit aan Jan Teunis en Eesse Janssen het recht geeft haar beesten tegen schadevergoeding te schutten. Laatstgenoemden worden veroordeeld in de proceskosten en alle overige kosten. Bron akten 12-8-1788 en 7-8-1789 uit de nalatenschap van Johannes Teunis (Marriën), overleden 10-2-1973 te Almelo: in de 70ger jaren overgedragen aan museum Oud Vriezenveen).
NB. Het schutrecht bestond in het Germaans georiënteerd Europa en was een uiting van het primitief en primair rechtsgevoel bij onze voorouders. De eigenaar of gebruiker van een stuk land eigende zich hierbij het recht toe om loslopende dieren van een ander, die schade berokkenden, te vangen en te schutten. Dit schutten hield in dat men de dieren opsloot en deze eigenmachtig in pand nam. Zodoende kon men van de eigenaar der dieren een schadevergoeding eisen. (Bron: http://users.pandora.be/ludo.verhaert/koeriertjes/jan2003.htm ).

Op 5 januari 1797 heeft Jan Teunis de 50e penning aangegeven van de aankoop van 2 wanden hooiland, liggend in het zogenaamde Havixland voor 40 gulden, en nog 2 wanden hooiland daar tegenaan liggend voor 38 gulden. Beide gekocht van Berent ten Bruggencate in 1796. Het land verkoopt Jan Teunis door aan Gerrit ten Bruggen voor 96 gulden, waarvan Gerrit ten Bruggen de 50e penning aangeeft op 1 december 1797 (bron: kohier van de 50e penning; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2668).
Notitie bij Eva: winkelierse.
20-11-1779 koopt Eva Egberts van de erfgenamen van Hendrick Arentsen een akker turfland op de Superplus "verscheijden met Albert Prinsen" voor 152 guldens. De erfgenamen zijn: Gerhardus Harwig namens Janna Berkhof, Jannes Braemer en huisvrouw, Henderikjen Berkhof, Hendrik Coster voor zich zelf en namens Henderik Berkhof, Berent Jansen Coster en huisvrouw, Janna Jansen en Derk Arents Smit en vrouw, Egbert Schuurman en vrouw (Jenneken Hendriks), Engbert Egberts en tenslotte Henrik Smelt en huisvrouw.

19-1-1827 verkoopt Eva Egbers aan haar zoon Engbert Teunis, landbouwer te Vriezenveen al haar onroerende goederen, niets uitgezonderd, zoals ze deze samen met haar man Jan Teunis heeft bezeten, verder de helft van: het huis in het Oosteinde en land erachter tussen de buren Egbert Engberts en Derk Meijer,28 roeden bouwgaardens bij de Waterleydyk, 28 roeden grasgaarden agter de Waterleydyk, een zesde gedeelte of twee koeweiden in het zogenaamde Kwast Gerritsland, in gemeenschap met Jan Companjen en Harmen Nollen en anderen, een grasgaarden op het zelfde land van 8 roeden, ongeveer 60 roeden hooiland in het Koortsland in gemeenschap met Harmen Nollen, alles in het Oosteinde.70 roeden hooiland in de Woesten, 40 roeden hooiland in Kroemenland achter de Butereweg in gemeenschap met mejuffrouw Engberts en anderen. Een grasgaarden van 20 roeden op Jan Lubbersland en 30 roeden grasland op Sientjesland, alles in het Westeinde en verder een akker Turfland op de Superplus. Voorts alle roerende goederen met uizondering van " mijne klederen, actien en crediten, in en uit schulden ". Dit voor de som van 800 guldens vrijgeld onder voorwaarde van vrij vruchtgebruik door Eva gedurende haar leven.

8-4-1815 verzoekt Eva Egberts, winkelierster een inventarisatie, van haar goederen, die ze samen met haar overleden echtgenoot Jan Teunis bezeten heeft. Verwezen wordt naar een Besluit van de familieraad, welke gehouden is op 6-7-1811, voor het kantongerecht van Almelo, waarbij de kleermaker Albert Teunis, broer van Jan Teunis, aangewezen is als toeziend voogd van de minderjarige Engbert Teunis. Belanghebbenden zijn: Engbert Teunis, veertien jaar geleden in echte verwekt, Egbert Teunis (volgens een familienotitie geboren "1783 den 26 feberwaris"), Trijntjen Teunis (volgens een familienotitie geboren "1785-den 22-april"), Johanna Teunis (volgens een familienotitie geboren 1788-den-3-april", laatstgenoemde is gehuwd met Berend [Jansen Pleij, schoolmeester wonende te Tubbergen.
De winkelwaren en winkelgereedschappen worden getaxeerd op respectievelijk 80 en 30 gulden, verder wordt de inboedel van het huis beschreven, waaronder een klok met kast, een kast, een roggekist,14 schepel rogge, 2 koperen ketels, 5 koffieketels, 3 melkvaten, een karne, potten en panne, een boerenwagen, 3 tafels, 15 stoelen, 2 spinnewielen, in de keuken 13 aarden en 7 tinnen schotels, 7 tinnen kommetjes,vorken, messen een spiegel, een bedddepan, een vogelkooi, beddegoed, bedgordijnen, divers boerengereedschap, 10 hemden, 4 servetten etc. en in de stal een zwart bonte os, een "schimmelde koe en een zwart blaarde koe". Verder worden obligaties en uitstaande leningen en schulden beschreven. De grootste schulden staan uit aan Hermannus ten Bruggencate en de gebroeders Hanterman te Almelo respectievelijk 198 en 145 gulden. Verder worden de diverse landerijen beschreven (bouwgaarden, grasgaarden, hooiland, koeweiden en een akker turfland op "den Kleijnen Suplenplus") en het huis met schuur staande op het Oosteinde 123.
(bron akten uit de nalatenschap van Johannes Teunis (Marriën), overleden 10-2-1973 te Almelo: in de 70ger jaren overgedragen aan museum Oud Vriezenveen).
Notitie bij het overlijden van Eva: volgens akte van overlijden dv Egbert Egberts en Eessien Gerrits Spijker.

42. Johannes (Jannes, Jan) Bom, ged. Vriezenveen 17 dec. 1770, † ald. 26 jan. 1846, tr. Vriezenveen 1796
43. Johanna Schuurman, ged. Vriezenveen 27 jan. 1775, † ald. 25 maart 1857.

Notitie bij Johannes (Jannes, Jan): dekker (1813 geb akte 1813 nr. 68 getuige) en landbouwer (geb akte dochter 1814), tevens slager (bron: dagboek Jan Kruijs 1828)
1812 kerkmeester, 1825-1829 ouderling, behoorde in 1842-1844 tot één van de 35 families in Vriezenveen die zich een eigen huurbank in de kerk konden veroorloven. Bewoonde erve Doornbosch, Westeinde 85 huidige nummering.
In 1808 verkoopt Jannes Bom z’n woning echter aan Jan Doornbosch en Berend Schipper (bron: ken uw dorp en heb het lief, blz. 185).
Jan Bom vestigt zich westelijker aan het Westeinde in de buurt van nummer 175. Jan Bom staat in 1808 in het belastingkohier namelijk naast Hendrik Tromp vermeld en deze was woonachtig op nummer 175-177. In het kohier op de personele quotisatie uit 1808 staat als inwonend vermeld schoonzus Trijntje Schuurman. Dat buurman Hendrik Tromp evenals Jannes Bom dakbedekker was is mogelijk geen toeval (bron volkstelling 1795). Wie weet werkten ze wel samen.
In 1834 (kadaster) valt de woning van Jannes Bom in belastingklasse 6.
Als we de giftenlijst van de kerk uit 1801 (zie digitaal archief onweersberkhof.com) vergelijken met het belastingkohier uit 1808 dan kunnen we concluderen dat Jannes Bom de woning van de weduwe Mannes Brouwer (ook wel Hermannus Brouwer) heeft betrokken.
Notitie bij het overlijden van Johanna: overleden aan de 5e wijk Westeinde.

44. Jan Holland, ged. Vriezenveen 23 mei 1790, † ald. 8 dec. 1865, tr. Vriezenveen 5 april 1817
45. Gerritdina (ook Gerhardina) Engberts, ged. Vriezenveen 10 aug. 1788, † ald. 3 maart 1857.

Notitie bij Jan: landbouwer (bij overlijden), bij zijn huwelijk boerenknecht. 1843-1847 ouderling,

Vermoedelijk had Jan Holland evenals zijn zoon Engbertus een logement. Regelmatig duiken er in de diaconale rekeningen van de Hervormde kerk uitgaven op aan Jan Holland, zoals in 1832 en 1833 voor huishuur of kostgeld voor diverse personen. Jan Holland heeft in 1846 een conflict met de kerk, hij weigert samen met Jan Hospers --(zij vertegenwoordigen daarbij andere weigeraars)- het zogenaamde pastoorskoorn te betalen, een belasting die op bepaalde landerijen rustte. Er wordt een proces gevoerd tegen de predikant van die tijd H. Gallois (Bron: Archief N.H. kerk).

In 1832 heeft Jan een woning in eigendom naast dat van zijn vader aan het Oosteinde 215 (huidige nummering) het was ingedeeld in belastingklasse 7, dat wil zeggen het had een gemiddelde huurwaarde van 12 gulden en dat was enigszins beneden het gemiddelde van 15,27.

Zoon Johannes was linnenhandelaar in Sint Petersburg en later gemeenteontvanger te Vriezenveen, deze woonde later in bij zijn tante Fina Engberts (zuster van Gerritdina) op het Midden (zie ook notities Engbert Engberts, vader van Gerritdina en Fina).
Notitie bij Gerritdina (ook Gerhardina): bij haar huwelijk dienstmeid, ondertekent de huwelijksakte als "Gerridina Engbrets".
Notitie bij de geboorte van Gerritdina (ook Gerhardina): gedoopt als dochter van Engbert Baerends en Janna Jansen.
Notitie bij het overlijden van Gerritdina (ook Gerhardina): bij overleden staat vermeld, zonder beroep, dochter van Engbert Barends en Janna Jansen, echtgenoot van Jan Holland..

46. Pieter Jelkes van Eijck, geb. 27 nov. 1790, ged. Marssum (Frl.) 25 dec. 1790, † Vriezenveen 29 juni 1858, tr. Vriezenveen 4 juni 1825
47. Magdalena Hospers, geb. Vriezenveen 13 febr. 1806, † ald. 9 febr. 1883.10

Notitie bij Pieter Jelkes: (hoofd-)commies.

In een krantenartikel uit 1815 staat P.J. van Eijck vermeld als "extra-ordinaire commies ter recherche Oostmahorn" (bron: Nederlandse Staatscourant 9 juni 1815). Hij doneert dan 30 gulden in verband met een gift voor de versterking van de strijdkrachten in verband met de situatie in Nederland op dat moment. Zijn naam staat in een overzicht van giften door commiezen.
Op 30-06-1815 staat zijn naam vermeld in een lijst van eervolle vermelde commiezen die zich aangemeld hadden voor de vrijwillige wapening. Vermeld staat dat Pieter een jaarlijks traktement had van 250 gulden, ter vergelijking een rijdende commies had een jaartraktement van 800 gulden. Pieter was toenertijd 24 jaar oud en werkzaam in het District Hogezand, Ressorten Harlingen, Departement Harlingen. Hij was ingedeeld als jager te paard in het arrondisement Arnhem (bron: Nederlandse Staatscourant).

volgens de huwelijksakte was Pieter toen douaneambtenaar "commis van de eerste Klasse te voet, der Directe Belastingen in- en uitgaande rechten en accijns, gestationeerd te Vriezenveen". In de geboorte en overlijdensregisters ook wel aangeduid als hoofdcommies. Later winkelier in kleding en volgens Johanna Bom-Teunis ook gemeenteontvanger te Vriezenveen (mondelinge info ca. 1972). Bij het overlijden van zoontje Pieter Jelkes in 1851 wordt hij landbouwer genoemd.
Bij de geboorte van dochter Gerharda in 1831 wordt Pieter hoofdcommies van beroep genoemd. Het woord "hoofd" bij commies was aanvankelijk vergeten, maar later alsnog door de getuigen en Pieter zelf als aangever bijgeparafeerd.
Notitie bij het overlijden van Pieter Jelkes: bij overlijden gepensioneerd ambtenaar. Aangevers van het overlijden zijn de buren: Jasper Waanders en gerhardus Weiteman.
Notitie bij Magdalena: 1806 winkelierster, bij huwelijk zonder beroep, zij woonde later op het midden op de plek waar nu slagerij Kenkhuis is (oude foto van het pand in boek Ken uw dorp en heb het lief, blz. 48)

48. Derk Schipper, ged. Vriezenveen 8 aug. 1779, † ald. 11 maart 1852, tr. Vriezenveen omstr. 1806
49. Hendrikje (ook Hendrika) Jaspers Faijer, ged. Vriezenveen 15 juni 1788, † ald. 22 sept. 1838.

Notitie bij Derk: landbouwer (bron geb en huwelijksakte zoon Dirk), bewoonde het Boosmanserf, Oosteinde 175 huidige nummering. (Zie blz. 95 Ken uw dorp en heb het lief). In 1832 had de boerderij een gemiddelde huurwaarde van 60 gulden per jaar en dat lag daarmee boven het gemiddelde van Vriezenveen, dat toen op 52,22 lag.

20-8-1819 koopt Derk voor 200 gulden land, gelegen aan het Oosteinde van plaatsgenoot Hendrikus Koersen (bron: archief familie Schipper)
Notitie bij de geboorte van Hendrikje (ook Hendrika): gedoopt als dochter van Derk Jaspers en Aaltjen Jansen

50. Berend Albert Roelofsen, ged. Vriezenveen 7 juni 1778, † ald. 31 dec. 1859,11 tr. Vriezenveen omstr. 1806
51. Hendrika Bramer, ged. Vriezenveen 14 maart 1788, † ald. 23 dec. 1879.

Notitie bij Berend Albert: landbouwer (bron huwelijksakte dochter Jesina). Bewoonde de boerderij gelegen ongeveer tegenover het Oosteinde 161 (huidige nummering). In 1876 had de boerderij volgens het kadaster een gemiddelde jaarlijkse huurwaarde van 70 gulden en dat lag boven het gemiddelde in Vriezenveen dat op ongeveer 52 gulden lag. In 1832, als Berend Albert Roelofsen eigenaar van de boederij is, heeft deze een gemiddelde jaarlijkse huurwaarde van 15 gulden. Dit is ongeveer het gemiddelde van de Vriezenveense woning die in dat jaar een gemiddelde huurwaarde heeft van 15,27.
Notitie bij het huwelijk van Berend Albert en Hendrika: kerkelijk huwelijksboek in het provinciaal archief te Zwolle loopt tot 1791.

52. Jan Nijen Twilhaar, geb. Hellendoorn 26 maart 1794, † Vriezenveen 2 aug. 1868, tr. Hellendoorn 16 april 1819
53. Hendrika Timmerman, geb. Hellendoorn 18 sept. 1797, † Vriezenveen 16 dec. 1861.

Notitie bij Jan: bij huwelijk boerenknecht, was het schrijven niet machtig (bron geboorteakte levenloze zoon 2-8-1830 Vriezenveen). In diezelfde akte staat hij vermeld als landbouwer. Ook in de overlijdensakte van zijn vrouw (1861) staat landbouwer als zijn beroep vermeld.
Jan moet omstreeks 1820 naar Vriezenveen zijn verhuisd. De oudste zoon Jan Hendrik wordt in 1819 nog geboren in Hellendoorn, maar het tweede kind Hendrikus ziet in 1822 in Vriezenveen het levenslicht. Ook broer Jan Hendrik (ged. Hellendoorn 28-12-1797 vestigt zich in Vriezenveen). Rond 1830 wonen ze aan het Oosteinde, richting het Midden.

Inzake de hoofdelijke omslag (een belasting naar vermogen waarbij in Vriezenveen in 1846 18 verschillende vermogensklassen bestonden: in 1846 valt Jan in klasse 14 en wordt hij aangeslagen voor 3,70. Hiermee viel hij in de grote middenmoot. Ook broer Jan Hendrik valt in klasse 14.
Notitie bij het overlijden van Hendrika: in de overlijdensakte staat vermeld, geboren te Hellendoorn, zonder beroep, echtgenote van Jan Nijen Twilhaar, landbouwer, alhier.

54. Jan Gerrits Smelt de boer, ged. Vriezenveen 12 mei 1776, † ald. 14 aug. 1832, tr. Vriezenveen omstr. 1803
55. Johanna Tromp, ged. Vriezenveen 11 febr. 1780, † ald. 13 okt. 1843.

Notitie bij Jan Gerrits: volgens de volkstelling van 1795 turfschipper, volgens de huwelijksakte van zoon Gerrit was hij landbouwer (1830), bewoonde Oosteinde 56 (toenmalige nummering; overlijdensakte 1832). Volgens de huidige nummering is het Oosteinde 226 (zie Ken uw dorp en heb het lief, blz. 122). In het kadaster van 1832 komt Jan Smelt Gzn. 3x voor als eigenaar van een huis, 2 huizen hebben een wat lagere gemiddelde huurwaarde van 12 gulden, dus ik neem aan dat hij in de woning heeft gewoond met een wat hogere gemiddelde huurwaarde van 15 gulden.
Heeft zich niet ingeschreven voor een gift in 1801 voor de verbouwing van de plaatselijke kerk, hoewel zijn naam wel vermeld staat als Gerrit Smelt de boer. Wel geeft zijn, kennelijk inwonende, neef Mannes Smelt 1 gulden. Hoe de familierelatie precies zit met Mannes Smelt heb ik niet vast kunnen stellen.
Notitie bij de geboorte van Jan Gerrits: gedoopt als zoon van garret Berendz Smelt en Jenneken Jansen
Notitie bij het overlijden van Jan Gerrits: In de overlijdensakte staat vermeld oud 58 jaar, landbouwer zoon van wijlen Gerrit Smelt en N.N., echtgenoot van Johanna Tromp.

56. Hendrik Bramer, geb. Vriezenveen 2 dec. 1798,12 † ald. 23 juni 1883, tr. Vriezenveen 28 juni 1823
57. Gesijna (ook Gezina en Gesina) Gerrits, ged. Vriezenveen 23 jan. 1797, † ald. 18 febr. 1870.

Notitie bij Hendrik: landbouwer. Is geboren op het Gjöttenspil, de boerderij, gelegen aan het Westeinde 144 huidige nummering (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 188). Bewoonde deze boederij zelf. Deze had in 1876 een gemiddelde huurwaarde van 70 gulden (zie mijn scriptie). Viel daarmee in belastingklasse 4 en dat was een meer dan gemiddelde huurwaarde (52,22). Werd in het gewone leven Hein genoemd (mondelinge overlevering Jacob Johannes Bramer geb.1898).
Notitie bij het overlijden van Hendrik: bij overlijden vermeld als de weduwnaar van Gesina Gerrits, landbouwer van beroep.
Notitie bij Gesijna (ook Gezina en Gesina): buurmeisje van Hendrik Bramer. Is bij huwelijk dienstmeid van beroep.
Notitie bij het overlijden van Gesijna (ook Gezina en Gesina): in de overlijdensakte staat ze vermeld als Gezina Gerrits dochter van Gerhardus Gerrits en Gerhardina Hospers.

58. Berend Jansen Pot, ged. Vriezenveen 14 aug. 1774, † ald. 2 maart 1853,13 tr. Vriezenveen 26 april 1811
59. Mina Eshuis, ged. Wierden 15 aug. 1790, † Vriezenveen 24 maart 1864.

Notitie bij Berend Jansen: landbouwer (bron: kadaster 1832) en wever (huwelijksakte 1811, geboorteakte zoon 1812 en dochter 1813 en 1818). Bewoonde het ouderlijk erf gelegen aan het Westeinde 610 (huidige nummering). Zie blz. 248-249 Ken uw dorp en heb het lief.
Volgens het kadaster had de woning in 1832 een gemiddelde huurwaarde van 12 gulden en daarmee lag deze beneden het Vriezenveense gemiddelde van 15,27.
Notitie bij Mina: bij het huwelijk in 1811 Miene genoemd, was toen dienstbode van beroep. Uit het belastingregister van de quotisatie van 1808 blijkt dat ze dit zal zijn geweest bij de voormalige schout van Vriezenveen Hendrik Spijker.
Notitie bij de geboorte van Mina: bij doop genaamd Miene

60. Jan Aman, geb. Vriezenveen 27 mei 1798, † ald. 5 nov. 1846, tr. Vriezenveen 21 april 1827
61. Klazyna (Clasina) Berkhoff, geb. Vriezenveen 13 maart 1807, † ald. 31 jan. 1860.14

Notitie bij Jan: landbouwer, tapper, winkelier, marskramer, 6e wijk Westeinde.
Op 25-6-1864 koopt Albertus Jaspers Faijer zo´n 6 hectare land voor 200 gulden van de kinderen van Jan Aman en Klasina Berkhoff genoemd de oostelijke helft van het zogenaamde "Onweersland" aan de zuidkant van de dorpsstraat.(bron: Onweers familiearchief). Wordt in het kadastraal register van 1834 als eigenaar van het pand gelegen aan het Oosteinde 400, dat huis heeft dan een gemiddelde huurwaarde van 36 gulden en dat was ruim boven het gemiddelde van Vriezenveen.

Volgens het register van de nationale militie (aanwezig in de huwelijkse bijlagen van de huwelijksakte) had Jan de volgende verschijningsvorm:
-aangezicht: langwerpig
-lengte: 1 el en 730 str.
-voorhoofd: smal
-ogen: blauw
-neus: spits
-mond: ordinair (lees gewoon)
-kin: rond
-haar: blond
-wenkbrauwen: bruin
Notitie bij Klazyna (Clasina): bij trouwen dienstmeid. 25-11-1853 (getuige bij een huwelijk) wordt als haar beroep vermeld "winkeliersche", ook bij het huwelijk van zoon Fredrik Hendrik in 1853 wordt vermeld dat ze winkelierse is. Ze werd ook wel Gezina genoemd (bron huwelijksakte zoon Fredrik Hendrik 1853).

62. Fredrik Aman, geb. Vriezenveen 24 mei 1818, † ald. 17 juli 1847,5 tr. Vriezenveen 9 mei 1840
63. Janna Hof, geb. Vriezenveen 6 okt. 1817, † ald. 6 nov. 1877, tr. 2e Vriezenveen 6 april 18505 Johannes Landhuis, geb. Vriezenveen omstr. 1829, † Wierden? 1907, zn. van Cornelis en Aaltjen Kobes.

Notitie bij Fredrik: landbouwer, bewoonde de boerderij ten westen van het Onweerserf (Oosteinde nr. 345 huidige nummering), Bron Ken uw dorp en heb het lief, blz. 147 en kadastrale informatie. De familie had de bijnaam de Baais.Deze naam was afkomstig van de voorvader van Janna Hoff die werd aangesproken met de naam Baas(t). Of het baaishuisje echt zo klein was als gesuggereerd door de schrijvers van Ken uw dorp en heb het lief valt te betwijfelen. Het pand had in 1832 nl. een gemiddelde huurwaarde van fl.15,- en viel hiermee in belastingklasse 6, het was hiermee toen een gemiddelde boerenwoning. Het pand werd toen (in 1832) nog bewoond door de schoonvader van Frederik, te weten Hendrik Hoff.
In 1876, toen de boerderij werd bewoond door de zoon Hendrik Aman, had de woning een gemiddelde huurwaarde van 60 gulden en viel daarmee in klasse 4 en scoorde daarmee hoger dan gemiddeld (zie bijlagen bij mijn scriptie). Daarnaast bezat de familie in 1876 (Janna Hoff) nog een klein huisje buiten het dorp met een gemiddelde huurwaarde van fl.5,- (bron: kadaster).
Notitie bij de geboorte van Fredrik: bij de geboorte van Fredrik staat vermeld dat hij de zoon was van Hendrikus Aman Fz. landbouwer en Johanna Broertjen. aangifte van de geboorte deed Hendrikus Aman oud 30 jaar, en getuigen waren Hendrik Engels , commisaris tot de Declaratie 24 jaar, en Jan Weijteman, landbouwer, 36 jaar.
Notitie bij Janna: Bijnaam Baais, komt van het erf dat gelegen was ten oosten van het pand Oosteinde 341-343 (bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 146-147). Bewoonde het ouderlijk erf.

Generatie VII

64. Hendrik Berkhoff, geb. Vriezenveen 19 juni 1757, † ald. 24 juni 1811,15 tr. Vriezenveen omstr. 1796
65. Lena Schipper, ged. Vriezenveen 10 april 1774, † ald. 22 maart 1829, tr. 2e Vriezenveen 28 jan. 1815 Hendrik Möllink, ged. Wierden 20 april 1766,16 † Vriezenveen 10 sept. 1842, zn. van Hendrik Mullink en Maria Westerik en wedr. van Berendina Gerritsen Nijboer.

Notitie bij Hendrik: landbouwer, bewoonde Oosteinde 390 huidige nummering. Wordt in het paardengeldbelastingregister van 1792 reeds genoemd, heeft dan 1 paard en bewoont het erf van zijn vader (de Jan Butensboerderij).
In het volkstellingsregister van 1795 staat Hendrik vermeld als hoofd van het huishouden dat dan 5 gezinsleden omvat, als beroep staat opgegeven boer en de opgaaf is gedaan door de inwonende zuster Diena Berkhof.

Op de lijst van giften voor de nieuwbouw van de plaatselijke kerk in 1801 staat Hendrik vermeld met een gift van 30 gulden.

Bij de belastingquotisatie van 1808 wordt Hendrik ingedeeld in klasse 36, hetgeen betekent dat zijn inkomen dat jaar tussen 175-200 gulden bedroeg. Aanvullend wordt hij nog aangeslagen voor 20 stuivers extra verhoging van de belasting. Zuster Diena, die kennelijk zelfstandig een inkomen verwierf werd ingedeeld in klasse 37, wat inhield dat ze een inkomen had tussen 150-175 gulden per jaar. Daarmee behoorde Hendrik en ook zuster Diena tot de beter bedeelden van Vriezenveen.

Op 19 november 1808 wordt Hendrik voor het gericht gedaagd vanwege verpanding van zijn mobiele goederen in verband met een openstaade boete van 20 goldguldens. Deze boete hadden Hendrik en ook Jan Jansen Faijer, Hendrik Mollink, Jannes Boesschen, Jan Hendrik de Fokke en Hendrik Jansen de Jager opgelopen vanwege openbaar geweld en eigenrecht door het vernielen, in stukken slaan en in het water werpen van "brand of zogenaamde stukken op de eigendommelijke gronden van Berend Bramer en consorten. Allen komen in bezwaar omdat het eigendom zou liggen bij de eerstgenoemde 4 personen (Berkhof, Faijer, Mollink en Boesschien) die hun voorzaten reeds onheugelijke tijden in bezit zouden hebben.
Notitie bij de geboorte van Lena: gedoopt als Leena dv Wolter Schipper en Jenneken Berkhof

66. Berend Alberts Broertjen, geb. Vriezenveen 11 dec. 1768, † ald. 25 mei 1836, tr. Vriezenveen 17 febr. 1793
67. Janna Berends Holland, geb. Vriezenveen 22 jan. 1769, † ald. 6 jan. 1836.

Notitie bij Berend Alberts: landbouwer, notabele (1820-1823) en diaken (1827-1831) van de N.H. kerk. Bewoonde een boerderij aan het Oosteinde 266 (huidige nummering (Bron: Ken uw dorp en heb het lief blz. 136).
Bewoonde het ouderlijk erf in elk geval samen met broer Hendrik Broertjen (bron: quotisatiekohier 1808).
De gemiddelde huurwaarde van de boerderij bedroeg in 1832 12 gulden en daarmee viel de woning in belastingklasse 7.
In 1801 draagt "Berent Broertien" 8 gulden bij voor de verbouwing van de Hervormde kerk (archief NH kerk Vriezenveen).
Het jaarlijks inkomen van Berend wordt in 1808 (quotisatiekohier) geschat op 175-200 gulden.
Notitie bij de geboorte van Berend Alberts: gedoopt als Barend zv Albert Berendz Broertjen en Janna Hendriksen Hof.
Notitie bij Janna Berends: oom Jan Holland maakte op 24-04-1823 voor notaris Warnaars te Almelo zijn testament.
Tot erven werd oa benoemd:
2. aan zijn nicht Janna Holland, huisvrouw van Berend Broertjen 250 gulden en bij haar vooroverlijden haar nakomelingen.
Notitie bij het huwelijk van Berend Alberts en Janna Berends: huwelijksregistratie luidt als volgt: "Berent Broertien Z. van Albert Broertien en Janna Henderiks Hof en Janna Holland D. van Baerent Holland en Janna Schipper J.D. geb: en wonende beide alhier"

68. Fredrik Hendriks Aman, geb. Vriezenveen 3 jan. 1762, † Ambt Almelo 10 april 1827,17 tr. Vriezenveen 20 sept. 1783
69. Kunnigje Jansen Berkhoff, geb. Vriezenveen 12 juli 1761, † ald. na 1801.

Notitie bij Fredrik Hendriks: landbouwer, imker (zie boedelscheiding) en koopman (1806). In de overlijdensakte genoemd landbouwer van beroep.
was kerkmeester van de Ned. Herv. kerk te Vriezenveen (o.a. in 1809).
Bewoonde de boerderij aan het Oosteinde 312 (huidige nummering). Deze boerderij zou de bakermat van alle families Aman zijn.
Volgens het register op de personele quotisatie van 1808 beschikte Fredrik over een inkomen tussen 200 en 250 gulden en dat was aanzienlijk.

Frederik verstrekte aan diverse dorpsgenoten hypotheken en kocht een vierakkerstuk (bron: Ken uw dorp en heb het lief blz. 146).
De boerderij van Fredrik brandde in 1818 af. De schout Jan Kruijs schrijft hierover in zijn dagboek:
veertien dagen voor Paasschen brande het Huys van Frederik
Aman af. Zulks geschiede op een agtermiddag, Terwyl
de vrouw (eten?) bezig waren aan de wasch, de vlam
nam zo spoedig de overhand dat selfs het vhee en het
Paard niet heeft gered kunnen worden. Ymen, Honig,
wasch en byna de geheelen Inboedel is verloren gegaan.
Het Huys was gelukkig in de brand cas voor f 1200.-
Thans staat er weder een allerbest boeren Huys in de
plaats."

In de Staatscourant van 24 maart 1818 wordt de brand zelfs vermeld: "Vrieseveen, den 17 maart.
Heden nadenmiddag ten 4 uren, is, door eene geheele onbekende oorzaak, de woning van den landbouwer Frederik Aman in brand geraakt en, met den geheelen inboedel, benevens de schuur, met zeven stuks rundvee en een paard, als in een ogenblik, een prooi der vlammen geworden. Door den ijver der brandspuitgasten, van de ingezetenen ondersteund, zijn de belenden woningen, niettegenstaande den fellen wind, behouden gebleven (Overijsselsche Courant)".

De betreffende boerderij had in 1832 een gemiddelde huurwaarde van 36 gulden en viel daarmee in belastingklasse 4 en was daarmee toendertijd zeker een woning van betere stand. De gegoede stand blijkt ook uit de bijdrage van Frederik aan de verbouwing van de Hervormde kerk in december 1801 ten bedrage van 32 gulden. De inwonende vader Hendrikus doneerde 5 gulden.
In het belastingkohier van de quotisatie wordt het jaarlijks inkomen van Fredrik op 250 tot 300 gulden geschat en dat was voor Vriezenveense begrippen erg veel.
Op 11-11-1820 vind er een boedelscheiding plaats tussen Fredrik Aman en zijn kinderen in verband met de verdeling van het voormalige aandeel van Kunnigje Jansen Berkhof in de boedel. De gezamenlijke boedel van het voormalige echtpaar omvatte in 1820:
2 akker land bij de boerderij aan het Oosteinde gelegen (toen genummerd 27), gelegen tussen de landerijen van Hendrik Hoff en Jan Hoff.
-2 koeweiden in het zogenaamde Onweersland. Diverse stukken wilde veengrond o.a. bij de buurtschap Geesteren.
-1 akker wilde grond in de Oosterhoeven
-2 akker wilde grond op de Grote Superplus.
totale waarde van landerijen geschat op 1.800 gulden.
Verder bezat Fredrik Aman:
- 5 koeien, waarde 150 gulden.
-1 paard, waarde 100 gulden.
-2 kalveren, waarde 20 gulden
-2 wagens, waarde 40 gulden
-2 kisten, waarde 15 gulden
-1 kast, waarde 10 gulden
-2 tafels en enige stoelen, waarde 10 gulden
-2 bedden met toebehoren, waarde 80 gulden
- enige potten, pannen, schotels, borden en verder keukengerei, waarde 40 gulden
-diverse bouwgereedschappen, waarde 26 gulden
-voorraad ongedorste rogge, waarde 70 gulden
-dito boekweit, waarde 70 gulden
-dito hooi, waarde 40 gulden
-dito aardappelen, waarde 50 gulden
-bijen, bijenkorven, was, honing, honingvaten en alle toebehoren voor de bijenteelt, waarde 850 gulden.

Aan leningen had het echtpaar in totaal 1.849 gulden uitstaan.
4 kinderen ontvangen een uitkering uit de boedel ter waarde van 712,25 te weten:
Hendrik Aman, Johanna Aman, Magdalena Aman en Hendrikus Aman ontvingen een aandeel van 721,- , in totaal 2.521,-. Als gemachtigde van Hendrikus Aman trad op zijn zwager Berend Hof, landbouwer te Vriezenveen (bron: notarieel archief Overijssel nr. 15)
Notitie bij het overlijden van Fredrik Hendriks: Fredrik is overleden op 10 april ’s-avonds om 6 uur in Almelo nabij het huis van Hendrikus Kortenvoord staande op de Schelfhorst wijk 5 nr. 273 en 274.
Notitie bij het overlijden van Kunnigje Jansen: doop laatste kind in 1801, niet genoemd in de begraafregister welke aanvangen in 1806, dus overlijden moet tussen 1801 en 1806 hebben gelegen.

70. Berend Alberts Broertjen (dezelfde als 66), tr. Vriezenveen 17 febr. 1793
71. Janna Berends Holland (dezelfde als 67).

Notitie bij het huwelijk van Berend Alberts en Janna Berends: huwelijksregistratie luidt als volgt: "Berent Broertien Z. van Albert Broertien en Janna Henderiks Hof en Janna Holland D. van Baerent Holland en Janna Schipper J.D. geb: en wonende beide alhier"

72. Derk Jaspers Faijer, ged. Vriezenveen 2 okt. 1757, † ald. 28 jan. 1829, tr. Vriezenveen 16 sept. 1787
73. Aaltje Jansen Faijer, ged. Vriezenveen 26 dec. 1757, † ald. 9 dec. 1830.

Notitie bij Derk: Bewoont het Onweerserf, Oosteinde 345 (huidige nummering).
turfschipper en landbouwer, bij de volkstelling van 1795 wordt als zijn beroep schipper vermeld het gezin bestaat dan uit 7 gezindsleden. Wordt dan genoemd als één van de bestuurslieden (municipaliteit) van Vriezenveen. Zij ondertekenden namelijk de volkstellingslijst (bron: Statenarchief inv. nr. 5343).
Neemt op 12 mei 1812 de naam Jaspers Faijer aan, heette daarvoor gewoon Jaspers of Onweer, welke laatste naam als bijnaam op het erf behouden bleef tot in de huidige tijd, ook na verplaatsing van de boerderij in de vijftiger jaren van de 20e eeuw, in het kader van de ruilverkaveling.

Doneert in december 1801 als bijdrage voor de verbouwing van de Hervormde kerk een bedrag van 20 gulden. De inwonend meid, Diena Kolthof draagt 1 gulden bij en de nog levende vader 5 gulden. (archief NH-kerk).
Bij de quotisatie van 1808 wordt Derk ingeschaald in belastingklasse 36, dat hield in dat zijn jaarinkomen tussen 200-250 gulden lag. Als extra belastingtoeslag, boven de 3 gulden, die bij deze belastingklasse hoorde, moest Lucas nog 1 gulden extra betalen. Mogelijk dat dit kwam doordat zijn inkomen rond de bovengrens van deze belastingklasse lag. In belastingklasse 35 (inkomen 250-300 gulden) bedroeg de belastingaanslag nl. 6 gulden. Bij de belastingvaststelling van 1808 wordt ook de inwonende meid Diena Kolthof weer genoemd, zij wordt ingeschaald in belastingklasse 41 (inkomen 50-75 gulden) en verder wordt ook nog vermeld (knecht?) Jan Oldescholten als inwonende die aangeslagen wordt voor belastingklasse 40 (inkomen 75-100 gulden).

27 november 1798 geeft Derk Jaspers de 50e penning aan ivm de aankoop van 2 wanden bouwland op zijn land van Jan Berends Bramer voor 75 gulden (bron: Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2668).
Notitie bij het overlijden van Aaltje Jansen: weduwe van Derk Jaspers Faijer.

74. Hermannus Costers, ged. Vriezenveen 12 febr. 1764, † Coevorden 5 dec. 1801,18 tr. Vriezenveen 12 okt. 1788
75. Frederika Olijslager Smit, ged. Vriezenveen 19 dec. 1762, † ald. 22 dec. 1828.

Notitie bij Hermannus: koopman, meestal onder de naam Mannes Coster vermeld, of Mannes Kûsters (1795 bij de volkstelling). Wordt dan genoemd als één van de bestuurslieden (municipaliteit) van Vriezenveen. Zij ondertekenden namelijk de volkstellingslijst (bron: Statenarchief inv. nr. 5343). Opvallend is dat dochter Gerhardijna huwde met de zoon van eveneens een municipaliteitslid (Derk Jaspers Faijer).

Woonde aan het Oosteinde nummer 203 (huidige nummering), zie Ken uw dorp en heb het lief blz. 104.
In 1795 bestaat het gezin uit 7 personen, inclusief vader Hendrik die de familie aangifte doet, als beroep staat vermeld koopman.
Hermannus overlijdt tijdens één van z´n koopmansreizen in Coevorden of hij ook verdere oorden heeft bezocht, zoals St. Petersburg, is niet bekend. In elk geval moet de familie er warmpjes bij hebben gezeten. Bij de intekenlijst voor de verbouwing van de plaatselijke kerk tekent de weduwe Hermannus Costers in voor 30 gulden. Ook blijkt uit deze lijst dat de weduwe een knecht heeft genaamd Hendricus Hopster die voor 2 gulden heeft ingetekend en een dienstbode, genaamd Janna Smit, zij tekent in voor 1 gulden. Het moet daarom toch wel een familie van stand zijn geweest. Verderop op het Oosteinde nr. 109 (huidige nummering) woonde broer Gerrit (volgens de volkstelling boer van beroep) die ook 30 gulden bijdraagt. Op het midden woont broer Jan,-volgens de volkstelling van 1795 ook een koopman- gehuwd met Geertruid Spijker en hij draagt de gigantische som van 300 gulden bij voor de verbouwing van de kerk, een bedrag dat verder alleen door de koopman Jan Engberts werd bijgedragen en door niemand in het dorp werd overtroffen. Dit bedrag suggereert zeker dat de familie Costers wel degelijk ook in Sint Petersburg actief moet zijn geweest, waar het grote geld verdiend werd, ook al komt deze familie niet voor op de lijsten van Sint Petersburger kooplieden. Ik vermoed dat deze Jan Coster identiek is aan de Jan Coster die de lokale historicus Herman Jansen noemt als degene die een koopmansboekhouding voert voor de gebroeders Prinsen die inderdaad firmanten zijn van een Petersburger firma (Zie Ken uw dorp en heb het lief, blz. 191). Aangezien Jan Costers geen kinderen had uit zijn huwelijken met Aaltjen Bramer en Geertruid Spijker zal het kapitaal van hem naar zijn familie en mogelijk de familie Bramer en Spijker zijn teruggevloeid. Hij overleefde trouwens zijn tweede vrouw die in 1813 overleed. Jan Costers is in de Franse tijd loco-burgemeester en Ontvanger der Landsmiddelen voor Wierden en het Hoge Hexel, terwijl zijn zwager Hendrik Spijker burgemeester van Vriezenveen was in deze tijd (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz.50).
Het huis dat Hermannus bewoonde wordt in 1832, als zijn zoon Bernardus de hoofdbewoner is geworden, kadastraal ingedeeld in klasse 5. Dit betekent dat het huis een gemiddelde huurwaarde had van 24 gulden. Dit was ruim boven het gemiddelde voor Vriezenveen dat op 15,27 lag.
Het is zeer goed mogelijk dat de familie Jaspers Faijer haar familiekapitaal met name aan de verwantschap met de koopmansfamilie Costers te danken had. Leden van beide families huwen overigens opvallend vaak met elkaar.

08-12-1784 maakt het echtpaar Gerrit Derks- Hendrikjen Jansen een nieuw testament. Het is een langstlevende testament. Na het overlijden van de langstlevende komt alles toe aan de kinderen van wijlen Hendrik Costers met namen: Gerrit Costers, Hermannus Costers en Johanna Costers "sullen vooraf prophijteeren het Huijs met den geheelen inboedel, zoo van paarden beesten, niets daarvan uitgezondert....mitsgaaders alle de landerijen, beneffens eene summa van twee duijsent carolie guldens". Mocht de langstlevende hertrouwen dan dient deze aan de kinderen van wijlen Hendrik Costers 5.000 caroli guldens uit te keren. Testators broer komt slechts de kleding van testator toe en mocht deze zijn overleden dan gaat ook dat naar de kinderen Costers. Testatrice vermaakt haar kleding aan de kinderen Costers. Verder ontvangen de armen een legaat van 200 gulden (bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2678).

op 24 juli 1798 geeft Harmannus Koster de 50e penning aan ivm de aankoop van een akker Woestenland van de wed. Bernardus Spijker voor 40 gulden (bron: Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2668).
Notitie bij het overlijden van Hermannus: vermeld staat: Harmen Kosters, overleden op 05-12-1801; woonplaats: Vriezenveen. bron: Drenlias.
Notitie bij Frederika: in 1801 nog genoemd als de weduwe Hermannus Costers (zie notities echtgenoot).
woonde volgens de overlijdensakte aan het Oosteinde 91 (toenmalige nummering).
Akte 30 juli 1793…draagt Berent Engberts Smit zijn kleren, zilver en goud over aan zijn dochter Frederika Berends Smit getrouwd aan mannes Coster (boekjes Jonker archief Vereniging Oud Vriezenveen XV,34).

76. Hendrik Webbink (Webben), geb. Borne 31 mei 1779, † Vriezenveen 3 april 1840, tr. 2e Vriezenveen 8 mei 181919 Clasina Kobes,20 ged. Vriezenveen 2 febr. 1777, † ald. 5 febr. 1850,5 dr. van Gerrit en Swennigje Frielink; zij hertr. Vriezenveen 8 mei 1819 Jacob Weijers; tr. 1e Zenderen 180021
77. Lena Geerlinks, ged. Vriezenveen 1 aug. 1773, † ald. 13 april 1818.

Notitie bij Hendrik: arbeider (1813, geb. akte zoon Jan Hendrik) landbouwer en turfschipper (bron turfschipper: trouwakten zonen Jan 1826 en Jan Hendrik 1834). Hendrik is rond 1801 met zijn vader naar Vriezenveen gekomen, evenals zijn broer Derk. Beiden huwden een Vriezenveense en vestigden zich aan het Oosteinde. Ze bewoonden beiden woningen in de wat lagere belastingklasse. Kon niet schrijven (bron: geb. akte zoon Hendrikus 1817).
Toch had Hendrik in 1832 2 woningen aan het Oosteinde in eigendom (met een gemiddelde huurwaarde van 12 ; van deze woning had Jan Fayer het regt van opstal) en de andere woning had een gemiddelde huurwaarde van 6 gulden). Broer Derk had een woning met een gemiddelde huurwaarde van 9 gulden. Het gemiddelde voor Vriezenveen lag boven de 15 gulden.

In 1808 in het register van de belasting op de quotisatie staat Hendrik overigens te boek als één van de 28 onvermogenden van Vriezenveen. Dat hield in dat hij geen belasting hoefde te betalen. Hij woonde in 1808 op het oostelijke puntje van het Oosteinde, in de buurt van de Schipsloot.

Was het schrijven niet machtig (bron: geb. akte zoon Jan Hendrik 1813).

Bij de huwelijksregistratie in 1819 heet Hendrik Webben landbouwer te zijn, weduwnaar van Leena Geerlink en een zoon van Jannes Webben en Janna Hinneveld; dit in tegenstelling tot de overlijdensakte waar de moeder opeens Janna Getkate heet. Dat laatste moet een abuis zijn, gezien de doopregistratie van Hendrik in Borne waar ook de naam Hinneveld voorkomt en dus niet Getkate! Ook in andere registratie bij broers en zussen (zowel bij huwelijken als dopen) van Hendrik komt altijd de naam Hinneveld naar voren.
Leuk detail in de huwelijksakte bij de naam van vader Jannes Webben is de vermelding dat deze ook wel Klumpers heette, een mogelijke aanwijzing dat hij klompenmaker geweest zou kunnen zijn. Van Hendrik Webben staat vermeld dat deze ook wel Webbink heette.
Notitie bij de geboorte van Hendrik: gedooopt als Hindrik, Zoon van Jannes Webben en Janna
Hinneveld, Ehel: in Senderen
Notitie bij het overlijden van Hendrik: bij zijn overlijden heet hij 63 jaar te zijn, echtgenoot van Gesina Kobes en weduwnaar van Lena Geerlink. Hij heet geboren te zijn in Borne en de zoon van Jannes Webbe en Johanna Getkate. Deze laatste naam is opmerkelijk en vermoedelijk onjuist aangezien Johanna bij de doop Janna Hinvelt blijkt te heten en ook bij de dopen van haar andere kinderen draagt ze deze naam. Hendrik is overleden aan het Oosteinde nr. 4 (toenmalige nummering).
Notitie bij het huwelijk van Hendrik en Lena: ik heb geen huwelijksregister van rond 1800 kunnen vinden van Zenderen of Borne (nederlands hervormd) in het Rijksarchief van Zwolle en heb dit jaartal dus niet zelf kunnen controleren.

78. Lucas Klaassen Schipper, ged. Vriezenveen 25 dec. 1762, † ald. 23 sept. 1840, tr. Vriezenveen omstr. 1798
79. Johanna Schipper, ged. Vriezenveen 5 dec. 1773, † ald. 27 juli 1821.

Notitie bij Lucas Klaassen: landbouwer (bron beroep: huwelijksakte dochter Johanna 1834), bewoonde een boerderij aan het Westeinde 158 (huidige nummering). De boerderij had in 1832 een gemiddelde huurwaarde van 24 gulden en lag daarmee ruim boven het gemiddelde van 15,27. Lucas trouwde in op het erf van zijn vrouw Johanna Schipper. (zie ook: Ken uw dorp en heb het lief, blz.191).
Lucas Klaassen neemt in 1812 bij de naamsaanneming onder Napoleon de naam Schipper aan (bron: digitale bronbewerking naamsaannemingen 1811/1812 van André Idzinga; Vriezenveners.nl).
In 1801 op de intekenlijst van bijdragen voor de verbouwing van de Nederlands Hervormde Kerk tekent Lucas Klaassen in voor 20 gulden, een fors bedrag, ook zijn schoonmoeder, Jenneken Prinsen, die dan nog leeft draagt 5 gulden bij. Daarnaast is er nog een "meid" , genaamd Johanna de Vries, zij draagt 1 gulden bij.
Notitie bij het overlijden van Lucas Klaassen: heet bij zijn overlijden de zoon te zijn van Klaas Klaassen en Janna Schoenmaker. Overleden als Lucas Schipper voorheen genaamd Lucas Klaassen.

80. Teunis Jansen, ged. Vriezenveen 5 dec. 1728, †?, tr. Vriezenveen 6 dec. 1749
81. J(oh)anna Berends Camp, ged. Vriezenveen (?) 11 jan. 1718, †?.

Notitie bij Teunis: Woonde in´t Allee bij de kerk en de Middenschool. Herman Jansen schrijft hierover in ken uw dorp en heb het lief (blz.24). "de boerderij is zeker 250 jaar in het bezit van de familie Teunis geweest. Begin 1700 woonde er Berend Gerrits. Een dochter van deze Aaltje, trouwde met Berent Camp en deze woonde in 1748 op de boerderij. En het was deze Berent Camp, die aan de familie de naam Campberents bezorgde. Een dochter van deze Berent Camp, Janna geheten, trouwde met Teunis Jansen, deze bleven op de boerderij wonen. Een zoon van deze Teunis Jansen, Albert Teunis bewoonde nadien de boerderij, dit was omstreeks 1800".
Teunis Jansen (als timmerman?) voerde vanaf 1762, evenals eerder zijn schoonvader klusjes uit voor de gemeente, zo wordt hij in de gemeentejaarrekening van 1763 voor werkzaamheden aan de kerktoren en de school ten bedrage van 12 gulden en in 1764 staat hij in de gemeentejaarrekening te boek voor 9 dagen werk a 12 stuivers per dag, maakt in totaal 5 gulden. In 1786 werkt hij nog steeds voor de gemeente en is ook zijn zoon Albertus bij gemeenteklusjes betrokken in kosterij, pastorie en de school. Hiervoor had Teunis zelfs een metselaar in de kost. Totale loonsom 59,25 ten laste van de gemeentejaarrekening van 1786.
Notitie bij J(oh)anna Berends: er is een doop van Janna te vinden d.v. Berent Lucassen en Aaltjen Jansen op 11-1-1718, bij de volkstelling van 1748 heet de moeder echter Aaltje Gerritsen, mogelijk ook is Berend Camp 2 x getrouwd geweest.
Teunis Jansen is gedoopt in 1728 en dat maakt de aanname van de doop van Janna in 1718 (als dochter van Aeltien Jansen) er niet sterker op. 10 jaar leeftijsverschil is wel veel, maar theoretisch is het wel mogelijk natuurlijk.

82. Egbert Lamberts Spijker, ged. Vriezenveen 17 febr. 1707, † ald. vóór 30 maart 1776,22 tr. 1e omstr. 17379 Berendje Jansen, ged. Vriezenveen 9 juni 1710, † na 1741, dr. van Jan Claassen Wijchers en Jenneken Berends (Kruys) Berkhoff; tr. 2e omstr. 1742
83. Eefse Gerritsen Spijker, ged. Vriezenveen aug. 1716, † ald. 25 febr. 1781.23

Notitie bij Egbert Lamberts: winkelier, kastelein en landbouwer te Vriezenveen (Marriënerf Oosteinde) de familienaam Spijker is aangetroffen bij de ondertrouwregistratie van zoon Berent te Amsterdam, per abuis wordt hij daar overigens Gijsbert genoemd. Ook in het hoofdgeldkohier van 1750 staat hij als "Spijker Egbert" te boek.
Bewoonde het erf aan het Oosteinde nummer 116/120 (huidige nummering).

-In 1734 wordt Egbert Lamberts genoemd in het breukregister van de schout Claas Cruijs. Hij was betrokken bij een ruzie met een zekere Henrikes Henriksen (Klumper?), ook vader Lambert Waanders en broer Albert bemoeiden zich met de ruzie (Bron: AHA inv. nr. 3241)
-4 december 1752 staat Egbert Lamberts vermeld in het breukregister omdat Rugert Henrix [Klumper], ook wel Pakelet, zijn uithangbord met een sloothaak vernield had (Bron: AHA inv. nr. 3242)

Op 15-7-1739 kopen Egbert Lamberts en Jannes Herms Schoemaker 1 ½ akker land van de erfgenmamen van de overleden Jan Egbers, met name: Jan Prinsen (gehuwd met Metjen Hendricks Schuurman), Gerrijt Barkhoff (gehuwd met Grietjen Henr. Schuurman), Jan Luijkas Coster (gehuwd met Harmpje Hendriks Schuurman), Jan Henr. Schuurman (gehuwd met Henrikjen Bramer)en Arent Henr. Schuurman (huwelijk onbekend). Het land is gelegen tussen het land van Jan Cruijs, aan de oostzijde en aan de westzijde het land van Henr. Roelofs Huijsman. Het kost 375 caroli guldens. Het land is bezwaard met een verpondinge van 10 stuijver en een schattinge van twee stuijver en boterpacht aan den Huijse Almelo. De acte wordt met naam ondertekend door "Jan Prinsen , garrijt barckhof en ijan luckas "als verkopers van het land. (NB namen van aangehuwden zijn door Erik Berkhof bijgevoegd aan de hand van eigen en informatie van de website Vriezenveners.nl)
Op 14-2-1771 koopt Egbert Lamberts voor 80 Car. Gulden 2 wand bouwland in het zogenaamde Huismansland van Maria van der Aa, weduwe van Gerrit de Ruiter, haar zoon Jan de Ruiter is haar momber (vertegenwoordiger bij de koop).
(bron acte uit de nalatenschap van Johannes Teunis (Marriën), overleden 10-2-1973 te Almelo: in de 70ger jaren overgedragen aan museum Oud Vriezenveen).

In 1753 wordt Egbert inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 2 personen aangeslagen en moet 70 cent betalen en met 35 cent p.p. ligt de aanslag onder het Vriezenveense gemiddelde (dit lag op 39 cent p.p.).
In 1760 bedraagt het hoofdgeld 75 cent voor 3 personen, ook nu een lage aanslag 25 cent p.p. tegenover een dorpsgemiddelde van 39 cent.

Op zondag 19 februari 1747 heeft er een voorval plaats in het café van Egbert Lamberts dat aanleiding wordt voor een gerechterlijk vooronderzoek (inv. nr. 2932 archief Huize Almelo). In aanwezigheid van Egbert Lamberts, Eesse Gerritsen en Lambert Waanders wordt ds. van Eijbergen bedreigd door een buurman van Egbert Lamberts genaamd Rutgert Hendriks (ook wel Klumper genaamd). Ook de gebroeders Hendrik en Jan Evertman worden op de korrel genomen door Rutgert, die hen en de predikant, uitschold voor schelmen (kennelijk een erg scheldwoord voor die tijd). Verder waren nog aanwezig Pieter Harwig en Albert Jonker. Ook de heer van Almelo schijnt onderwerp van de scheldpartij geweest te zijn. Hoewel in de stukken niet echt over een café wordt gesproken, waarin het voorval plaats had, lijkt het toch vrijwel zeker dat dit voorval zich wel in het café heeft afgespeeld gezien het grote aantal mensen dat aanwezig was. Het lijkt erop dat de ruzie als achtergrond een beroepingskwestie van de predikant had. De Heer van Almelo had daarbij ook een grote vinger in de pap en de Evertmannetjes komen juist in deze periode in de boeken als kerkmeesters voor, dus hadden vermoedelijk ook hun aandeel in het beroepen van een nieuwe predikant. Rutgert Hendriks ging zelfs zover dat hij de predikant van Eijbergen met een mes bedreigde. Het idee dat de ruzie om een beroepingskwestie lijkt te zijn gegaan wordt gestaafd door de feiten. De laatste predikant Johannes de Man was in 1746 overleden en de nieuwe predikant Gerhardus Brouwer werd pas op 14-5-1747 bevestigd. het gegeven dat men op zondag in de kroeg zat is minder vreemd dan lijkt. De zondagsrust, blijkt uit diverse akten, werd in de 18e eeuw niet zo nageleefd als in later tijd. Het was heel gewoon in de 18e eeuw om op zondag in de kroeg te zitten, zelfs de predikant en de kerkmeesters waren daarbij kennelijk aanwezig.
Notitie bij Eefse Gerritsen: winkelierse

Eesse Gerritsen , weduwe van wijlen Egbert Lamberts, verdeelt de goederen bij wijsse van een Lieffelijkke verdeijlinge en maeg Scheijdinge op 15-4-1776 als
boedelhoudster en wettige voogdesse van haar abcente kinderen die meerderjarig zijn, geassisteert met Claas Jansen (NB broer van de eerste echtgenote van Egbert Lamberts Spijker) als haaren verkoozen mombaer. Haar dochter Eva Egberts, welke in deesen geassisteert is met haeren broeder Mannus Egberts, als haeren mombaer, alle des boedels goederen, zowel mobile als immobile, 1 huijs staende aan deesen Nieuwen Kerkweg met den goorden daar agter gelegen, soo veenen dien omgraeven leijd in de Landerijen van het Sogenaemde Hospesland, een goorden gelegen in het sogenaemde Rutgersland….een ½ dagwark Hooijland gelegen in het Sogenaemde Coert van Oldenland….,onverscheijden met Eesse Jansen…, 2 koeweijden in het Sogenaemde Cort Gerritsland,en 1 goordentien in het selve land….een vierendeel akker woestenland in de weste woesten onverscheijden met Gerrijt Kenkhuijs, 2 wanden bouwland op het sogenaemde Coert van Oldenland, 2 wanden bouwland op het zogenaemde Huijsmansland. Verder krijgt de inboedel van het huis,…beesten, kasten, potten en pannen, bedden en bulster(?),de winkelwaeren met den aankleven van dien.

Zoon Mannus Egberts en vrouw Jennigjen Jansen kopen op 14-7-1783 huis, inclusief meubelen en landerijen van Claas Jansen voor 450 caroli guldens.
(bron akte uit de nalatenschap van Johannes Teunis (Marriën), overleden 10-2-1973 te Almelo: in de 70ger jaren overgedragen aan museum Oud Vriezenveen).


Eesse is waarschijnlijk diverse malen te Amsterdam geweest, zij is als Elsie Gersen samen met haar man (?) Egbert Spijker op 3-5-1772 getuige zijn bij de doop van kleinkind Egbertus (zoon van Berent) in de Amsterdamse Noorderkerk. Op 25-2-1781 is ze als Elsie Spijker samen met Egbert Spijker getuige bij de doop van kleinkind Egberdina Spijker (dochter van Lambert Spijker) in de Amsterdamse Eilandkerk. Wie deze Egbert is, en of deze identiek is aan de getuige uit 1772 blijft onduidelijk, haar echtgenoot is nl. al eerder volgens de boedelscheidingsakte uit 1776 overleden, ze heet dan nl. de weduwe van Egbert Lamberts.

84. Jan Bom, ged. Vriezenveen 4 april 1745, † ald. na 1795, tr.
85. Aaltje ten Cate, ged. Vriezenveen 24 nov. 1743, † ald. 10 nov. 1818.

Notitie bij Jan: volkstelling 1795 slagter,
koopt in 1788, na de ene helft van het pand al te bewonen, ook de tweede helft van het pand van de familie Voskamp (oom van Jan Bom, gehuwd met Swenneken Bom), betreft erve Doornbosch, Westeinde 85, huidige nummering,
(Bron: Ken uw dorp etc. blz. 185). Daarmee bewoonde hij weer, evenals grootvader Jan Hermsen Bom, het gehele pand.
Is waarschijnlijk rond 1774 de hoofdbewoner van het pand geworden, in 1773 en de jaren daarvoor staat vader Jan Coerts Bom nog als hoofdbewoner vermeld in het kerspelbelastingregister van Vriezenveen; vanaf 1774 is het gewoon Jan Bom.

22 december 1798 geeft Gerrit Albers de 50e penning aan ivm de aankoop van en hoek bouwgrond, liggend in het zogenaamde Vossesland van Mannes Gerrits voor 46 gulden en nog een grasgaarden voor 34 gulden (bron: Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2668).

86. E(n)gbert Jansen Schuurman (Dokter), ged. Vriezenveen 6 mei 1711, † ald. na 30 jan. 1792, tr. 1e omstr. 1736 Hendrikjen Jansen Otten, ged. Vriezenveen 22 maart 1705, † ald. na 1748, dr. van Jan en Grietje Jansen Cluppels; tr. 2e Vriezenveen 24 nov. 1765
87. Jenneken Hendriks (Arends), ged. Vriezenveen 15 mei 1735, † ald. na 16 april 1798.

Notitie bij E(n)gbert Jansen: Diaken 1759-1762
1e ca. 1736 x Hendrikjen Jansen Otten d.v. Jan Otten en Grietje
Jansen Cluppels (info Vriezenveners.nl).

Vanwege het feit dat hij met de naam Dokter wordt aangeduid in het verpondingsregister van 1750 is het waarschijnlijk dat Egbert het doktersberoep heeft uitgeoefend. Dat zal hij gedaan hebben naast zijn boerenbedrijf.

Op 23-02-1735 is hij getuige in Amsterdam bij de doop van oomzegger Jan Schuurman zv broer Dirk Schuurman en Geertruij Smit.

Volgens het boterpachtregister van ca. 1735 bezit hij 2 akkers land en een akker "woestenland"; wordt hiervoor belast met 12 pond boter door Huize Almelo. Heeft z´n landerijen aan het Westeinde om en nabij Westeinde 380. Mogelijk was deze Egbert ook eigenaar van het land de Toeterije.
Heeft de landerijen van z´n vader Jan Roelofs Schuurman overgenomen. Wordt nog in het dienstbodenregister over 1790 genoemd, wordt dan aangeslagen voor 10 stuivers. In het hoofdgeldkohier van 1753 ligt de aanslag op 0,85 voor 2 personen en dat is iets meer dan gemiddeld (0,39)
In het hoofdgeldregister van 1760 wordt hij voor 4 personen aangeslagen en moet hij 1,50 betalen. Dit is 0,375 p.p. en dat was het gemiddelde voor het Westeinde (nl. 0,37) het dorpsgemiddlede lag iets hoger nl. op 0,39.
In het hoofdgeldregister over 1779 wordt hij aangeslagen voor 3 personen, (4 gulden en 10 stuivers).
In het register van de 1.000e penning van 1734 en 1739 wordt het vermogen van Egbert geschat op 600 gulden.
In het register van de 1.000e penning van 1751 wordt het vermogen van Egbert geschat op een aanzienlijke 900 gulden, waarvan 100 gulden voor meewerkend personeel. In 1758 is dit geslonken tot 538 gulden.
Als we de gegevens van de boterpachtregisters, de volkstelling van 1795 en het dienstbodengeld van 1790 naast elkaar leggen dan blijkt dat het erf in handen is gekomen van schoonzoon Klaas Waanders, gehuwd met Gerritdina Schuurman.

Op 20-11-1779 wordt Egbert genoemd in een verkooptransactie als één van de verkopers. Dan koopt Eva Egberts van de erfgenamen van Hendrick Arentsen [Schuurman, toevoeging Schuurman door mij] een akker turfland op de Superplus "verscheijden met Albert Prinsen" voor 152 guldens. De erfgenamen zijn: Gerhardus Harwig namens Janna Berkhof, Jannes Braemer en huisvrouw, Henderikjen Berkhof, Hendrik Coster voor zich zelf en namens Henderik Berkhof, Berent Jansen Coster en huisvrouw, Janna Jansen en Derk Arents Smit en vrouw, Egbert Schuurman en vrouw (Jenneken Hendriks), Engbert Egberts en tenslotte Henrik Smelt en huisvrouw.
Notitie bij het overlijden van E(n)gbert Jansen: wordt nog genoemd in het testament van zijn zoon Jan Otten Schuurman testament 30-1-1792 bij notaris Willem gerard van Es te Utrecht. Als zijn zoon op 16-4-1798 dit testament herroept met een nieuw testament bij notaris Jan Klemme te Utrecht blijkt dat Egbert Schuurman is overleden, er wordt dan gesproeken over de weduwe Egbert Schuurman..
Notitie bij Jenneken: Rond deze Jenneken Hendriks is een waas van geheimzinnigheid.
Bij haar huwelijk wordt ze genoemd de dochter van Hendrik Arends, welke dan nog leeft, anders zou ze wel de nagelaten dochter zijn genoemd. Bij alle dopen van haar kinderen wordt haar naam om één of andere reden niet genoemd! De ruimte waar de naam van de moeder staat wordt gewoon opengelaten, dit is het geval bij de dopen van Hendrik (1766), Hendrik (1767), Hendrik (1768) , Gerritdina (1768), Gesina (1772) en Johanna (1775). Bij de doop van Gerritdina (1768) staat aanvankelijk N.N. (= nomen nescio: betekent naam niet bekend), later is dit verbeterd door toe te voegen Jennegien Arends,
Gezien het gegeven dat de naam van de moeder wordt verzwegen in de doopregisters betekent dat hier iets aan de hand was, iets wat de Vriezenveense dorpsgemeenschap niet accepteerde.
Ook bij het overlijden van dochter Gesina Schuurman in 1845 staat vermeld dat moeders naam onbekend is. Bij het overlijden van dochterJohanna in 1857 wordt de naam van de moeder (Jenneken Hendriks) wel vermeld.
Waarom deze geheimzinnigheid, is ze katholiek of onkerkelijk en daarom afwezig bij de doop? In dergelijke gevallen kwam het vaker voor dat de vader alleen bij de doop aanwezig was. Mogelijk was het een schande dat ze veel jonger was dan haar man. Dit is waarschijnlijk de meest plausibele verklaring. In elk geval was het huwelijk een moetje, mogelijk was ze de jonge huishoudster van de weduwnaar Egbert Schuurman. Het echtpaar huwde eind november 1765 en het eerste kind Hendrik werd al op 5 januari 1766 ten doop gehouden!
Vrijwel zeker is Jenneken de dochter van Hendrik Arends Hupsen en Grietje Schothorst, waar een dochter Jenne wordt genoemd boven de 10 jaar bij de volkstelling van 1748. In dat geval zou ze toch hervormd gedoopt zijn op 15-5-1735, dan is ze genaamd Jennigjen. De dopen van de andere broers en zusters van Jenneken (dochter van Hendrik Arents Hupsen), vijf in getal zijn ook normaal traceerbaar in het hervormde doopboek.

De suggestie die wijlen dr. Jonker in zijn genealogische verzamelde aantekeningen doet als zou Jenneken mogelijk de dochter zijn van Hendrik Arends gehuwd met Geertruijt Kruijs is definitief ontzenuwd door gegevens die blijken uit de afwikkeling van de nalatenschap van Jenneken Harwig na haar overlijden te Almelo op 28-12-1839. Zij was eerder weduwe van Hendrik Arentsen, welke laatste een zoon was van Hendrik Arends gehuwd met Geertruijt Kruijs. Als Jenneken Hendriks (gehuwd met Egbert Schuurman) een zuster geweest was van Hendrik Arends (gehuwd met Jenneken Harwig), dan hadden haar kinderen, die de naam Schuurman dragen in deze boedelscheiding met name als erfgenaam genoemd moeten zijn en dat is niet het geval. Talloze erfgenamen worden genoemd van dit kinderloze echtpaar, en daar zijn dus geen Schuurmannetjes bij. (bron notarieel archief Almelo, notaris van Riemsdijk inv. nr. 2738).
Notitie bij het overlijden van Jenneken: wordt nog genoemd in het testament van haar stiefzoon Jan Otten Schuurman (testament 16-4-1798 bij notaris Jan Klemme te Utrecht.
Notitie bij het huwelijk van E(n)gbert Jansen en Jenneken: Jenneken Hendriks is bij haar huwelijk de dochter van Hendrik Arends, die dan dus nog moet leven.

88. Jan Otten Holland, ged. Vriezenveen 3 april 1763, † ald. 2 mei 1839, tr. Vriezenveen 9 april 1786
89. Aaltjen Alberts Scheper, ged. Vriezenveen 12 dec. 1762, † ald. 29 dec. 1829.

Notitie bij Jan Otten: In 1795 wordt hij als gezinshoofd van 5 personen genoemd en als beroep staat hij geregistreerd als daghuurder (landarbeider) In 1839 bij zijn overlijden wordt als zijn beroep landbouwer vermeld. Dit zal ook wel een juistere omschrijving zijn, want in 1801 bij de intekenlijst van bijdragen voor de verbouwing van de NH kerk staat bij hem een bijdrage vermeld van 10 gulden en ook staat erbij vermeld dat hij een knecht heeft, genaamd Fredericus Grobben, die 5 gulden bijdraagt. Bewoonde een woning aan het Oosteinde 215 (huidige nummering). Volgens het kadaster van 1832 bezat Jan Otten daar 2 woningen, één aan de noordzijde en één aan de zuidzijde van de straat.

18-6-1840 vindt de boedelscheiding plaats vande nalatenschap van Jan Otten Holland en Aaltjen Alberts Scheper. Erfgenamen zijn de kinderen: Jan Holland, landbouwer, Hanna Holland gehuwd met Jannes Meulenbeld, landbouwer, Sina Holland, Alberdina Holland, Fina Holland, Jenneken Holland en Johannes Holland. Het betreft een verdeling van tientallen percelen grond en het huis ter waarde van ruim 1600 gulden. Huis en erf gaan naar Jan Holland (bron: notarieel archieven Overijssel inv. nr. 36)

28-2-1791 Verklaren Jan Otten Holland en Aaltjen Albers schuldig te zijn aan "haar oom" , te weten Jan Roelofs en Aaltje Wolters Coster 100 gulden.(RA Zwolle)
(NB mogelijk betekent "haar oom" hun oom en dus niet per definitie de oom van Aaltje; er is nl wel een link te leggen via de Moeder van Jan Otten naar de familie Coster)

12-11-1794 kopen Jan Otten Holland en Aaltje Alberts 1 akker land met het halve huis voor 850 gulden van Albert Harms [en Hendrika Fayer]; bron: register van de 50e penning Statenarchief Overijssel inv. nr. 2668.
25-04-1796 koopt Jan Otten Holland van Mannes Costers en Jannes Jacobs 4 dagwerk turfland gelegen in de Oosterhoeve voor 165 gulden; bron: register van de 50e penning Statenarchief Overijssel inv. nr. 2668.
Notitie bij het huwelijk van Jan Otten en Aaltjen Alberts: gezien de doop van het eerste kind in juni 1786 moet het huwelijk een "moetje" zijn geweest.

90. Engbert Berends Engberts (ook wel Baerends), ged. Vriezenveen 10 sept. 1758, † ald. 28 jan. 1829, tr. 2e Vriezenveen (kerkelijk 14 sept.) 1794 Hendrikjen Berends Pley, geb. Vriezenveen omstr. 1753, † ald. 9 dec. 1821, dr. van Berend Hendriks Pleij en Frerijkje (Fredrika) Broertjen; tr. 1e Vriezenveen 3 nov. 1781
91. Johanna Jansen, ged. Vriezenveen 17 dec. 1752, † omstr. 1793.24

Notitie bij Engbert Berends: kerkmeester (1804) archief armenzorg Museum Vriezenveen.
1829 in de overlijdensakte staat vermeld "aan het Oosteinde 94 zelf", landbouwer en koopman, in 1795 bij de volkstelling staat als beroep boer vermeld. Mogelijk is hij evenals zoon Berend actief geweest in Sint Petersburg.
Behoorde tot de notabelen van het dorp, kon zich in elk geval in 1822 en 1825 een plaats veroorloven in één van de 11 huurbanken in de kerk, die door inschrijving jaarlijks werden verhuurd. Zo hadden de volgende personen in die jaren o.a. een eigen bank: Gerrit Engels, Egbert Smelt, Gerhardus Kruys, Berend de Vries, Derk de Lange.
Trouwt door zijn huwelijk met Janna Jansen in op het Èèmsgoed (Oosteinde 193 huidige nummering). Vanaf de naamsaanneming onder Napoleon noemt hij zich Engbert B. Engberts. Kinderen van Engbert zitten allemaal in de handel. In 1812 (bij de naamsaanneming) woont 1 zoon Jan in Emden en een andere Berend in Sint Petersburg.

In 1800 koopt Engbert Oosteinde 85 (huidige nummering) van de schoonzoon van Hermannus Smelt voor 2350 gulden (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 77) een boerenerf; ook de vader van Engbert moet ongeveer op dit stuk van Vriezenveen hebben gewoond, gezien de volkstellingsgegevens van 1748.

Uit de intekenlijst van de verbouwing van de hervormde kerk schrijft Engbert zich met een bijdrage van 15 gulden in. Ook blijkt uit dit register dat Engbert er een "meid" op na houdt, ze heet Gesina Alberts en draagt 1 gulden bij aan de verbouwing van de kerk.

Zoon Gerrit bewoont later het ouderlijke erf. De woning had in 1832 volgens het kadaster een gemiddelde huurwaarde van 15 gulden en dat was zo´n beetje gemiddeld voor Vriezenveen.

Dat deze familie toch wel veel geld gehad moet hebben blijkt uit kadastrale informatie en aantekeningen van de lokale historicus Herman Jansen die schrijft dat dochter Fina Engberts uit het tweede huwelijk met Hendrikje Pley het sjieke pand bewoonde (nu genummerd Westeinde 1 en 3) en dat ze ongehuwd en erg rijk was, later woonde haar neef Johannes Holland (1819-1864) die eerst koopman was in Rusland en later gemeenteontvanger te Vriezenveen, bij haar in. (Zie blz. 50 Ken uw dorp en heb het lief). Johannes Holland was een zoon van dochter Gerritdina Engberts, gehuwd met Jan Holland.

Fina Engberts (overleden in 1877) heeft dit pand volgens kadastrale informatie mogelijk bewoond met haar broer Berend Engberts koopman te Sint Petersburg (geboren 1784 en overleden in 1837), die in 1832 formeel eigenaar van de woning was die in belastingklasse 1 viel (dat wil zeggen met een gemiddelde huurwaarde van 90 gulden en daarmee de duurst ingeschaalde woning van het dorp). Berend was tot ca. 1820 actief in de firma Jansen, Joost & Co te Sint Petersburg (bron: D.G. Harmsen, Vriezenveners in Rusland). Later in 1876 is volgens het kadaster een zoon van broer Gerrit Engberts (overleden in 1867) eigenaar van deze woning.

Aangezien dus zowel dochter Fina als zoon Berend de woning bewoonden kan de vraag gesteld worden of ook Engbert Berends Engberts het pand misschien heeft bewoond, echter bij het overlijden in 1829 staat in het overlijdensregister vermeld dat hij woonde aan het Oosteinde 94, mogelijk is hij wel de eigenaar van de woning geweest. De familie Engberts had nauwe contacten met de familie Kruijs. Als Jan Kruijs in maart 1829 een feestje geeft zijn Berent Engberts en zijn zus (ik vermoed Fina) ook uitgenodigd. Echter vanwege het recente overlijden van hun vader (in januari 1829) wijzen ze de uitnodiging af. De familie zal toen nog in rouw zijn geweest (bron: dagboeken Jan Kruijs).

92. Jelke Pieters van Eyck, ged. Oosterwolde (Frl.) 16 maart 1764, † Roordahuizum (Frl.) (Idaarderadeel) 9 sept. 1842, tr. Marssum (Frl.) 6 juni 1790
93. Rigtje Pieters Spanjer, geb. Marssum (Frl.) 9 aug. 1768, † Roordahuizum (Frl.) 19 maart 1850.

Notitie bij Jelke Pieters: gezworen klerk van Baarderadeel te Jorwerd (1800, bron: Leeuwarder Courant 01-01-1800 en 22-08-1801); deurwaarder bij het Vredegericht(=kantongerecht te Rauwerd) in 1815 nog in functie tijdens het huwelijk van zoon Wieger.
tijdens het huwelijk van hun zoon Pieter Jelkes van Eyck (1825 ) wonen Jelke en vrouw te Jorwerd, Jelke is dan zonder beroep. In 1828 (tijdens huwelijk van dochter Attje) woont Jelke met zijn vrouw in Oosterwierum. Jelke wordt dan betiteld als oud-deurwaarder bij het Vredegeregt.
Jelke is waarschijnlijk met z´n moeder van Oosterwolde, via Drachten in 1789 in Marssum beland.
In 1811 neemt de familie te Jorwerd officieel de naam van Eyck aan, het gezin staat als volgt geregistreerd:
Familienamen 1811
Eyck, Jelke van, Jorwerd 60
k. Pieter 22, Gerryt 20, Wijger 18, Jentje 16, Attje 14
Mairie Jorwerd, fol. 15v
In 1798 doen Jelke van Eyck en Rixtje Pytters in Jorwerd geloofsbelijdenis. Het gezin verhuist met de 2 jongste kinderen Attje en Jentje op 30-10-1826 met kerkelijke attestatie naar Oosterwierum. Hiervandaan vertrekken ze, -en dan zonder kinderen- op 20-11-1835 met kerkelijke attestatie naar Roordahuizum.
Volgens de huwelijksake van zoon Wieger zou deze geboren zijn in Stavoren. Dit betekent dat het gezin van Jelke rond die tijd in Stavoren moet hebben gewoond.

Jelke ondertekent de huwelijksakte van dochter Attje in 1822 met de naam "van Eijck".

1819 Jorwerd, notaris J. Steenbeek
Inv. nr. 067001 repertoire nr. 84 d.d. 26 mei 1819
Koopakte met kwitantie
Betreft de verkoop van een huizinge te Jorwerd, koopsom
fl. 1950
- Jelke van Eick te Jorwerd, gehuwd met Richtje Pieters
Spanjer als verkoper
- Antje Doekles Sjonstra te Jorwerd, weduwe van Tjomme
Yntes Kingma als koper
(notarieel archief Friesland www.Tresoar.nl)

1815 * Leeuwarden, notaris J. D. Hanekamp van Harinxma
Inv. nr. 079009 repertoire nr. 72 d.d. 18 maart 1815
Extract, akte niet aanwezig
- Jelger van Eyck te Jorwerd
(notarieel archief Friesland www.Tresoar.nl)

1817 Heeg, notaris W. Steenbeek
Inv. nr. 054006 repertoire nr. 119 d.d. 9 september 1817
Obligatie
Betreft een kapitaal van fl. 700
- Jelke van Eyck, deurwaarder te Jorwerd als schuldenaar
- Sipke Annes Feykes, boer te Jorwerd als schuldeiser
(notarieel archief Friesland www.Tresoar.nl)

1818 * Leeuwarden, notaris J. D. Hanekamp van Harinxma
Inv. nr. 079010 repertoire nr. 29 d.d. 2 maart 1818
Obligatie
- Jelte van Eyck, deurwaarde te Jorwerd; kapitaal fl. 300
- Atje Gerrits te Marssum, weduwe van Pieter Dirks als
borg; kapitaal fl. 300
- Pieter Dirks, in leven gehuwd met Atje Gerrits;
borgstelling door zijn weduwe
- Daniel van Engelen, secretaris te Sneek; kapitaal fl. 300
(notarieel archief Friesland www.Tresoar.nl)
Notitie bij het overlijden van Jelke Pieters: Bij het overlijden van Jelke verscheen in de Leeuwarder Courant de volgende annonce:

Heden overleed na een langdurig lijden, tot diepe droefheid van mij en mijne Kinderen , mijn geliefde Echtgenoot JELKE van EIJCK. In den ouderdom van 76 jaren en 6 maanden, na eene Echtverbindtenis van ruim 52 jaren.
Men gelieve deze als bijzondere kennisgeving aan te nemen.
Roordahuizum, R.P. SPANJER,
Den 9 september 1842 wed. J. van Eijck.
Notitie bij Rigtje Pieters: 1846 Leeuwarden, notaris J. Albarda Hzn
Inv. nr. 078048 repertoire nr. 116 d.d. 30 april 1846
Testament
- Richtje Pieters Spanjer te Roordahuizum, weduwe van Jelke
Pieters van Eyck

(Notarieel Archief Friesland: www.Tresoar.nl)
Notitie bij het overlijden van Rigtje Pieters: Bij het overlijden van Jelke verscheen in de Leeuwarder Courant de volgende annonce:

Heden morgen omstreeks half vijf ure, overleed, tot onze bittere droefheid, onze geliefde moeder en grootmoeder RIGTJE PIETERS SPANJER, Wed. van J. van Eijck, in den gezegenden ouderdom van 81 jaren en 7 maanden.
Roordahuizum, J.J. van EIJCK.
Den 19 maart 1850 uit aller naam.

94. Gerrit Hospers, ged. Vriezenveen 19 febr. 1766, † ald. 2 nov. 1809, tr. Vriezenveen 18 mei 1794
95. Janna Eshuis, ged. Wierden 14 nov. 1773, † Vriezenveen 7 juni 1841, tr. 2e Vriezenveen 1812 Klaas Jansen Tutertjen, ged. Vriezenveen 8 juli 1753, † ald. 1817,25 zn. van Jan Harmsen en Aaltje Klaasen Bramer en wedr. van Hendrikje Jansen Onweer.

Notitie bij Gerrit: landbouwer, Volkstelling 1795 daghuurder Woonde op het Hössieserf, huidige nummering Oosteinde 214; (Bron: Ken uw dorp etc. blz. 118).

Met de verbouwing van de hervormde kerk in 1801 droeg Gerrit 1 gulden bij. Zijn broer Hendrik (ook wel Hindrik), die kennelijk inwonend is draagt ook 1 gulden bij. Gezien deze relatief kleine bijdragen zal het vermoedelijk geen gezin zijn geweest dat in welstand leefde.
Notitie bij Janna: In het kadastraal register van 1832 staat Janna Eshuis, als de wed. Klaas Tutertjen vermeld, als eigenares van 2 woningen aan het het Oosteinde, het betrof woningen met een gemiddelde huurwaarde van 12 respectievelijk 15 gulden.

96. Gerrit Derks Schipper, ged. Vriezenveen 26 dec. 1746, † ald. 18 sept. 1822, tr. Vriezenveen 23 maart 1776
97. Hendrikje Alberts Sandboer, ged. Vriezenveen 17 febr. 1743, † ald. 3 febr. 1821.

Notitie bij Gerrit Derks: landbouwer, bewoonde het Boosmanserf, Oosteinde 175 huidige nummering. (Zie blz. 95 Ken uw dorp en heb het lief). Verkreeg het erf door zijn huwelijk met Hendrikje Zandboer. In 1776 wordt er een akte van overdracht getekend door Albert Sandboer voor 2 akkers en de woning aan Gerrit Schipper. Bij de volkstelling van 1795 bestond het gezin uit 4 personen, waaronder de zuster van Hendrikje Sandboer genaamd Geertien, zij doet de aangifte bij de volkstelling van de gezinssamenstelling. Het andere gesinslid zal, naast de ouders Gerrit Schipper en Hendrikje Sandboer, de zoon Derk Schipper zijn geweest.
Op de intekenlijst uit 1801 van bijdragen voor de verbouwing van de "gereformeerde kerk" (=NH-kerk) te Vriezenveen staat Gerrit genoemd met een bijdrage van 25 gulden en "Geertjen Zandboer" gaf 5 gulden, hele bedragen voor die tijd (archief NHkerk Vriezenveen).

06-11-1773 schuldverklaring van Henricus Berentsen en Jenneken Willems Schipper voor de som van 200 gulden á 3 % rente aan Gerrit Derks Schipper (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2677).

In 1776 regelt schoonvader Albert Santboer de overdracht van huis en twee akkers land aan schoonzoon Gerrit Schipper met het beding dat de andere kinderen, zolang zij ongetrouwd zijn een slaapplaats op het ouderlijk erf blijven houden en ook moet Gerrit hen 700 gulden uit de boedel betalen.

Gerrit en zijn vrouw Hendrikje lenen op 16-5-1790 aan Hendrik Letteboer en Hendrikjen Bramer 70 gulden à 3% rente.
Op 11-8-1800 verstrekt het echtpaar een lening van 1.000 gulden aan Zwier Lammers en Aaltje Steevens tegen 4% rente (bron: familiearchief Schipper).

98. Derk Jaspers Faijer (dezelfde als 72), tr. Vriezenveen 16 sept. 1787
99. Aaltje Jansen Faijer (dezelfde als 73).

100. Berend Berendsen Roelofsen, ged. Vriezenveen 11 mei 1755, † ald. 20 jan. 1837, tr. Vriezenveen 14 juni 1777
101. Jenneken Wolters Schipper, ged. Vriezenveen 8 sept. 1754, † ald. 5 dec. 1832.

Notitie bij Berend Berendsen: landbouwer. Woonachtig aan het Oosteinde 161 (huidige nummering). Bron: blz. 93 Ken uw dorp en heb het lief. Het erf staat ook bekend onder de bijnaam "de Roulfs".

Op 5 november 1772 maakt Jenneken Egberts, weduwe van Berent Alberts Roelofs, stiefmoeder van Berend Berendsen Roelofsen haar testament. Tot universeel en enig erfgenaam benoemt ze haar stiefzoon Berent Berents Roelofs, zoon van wijlen Berent Alberts Roelofs. Helaas voor Berend wordt dit in 1779 weer ongedaan gemaakt en wordt de broer van zijn stiefmoeder Gerrit Engberts [Entjen] universeel erfgenaam (bron: archief Huize Almelo, inv. nr. 2677 en 2678).

Bij de volkstelling van 1795 heet hij Berend Albers, zijn beroep is boer en de gezinsgroote is 6 personen. In 1801, bij de intekenlijst voor de verbouwing van de plaatselijke kerk heet hij Berent Berents en draagt hij 15 gulden bij, een substantieel bedrag voor die tijd (archief NH-kerk Vriezenveen). In het register van hoofdgeld van 1779 wordt Berend weer bij de achternaam Albers genoemd. In 1812 (naamsaanneming Napoleon) besluit Berend Albers zich voortaan Roelofsen te noemen.
De volgende kinderen worden in de akte van naamsaanneming genoemd:
Kinderen: Berend Albert (33), Jan (29), Roelof (24) en Wicher (19), allen wonend te Vriezenveen.

Kleinkinderen: Gerrit (2, zv. Berend Albert), Johanna (5, dv. Berend Albert) en Berendina (½, dv. Berend Albert), allen wonende te Vriezenveen.
(Bron: André Idzinga; Vriezenveners.nl)
Notitie bij de geboorte van Berend Berendsen: gedoopt als Berend zv Berend Albert Roelofz en Trijntje Berends Holland
Notitie bij Jenneken Wolters: vroedvrouw

102. Gerrit Bramer, ged. Vriezenveen 17 nov. 1726, † ald. 25 okt. 1811, tr. 1e Vriezenveen 26 okt. 1754 Aeltjen Evertman, ged. Vriezenveen 24 okt. 1728, † ald. vóór 1761, dr. van Hendrik Hendriksen en Aeltjen Geerts; tr. 2e Vriezenveen 17 jan. 1761 Jennegjen ten Cate, ged. Vriezenveen 9 mei 1734, † ald. vóór 1780; tr. 3e Vriezenveen 2 dec. 1780
103. Hendrikje Jonker, ged. Vriezenveen 5 maart 1747, † ald. 16 dec. 1819.

Notitie bij Gerrit: landbouwer, en mogelijk in 1785 verwalter-schultus (loco-burgemeester) (kan trouwens ook een andere Gerrit Bramer zijn geweest, maar aangezien Gerrit in de plaats trad van Frerik Bramer als verwalter scholtus vanwege diens overlijden, lijkt het voor de hand te liggen dat Gerrit zijn broer hem opvolgde (akte van aanstelling op 27-1-1773). Gerrit moet in de buurt van Oosteinde 193 (Ééms) (huidige nummering) hebben gewoond. Heeft het ouderlijk erf overgenomen. Wordt bij de volkstelling van 1795 genoemd als naaste buur van Engbert Beerens (Ééms) is van beroep boer en het gezin omvat dan 7 personen.
In 1760 met het hoofdgeld wordt het gezin aangeslagen voor 4 personen en moet 1,90 betalen, dat is zo´n 0,47 per persoon. Dit ligt aardig boven het gemiddelde voor Vriezenveen van 0,39 p.p. in dat jaar.
Beschikt volgens het boterpachtkohier van 1763 maar liefst 7 akkers land. In 1801 draagt Gerrit 15 gulden bij voor de verbouwing van de plaatselijke kerk (Archief: NH kerk Vriezenveen).
Gerrit Bramer had net als zijn vader een groot vermogen dat in het kohier van de 1.000e penning uit 1734 geschat wordt op 2475 gulden. Daarmee behoorde hij tot de allerrijksten van het dorp. Gerrit zelf komt in het register van de 1.000e penning van 1758 voor met een geschat vermogen van 2384 guldens.

het echtpaar Bramer-Evertman maakt op 3 maart 1755 een testament. Gerrit legateert aan zijn vader Hendrik zijn legitieme portie. Ditzelfde doet Aaltjen voor haar vader Hendrik Evertman. Kleding komt de naaste vrienden en verwanten toe. De armen komt 50 gulden toe, door de langstlevende uit te keren nahet overlijden van de eerste. Verder is het een langslevende testament (archief: schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).
Notitie bij het overlijden van Gerrit: zoon Hendrik Jan, in 1811 28 jaar en landbouwer en buurman Engbert Berends, landbouwer en 54 jaar doen aangifte van het overlijden van Gerrit.
Notitie bij het overlijden van Hendrikje: overleden Oosteinde 93 (toenmalige nummering)

104. Jan Jansen op Nijen Twilhaar, geb. Hellendoorn omstr. 1743, † ald. 26 nov. 1815, tr. 1e Hellendoorn 9 juli 1763 Janna Freriks van Twilhaar, geb. Hellendoorn (?) omstr. 1740, † Hellendoorn vóór 1781; tr. 2e Hellendoorn 21 mei 1781 Gerritdina Willemsen Slaats, geb. Wierden omstr. 1750, † Hellendoorn vóór 1789; tr. 3e Hellendoorn 22 maart 1789
105. Hendrikjen (Hendrika) Derksen Poelakker, ged. Hellendoorn 21 maart 1760, † ald. 22 febr. 1801.

Notitie bij Jan Jansen: Jan verwierf in 1762 het zogenaamde Kleine Twilhaar, dat later kennelijk Nijen Twilhaar heet. In 1762 is er bij de schout van Hellendoorn door de toenmalige eigenaren van dit boerenerf een "Contract van Alimentatie" opgemaakt. Het waren Jan Egberts van den Kleijnen Twilhaar en zijn echtgenoot Marie Jansen. Jan Egberts was eerder gehuwd geweest met Janna Jansen Twilhaar en zijn huwelijken hadden slechts één zoon opgeleverd (Gerrit Jan gedoopt 17-11-1748), die kennelijk jong is overleden.
Het kontrakt werd aangegaan met Jan Jansen van den Grooten Twilhaar die geassisteerd wordt door zijn vader Jan Gerrits en moeder Jenneken Harmsen. Hier moet toch wel haast een familirelatie tussen beide families liggen, maar hoe dit precies zit heb ik nog niet kunnen ontdekken.
Jan Jansen van den Groote Twilhaar (later Nijen Twilhaar genoemd) neemt de plicht op zich Jan Egberts en Marie Jansen te onderhouden tot hun dood en daarna verplicht hij zich hen "eerlijk te doen begraven". Hij neemt ook alle verplichtingen en schulden van het echtpaar over. Dit levert hem het boerenerf op en de gehele inboedel. De oude lui verkrijgen nog het recht voor eigen onderhoud 4 schapen, 2 ooien en 2 geiten te houden. Vermeld wordt dat Jan niet kan schrijven en ook geen zegel gebruikt. (Bron: Gerechterlijk Archief Hellendoorn).

In het Gerechterlijk archief is een akte te vinden gedateerd 21-3-1789 waarbij een aantal zaken werden geregeld voor de twee onmondige kinderen uit het eerdere huwelijken van Jan met Gerdiene Slaat, het zijn de kinderen Janna en Hendrike. In de akte staat dat verschenen is Jan Jansen Nijen Twilhaar, laatst weduwnaar van wijlen Gerritdina Slaat, nu gehuwd met Hendrikje Derks van´t Bolhoeve! (RA Hellendoorn inv. nr. 18).
Bij zijn overlijden staat vermeld dat hij arbeider is.

Jan is overleden oud 72 jaar arbeider van beroep volgens de overlijdensakte. Genoemd tijdens de volkstelling van 1748 als kind onder de 10 jaar. Zijn doop is niet traceerbaar. Jan verwekt een groot aantal kinderen en huwt diverse malen.
Na het overlijden van zijn 3e vrouw verwekt hij nog een onecht kind bij ene Dine Gerrits arbeidster. De dochter die hier uit voortvloeit heet Hendrika Nijen Twilhaar en wordt op 1-8-1803 in Hellendoorn ten doop gehouden. Het was in successie het 15e kind van Jan Jansen Nijen Twilhaar!
ok volgens de huwelijksregistratie van zoon Gerrit in 1818 te Hellendoorn blijkt dat Jan Jansen Nijen Twilhaar arbeider is, mogelijk had hij er een keuterbedrijfje bij.
Het Twilhaar is overigens naast een erfnaam ook een boeren streeknaam. De streek ligt zuidelijk van Hellendoorn, westelijk van waar nu Nijverdal is gelegen. In het hoofdgeldkohier uit 1723 (bron: Statenarchief Overijssel) staat de Twilhaar onder de buurtschap Noetsele opgenomen. Dit stemt overeen met de overlijdensinformatie van Jan waar ook vermeld staat dat Jan te Noetsele woont.

In de huwelijksakte van dochter Hendrika uit 1827 staat dat haar vader ook wel Jan Jansen wordt genoemd
Notitie bij de geboorte van Jan Jansen: geboortejaar ontleend aan leeftijd in overlijdensakte
Notitie bij het overlijden van Jan Jansen: in de overlijdensakte staat vermeld dat Jan Jansen Nijen Twilhaar te Noetsele woont en 72 jaar oud is geworden, verder wordt er geen info gegeven.
Notitie bij Hendrikjen (Hendrika) Derksen: Hendrika werd ook wel Bolhoeve genoemd. de naam Bolhoeve kan afgeleid worden uit een akte gedateerd 21-3-1789 waarbij een aantal zaken werden geregeld voor de twee onmondige kinderen uit het eerdere huwelijken van Jan met Gerdiene Slaat, het zijn de kinderen Janna en Hendrike. In de akte staat dat verschenen is Jan Jansen Nijen Twilhaar, laatst weduwnaar van wijlen Gerritdina Slaat, nu gehuwd met Hendrikje Derks van´t Bolhoeve! (RA Hellendoorn inv. nr. 18).
Notitie bij het huwelijk van Jan Jansen en Hendrikjen (Hendrika) Derksen: bij het huwelijk staat vermeld dat Hendrikje woont op den Poelakker in Hellendoorn of ze hier meid was of zelf van dit boerenerf afkomstig was is onduidelijk.

106. Hendricus Timmerman, geb. Eelen (Hellendoorn), ged. Hellendoorn 16 jan. 1752, † ald. 13 nov. 1827, tr. Hellendoorn 5 juni 1796
107. Maria Schuttevaars, ged. Hellendoorn 7 juni 1767, † Hellendoorn (Eelen) 11 maart 1846.

Notitie bij Hendricus: landbouwer, evenals zijn vader ook wel Uylenspiegel genoemd naar het boerenerf van die naam waar het echtpaar op woonde. Wordt al in 1797 (bij doop van Hendrika) met de naam Timmerman aangeduid.
Bij zijn overlijden evenwel aangeduid als arbeider.
Notitie bij het overlijden van Hendricus: in de overlijdensakte staat vermeld, arbeider 75 jaar, zoon van wijlen Hendrik Timmerman en Aaltje Hendriks.
Notitie bij Maria: Maria was tijdens haar huwelijk woonachtig te Zwolle.
Notitie bij het overlijden van Maria: bij de overlijdensakte staat vermeld, 79 jaar, zonder beroep weduwe van Hendrikus Hendriksen, dochter van Barend Schuttevaar en Janna Essen, wonend in het buurtschap Eelen, wijk D nummer 51.

108. Gerrit Berendsen Smelt de boer, ged. Vriezenveen 10 juni 1742, † ald. 29 nov. 1809, tr. Vriezenveen 19 okt. 1765
109. Jenneken Jansen Aman, ged. Vriezenveen 5 juni 1740, †?.

Notitie bij Gerrit Berendsen: turfschipper bewoonde Oosteinde 226 (zie Ken uw dorp en heb het lief, blz. 122). Gerrit Smelt en Wicher Berkhof leidden een opstand van Vriezenveense turfschippers in 1798 (tijd van de Franse revolutie) tegen de tollen die ze op verschillende doorvaarten moesten betalen (Bavesbeek?) aan de heer van Weleveld. Gerrit Smelt en zijn knecht en de zoon van Hoff Berend vernielden de tolslagboom. Gerrit Smelt de Boer wordt veroordeeld tot het betalen van 100 zilveren ducatons "ten profijte van het Bataafse Volk, plus de kosten van het proces" (zie Herman Jansen in Ken uw dorp en heb het lief, blz.168).

Is in 1766 (2 weken of ruim 2 weken voor 31 juli 1766) verdachte in en proces dat ging over de breedte van schuiten die moeilijk onder de brug (bij het Meulenbelt) zouden kunnen varen waarbij met bijlen stukken van de palen van de brug zouden zijn afgehakt om de doorvaart mogelijk te maken. Gerrit eigenaar van een te brede schuit, zou zich met vandalisme hebben ingelaten door afkapping van de brugpeilers. De boten (een 11-tal) waren naar de "woeste veenen" gegaan om hooi en gemaaid gras op te halen. (HAA inv. nr. 3045).
Notitie bij het overlijden van Gerrit Berendsen: op de 29e van de slachtmaand 1809 wordt door zoon Jan Gerritsen Smelt aangegeven het overlijden van zijn vader Gerrit Berendsen Smelt.

110. Jannes Tromp, ged. Vriezenveen 13 sept. 1744, † ald. 2 dec. 1809, tr. 1e Vriezenveen 7 dec. 1765 Swennigjen Harmsen Tromp, geb. _ omstr. 1745, † Vriezenveen vóór 5 april 1777, dr. van Harmen; tr. 2e Vriezenveen 20 april 1777
111. Janna Frielink, ged. Vriezenveen 26 sept. 1745, † ald. 30 dec. 1823.

Notitie bij Jannes: ook Johannes genoemd (Bij zijn 2e huwelijk in 1777). wever van beroep. Bij zijn eerste huwelijk staat vermeld, onlangs gewoond hebbende te Meppel.
oudste kind van het gezin Egbert Jansen Tromp. Bewoonde een woning in de buurt van de pastorie, vermoedelijk hetzelfde huis dat vader Egbert tijdens de volkstelling van 1748 bewoonde, toen naast de predikant op de overzichtslijst genoemd. Met de volkstelling van 1795 wordt zoon Jannes ook in deze buurt genoemd als gezinshoofd van 6 personen en met als beroep wever.

Jannes Tromp en zijn vader Egbert Tromp hebben een armoedig bestaan gekend. Beiden werden door de diaconie onderhouden. Het gevolg is dat ze hun woning op 12-12-1786 aan de diaconie moeten afstaan, dit ingevolge een Besluit van Ridderschap en Steden (Bron Gemeentearchief Vriezenveen, zwarte boekjes deel XXV, blz.30). De woningen rond de pastorie behoren volgens de kadastrale informatie van 1832 inderdaad de Hervormde kerk toe (dus niet alleen de voormalige woning van de Tromps).


register 50e penning (Statenarchief Overijssel inv. nr. 2668):
-08-12-1794 verkoop van een halve akker woestenland door Jannes Tromp voor 22 gulden aan Albert Harms.

register 50e penning (Statenarchief Overijssel inv. nr. 5711):
-31-12-1803 aankoop van een halve akker bovenwegsland van de wed. Schol voor 48 gulden.
Notitie bij Janna: Ook Vrielink e.a. variaties. bij haar huwelijk staat nagelaten dochter van Jan Frielink alhier. bij haar huwelijk heet ze Johanna, bij haar doop Janna.
Zij heeft voor haar huwelijk gewerkt in de huishouding van Albert Costers. Dit blijkt uit een document uit het archief van Huize Almelo (inv. nr. 3066), waarin ze als getuige optreedt. Ook blijkt uit dat stuk, opgemaakt in januari 1778 dat ze dan omtrent 33 jaar oud is.
Notitie bij de geboorte van Janna: doopregistratie luidt aldus: Janna dv Jan Vrielink en Mientjen Hendrijksen
Notitie bij het overlijden van Janna: In de overlijdensakte staat vermeld. zonder beroep, oud 79 jaar, weduwe van Jannes Tromp, wever van beroep, dochter van wijlen Jan Vylink en Mina Hendriks. Overleden aan het Westeinde 217 (toenmalige nummering).
Notitie bij het huwelijk van Jannes en Janna: de huwelijksregistratie luidt als volgt: "Johannes Egbertz. Weduwenaar van Swaantjen Harmzen en Johanna Freilink ND van Jan Frrielink beyde alhier"

112. Willem Bramer, geb. Vriezenveen 15 sept. 1771, † ald. 30 jan. 1834, tr. Vriezenveen 23 nov. 1794
113. Frederika Alberts, ged. Vriezenveen 9 dec. 1770, † ald. 18 aug. 1837.

Notitie bij Willem: wever (volkstelling 1795) en landbouwer oa bij overlijden (1834). Bewoonde later het Gjöttenspil, de boerderij, gelegen aan het Westeinde 144 huidige nummering (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 188). Bewoonde deze boederij zelf. Deze had in 1832 een gemiddelde huurwaarde van 15 gulden (zie mijn scriptie). Viel daarmee in belastingklasse 6.
verklaart bij de geboorte van zoon Johannes in 1812 het schrijven niet machtig te zijn.
Aanvankelijk had Willem, die volgens de volkstelling van 1795 wever was, een stukje oostelijker op het Westeinde gewoond. In 1808 in het kohier van de personele quotisatie staat hij vermeld op de locatie, waar zijn vader bij de volkstelling van 1795 nog vermeld stond. Het lijkt er op dat zijn vader toen overleden was en hij het vaderlijke erf betrokken heeft. Zijn besteedbaar inkomen is niet erg hoog te noemen. Dit wordt in 1808 lager geschat dan 50 gulden en dat was het inkomen dat ook een boerenarbeider of een dienstbode genoot (bron: quotisatiekohier 1808).
Later zal hij het pand geerfd hebben van zijn ongehuwde tante Trijntje Bramer die het "Gjöttenerf" bewoonde. Hij zal toen qua inkomen een wat betere positie hebben verworven, hoewel ook Trijntje volgens het kohier op de personele quotisatie van 1808 niet echt hoog scoorde wat inkomen betreft. Haar inkomen werd geschat op 50 tot 75 gulden.
Notitie bij het overlijden van Willem: heet bij overlijden de zoon te zijn van Hendrik Bramer en Annigje Hartog.
Notitie bij het overlijden van Frederika: bij het overlijden staat als beroep vermeld landbouwerse.
Notitie bij het huwelijk van Willem en Frederika: de huwelijksregistratie luidt als volgt: "Willem Bramer Z. van Hendrik Bramer en Anna Hartog J.M. en Frederijka Alberts D. van Albert Gerrits en Hendrikjen Janzen".
Er vindt ook een ondertrouwregistratie te Almelo plaats op 24 oktober 1794:
24 Oct 1794; 10 Nov 1794; met att. naar Vriezenveen; Willem; Bramer; te Vriezenveen; Hendrik; Bramer; Johanna; Hartog; Frederika Alberts; geb Vriezenveen, won Almelo; Albert Gerrits; ; Hendrikjen Janssen; bron: Afina Broekman.
Kennelijk was Fredrika ten tijde van haar huwelijk dienstmeid te Almelo.

114. Gerhardus (Gradus) Gerrits(en), ged. Vriezenveen 16 dec. 1759, † ald. 14 maart 1818, tr. (ondertr. 1 jan.) 1780
115. Gerhardina Hospers, ged. Vriezenveen 29 okt. 1758, † ald. 6 juli 1831.

Notitie bij Gerhardus (Gradus): wever en landbouwer. Moet in de buurt van Westeinde 100 hebben gewoond, evenals zijn vader en grootvader. Het erf was van de kerk ofwel de Sint Annenvicarie (beheerder hiervan was de Heer van Almelo die toezicht hield op alle kerkelijke goederen) . Rond 1790 betaalde hij daarvoor 38 gulden en 12 stuivers per jaar (bron: AHA inv. nr. 1804).
Uit de boekhouding van de kerkelijke goederen blijkt dat Gerhardus de volgende landerijen huurde: "twee akkers het oosterstukke met zes koeweiden, een huisplaats, een halve akker in het westerstuk en een halve koeiweide, een grasgaarden, een part in de schuttenmaat een halve koeiweide"

Bij de volkstelling van 1795 staat als beroep wever vermeld. Aangever van de informatie van dit gezin bij de volkstelling was de vader van Gerhardus, te weten Gerrit Harms. Het gezin bestond toen uit 6 personen. Bewoonde vermoedelijk het huis dat in 1832 kadastraal bekend stond onder Sectie A nr. 2042, dat werd ingedeeld in belastingklasse 6, een gemiddelde boerenwoning dus. Men was buur van de familie Bramer (Gjötten) die destijds op nummer 256 (toenmalige nummering) woonde.
Neemt op 9 mei 1812 de naam Gerritsen aan. Gedoopt als Gradus, later Gerhardus genoemd.

In 1801 wordt hij genoemd op de lijst van begunstigden met betrekking tot de verbouwing van de Hervormde kerk voor een bedrag van 5 gulden. Het inkomen van Gerhardus was volgens het kohier op de personele quotisatie van 1808 gelegen tussen 75 en 100 gulden en daarmee kan geconcludeerd worden dat Gerhardus een keuterboertje geweest zal zijn.

Op 16 juli 1802 geeft Gradus Gerrits de 50e penning aan ivm de aankoop van een huis staande op het land van de St. Cruijsenvicarie van Gerrit ten Cate voor het bedrag van 400 gulden (bron: register 50e penning 1802 Statenarchief Overijssel inv. nr. 6012).
Notitie bij het overlijden van Gerhardus (Gradus): aangifte van zijn overlijden wordt gedaan door de zonen Gerrit, landbouwer 29 jaar en Roelof landbouwer 32 jaar (1818).
Notitie bij Gerhardina: Gerhardina is geboren op het zogenaamde "Knievvels" erf, Oosteinde 200 (huidige nummering) Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz.114. Ik heb in de boterpachtregisters echter geen link kunnen vinden tussen dit erf en de familie Hospers. Mogelijk was het erf niet boterpachtplichtig aan de heer van Almelo?
Notitie bij de geboorte van Gerhardina: gedoopt als Gardina
Notitie bij het overlijden van Gerhardina: In de overlijdensakte staat dat ze Gerritdina heette en woonde aan het Westeinde 253 en dat ze landbouwersche van beroep was.
Notitie bij het huwelijk van Gerhardus (Gradus) en Gerhardina: gehuwd te vriezenveen

116. Jan Hendriks Pot, ged. Vriezenveen 6 maart 1737, † ald. 28 dec. 1808, tr. Vriezenveen 9 april 1768
117. Johanna Berends Smelt, ged. Vriezenveen 19 febr. 1747, † ald. 23 dec. 1808.

Notitie bij Jan Hendriks: kleermaker (bron: huwelijksakte zoon Berend in 1811), bewoonde het erf Westeinde 608 (huidige nummering), stamvader van de Vriezenveense familie Pot, die van oudsher vnl. uit ambachtslieden bestond, zoals wevers en kleermakers.
In 1760 wordt Hendrik inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 3 personen en moet hij 1 gulden betalen, dat is ca. 33 cent per persoon, dat ligt iets onder het gemiddelde van 0,39 voor het Westeinde, terwijl het dorpsgemiddelde op 41 cent ligt. Hoewel een eenvoudige ambachtsman draagt Jan Hendriks Pot en kinderen in 1801 toch 8 gulden bij voor de verbouwing van de plaatselijke kerk (bron: Archief N.H. kerk).
In 1795 bij de volkstelliing van 1795 wordt Jan Hendriks genoemd, zijnde kleermaker, gezinsomvang 7 leden.
Op 26-12-1808 maakt Jan Hendriks Pot, weduwnaar van Janna Berends Smelt zijn testament op. Hij is dan al ziek en zwak en zal 2 dagen later overlijden, zijn vrouw en zoon Jan zijn hem 2 dagen eerder al voorgegaan. Tot erfgenamen worden benoemd de zonen Hendrik, Berend en Johannes Pot. De vierde zoon Mannes Pot, gehuwd met Johanna Pleij, komt 50 gulden toe ten laste van de erfboedel, tenzij hij de legitieme portie van zijn erfdeel zou verkiezen boven de 50 gulden. Dit kleine bedrag duidt erop dat de boedel van Jan Hendriks Pot niet erg omvangrijk kan zijn geweest.
Notitie bij Johanna Berends: ook Janna genoemd

118. Mannes (ook Hermannus) Eshuis, ged. Wierden 21 okt. 1749, † ald. 11 juni 1809, tr. Wierden 7 juni 1777
119. Egberdina (ook Diena) Nijhof, ged. Wierden 31 maart 1754, † ald. 6 maart 1806.

Notitie bij Mannes (ook Hermannus): landbouwer (bron: huwelijksakte dochter Mina in 1811).
Notitie bij het overlijden van Mannes (ook Hermannus): bij overlijden staat vermeld nalatend 3 kinderen.
Notitie bij het overlijden van Egberdina (ook Diena): bij overlijden staat vermeld, nalatende 5 kinderen

120. Fredrik Hendriks Aman (dezelfde als 68), tr. Vriezenveen 20 sept. 1783
121. Kunnigje Jansen Berkhoff (dezelfde als 69).

122. Hendrik Berkhoff (dezelfde als 64), tr. Vriezenveen omstr. 1796
123. Lena Schipper (dezelfde als 65).

124. Hendrikus Fz. Aman (dezelfde als 34 in generatie VI), tr. Vriezenveen 27 mei 1815
125. Johanna Broertjen (dezelfde als 35 in generatie VI).

126. Hendrik Hof, ged. Vriezenveen 28 nov. 1773, † ald. 10 sept. 1847, tr. Vriezenveen omstr. 1800
127. Johanna (Janna) Jansen Jacobs, ged. Vriezenveen 28 nov. 1779, † ald. 4 maart 1848.

Notitie bij Hendrik: landbouwer, bewoonde de boerderij ten westen van het Onweerserf (Oosteinde nr. 345 huidige nummering), kadastrale informatie. De woning viel in 1834 in belastingklasse 6 en had een gemiddelde huurwaarde van 15 gulden, wat ongeveer het gemiddelde voor Vriezenveen was. De familie had de bijnaam de Baais.
De boerderij kwam in het bezit van de familie Hoff door het huwelijk met Janna Jacobs (Bron Ken uw dorp en heb het lief, blz. 147 ). Neemt in 1804 een akker land en enige wanden bouwland over van het oorspronkelijke goed van zijn vader (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 144).

28 november 1798 geeft Hendrik Hoff de 50e penning aan ivm de aankoop van een stukje turfland liggend op de Westerhoeve van [zijn oom] Mannes Hoff voor 45 gulden (bron: Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2668).

Uit de boedelscheiding van 1848 blijkt dat het gezin een meid en een knecht had (zie notities overlijden).
Notitie bij het overlijden van Hendrik: volgens de overlijdensakte zoon van Berend Hoff en Janna Bramer, landbouwer 75 jaar oud echtgenoot van Johanna Jacobs , woonachtig aan de 1e wijk van het Oosteinde.
Bij de notariele boedelscheiding in 1848 staat vermeld dat Hendrik Hoff en Janna Jansen 2 kinderen nalaten, te weten Jan en Janna en 3 kleinkinderen Hendrik, Cornelis en Berendina Hoff (kinderen van wijlen zoon Berend Hoff).
Janna Hoff komt toe alle roerende en onroerende goederen. Voorwaarde is wel dat ze de schulden van het echtpaar betaalt en één jaar na het overlijden van de laatste testatateur de zoons Jan en Berend (zijn kinderen) hun erfdeel te doen toekomen met de betaling van elk een som van 500 gulden. In totaal dus 1.000 gulden. Er zit een bijzondere clausule in het testament van Janna Jansen. Ze bepaalde dat als iemand de strekking van de verdeling mocht betwisten dat dan Janna Hoff (weduwe van Fredrik Aman) een vierde deel van de nalatenschap vooraf uit de boedel toekwam en elk jaar een toelage van 30 gulden, zolang zij leefde, als loon zolang ze bij haar moeder in huis woonde en na haar overlijden eveneens per jaar opeisbaar.
En Jan Hoff betwiste het testament. Hij voelde zich benadeeld. ook als vertegenwoordiger van de kinderen van broer Berend nam hij ditzelfde standpunt in.
Vanwege de onenigheid over de boedelscheiding volgt er een uitgebreide inventaris van de boedel. De inventarishouders waren: de burgemeester Gerrit Engels, Berend Hoff landbouwer en Albert Berkhoff timmerman.
A. de levende have, bouw- en stalgereedschappen, huismeubelen en beddegoederen en lijfstoebehoren, mest, hooi, stro en ongedorste zaadgewassen worden getaxeerd op 635 guldens.
B. de boerderij op het Oosteinde en tientallen percelen land (ongeveer 24 bunder= ca. 24 ha.) gezamenlijk getaxeerd op 2900 gulden. De boerderij was volgens kanttekening bezwaard met het recht van levenslange inwoning door de broer van Janna Jansen, genaamd Jan Jansen, timmerman van beroep.
-woeste- en veengronden werden op een bedrag van 510 gulden getaxeerd.
C. voordelige schulden:
300 gulden ten laste van koopman Hendrik Mokkelencate gedateerd 17-08-1847.
100 gulden huwelijksuitzet door Jan Hoff genoten en nu weer door hem in te brengen in de boedel.
100 gulden huwelijksuitzet ten gunste van wijlen Berned Hoff en nu weer in te brengen in de boedel.
Gezamenlijk een bedrag omvattende van ruim 4500 gulden.
passief (uitstaande schulden):
-Jan Jansen timmerman, 250 gulden en 50 gulden rentetegoeden = 300 gulden
-Jan Hoff Hendrikszoon, 50 gulden geleend geld
-Gerrit Ottop Boom vanwege medische kosten 58,60
-Jannes Kraijenberg voor knechtenloon 47,50
-Jenne Smelt voor meidenloon 34 gulden
-Janna Hoff wegens loon 591,40

In totaal kwam het erop neer dat Janna Hoff voor een waarde van 1732, 25 toekwam en haar broer en de kinderen van haar overleden broer elk 866,12.
Notitie bij Johanna (Janna) Jansen: ook J(oh)anna Jansensen genoemd, zij geeft met de volkstelling van 1795 het gezin van haar ouders aan voor de registratie van het gezin.
Notitie bij de geboorte van Johanna (Janna) Jansen: gedoopt als Johanna dv Jannes Jansen en Johanna Post
Notitie bij het overlijden van Johanna (Janna) Jansen: in de overlijdensakte staat vermeld: zonder beroep, oud 68 jaar weduwe van Hendrik Hoff, dochter van Jannes Jansen en Janna Post wonend aan het Oosteinde, 1e wijk.

Generatie VIII

128. Jan Berkhoff (Buten), ged. Vriezenveen 24 nov. 1726, † ald. vóór 1792, tr. Vriezenveen 18 jan. 1749
129. Kunnigje Derks Fayer, ged. Vriezenveen 30 jan. 1724, †?.

Notitie bij Jan: bewoonde het Jan Butenserf gelegen aan het Oosteinde 390 (huidige nummering).
kerkmeester in de periode 1763-1787 (bron: gemeentejaarrekeningen AHA). Gedoopt als Jan zoon van Jan Berchof en Hendrijkjen Smelt. Hij was zelf afkomstig van het pand Oosteinde 409 (aan de overzijde van de straat) en huwde zijn buurmeisje Kunnigje Fayer, die op nummer 407 woonde (uitgaande van de huidige nummering). Van beroep was Jan landbouwer, turfschipper en timmerman en mogelijk evenals zijn vader linnenkoopman (zie opmerkingen hierover bij vader Jan). De waterput uit 1784 met initialen van Jan Berkhof en Kunnigje Derks Fayer (J.B.H. en K.D.F.) was anno 2004 nog steeds te vinden aan het Oosteinde 300 te Vriezenveen.
Zowel bij het overlijden van zijn dochter Dina in 1812, als bij het overlijden van zijn dochter Janna in 1822 wordt als beroep van Jan genoemd timmerman.
Verkrijgt de helft van het erf van zijn schoonvader Derk Fayer en wordt voor het eerst in het hoofdgeldkohier van 1750 genoemd, heet dan Jan Berkhof jonge. Omstreeks 1750 zal Jan dus op zich zelf zijn gaan wonen. Broer Johannes blijft op het ouderlijke erf van vader Jan wonen, gelegen aan het Oosteinde 409. Jan Berkhoff (Buten), wordt met de hoofdelijke aanslag van 1753 voor 1 persoon belast met 1 gulden, wat erg veel is. In 1753 in het belastingregister op de reliqua (belasting op schapen, varkens en bijenkorven) wordt Jan voor het eerst met de naam Buten aangeduid, hij heeft dan 16 schapen, wat behoorlijk veel is; slechts 3 boeren op het Oosteinde kunnen zich in dat jaar eigenaar van een grotere schapenkudde noemen, waaronder ook oom Berent Jansen Berkhof, die dan 20 schapen bezit. Ook had hij nog een varken en 4 hoornbeesten (runderen ouder dan 3 jaar). NB De belasting op gehoornd vee betrof nl. koeien ouder dan 3 jaar. Hoornvee jonger dan 3 jaar is dus niet meegenomen in de belastingkohieren. Verder moest hij in 1753 belasting betalen voor meer dan een halve hectare bezaaid land. In 1760 bezat Jan zelfs 25 schapen, waarvoor hij toen bijna 2 gulden belasting moest betalen. Hij was dat jaar op één na de grootste schapenboer van Vriezenveen, alleen Berent Wype had meer schapen dat jaar, nl. 26. In later jaren moet de schaapskudde van Jan Buten, gezien het belastingbedrag dat hij moest betalen, zelfs nog groter geweest zijn.
De naam Jan Buten in het belastingregister op de reliqua uit 1753 is de eerste aanduiding voor de bijnaam Jan Butens, die zijn nazaten vandaag de dag nog steeds dragen (2004). Hij is als het ware de stamvader van de Jan Butens, zijn alias was Jan Buten en in de belastingregisters komen we hem onder die naam vaker tegen als onder de naam Berkhof. In 1760 wordt Jan Buten hoofdelijk aangeslagen voor 2 personen en moet 1,70 betalen, dat is 0,85 per persoon, terwijl het gemiddelde voor heel Vriezenveen op 0,39 lag. Hij behoorde hiermee zeker tot de meer vermogende Vriezenveners.
Het Fayerserf (Oosteinde 407] was onderdeel van het Berckhoff´s erf uit 1583 bestaande uit 10 akkers (bron: boterpachtkohieren), dat rond 1645 werd opgesplitst in twee 4-akker erven. Ook nu dus weer een opsplitsing. Jan krijgt van de 4 akkers, 2 akkers en gaat zich aan de zuidzijde van de dorpsstraat vestigen. Jan vestigde zich aanvankelijk een stuk zuidelijker van de dorpsstraat, vandaar de bijnaam "Buten". Zie Ken uw dorp en heb het lief, blz. 158). Lang heeft het erf daar niet gestaan, zo´n 35 jaar, want in 1784 bouwt hij een nieuwe boerderij, dichter bij de dorpsstraat, waar de waterput uit 1784 nog steeds van getuigt (anno 2004). Jan Buten bezat ook nog land genaamd de paterije en het land ten oosten van de Schipsloot (zie Ken uw dorp en heb het lief). In het boterpachtregister over 1753 wordt de splitsing van het erf al duidelijk. Hoewel het "Fayerserf" daarin nog aangegeven staat als één erf, wordt de betaling van de boterpacht reeds voor de helft opgebracht door de aantrouw Jan Berkhoff, die 8 pond boter betaalt en zijn zwager Jan Derksen Feyer, betaalt ook 8 pond boter. In het boterpachtkohier van 1763 staat hij aangeduid als Jan Berkhof junior, dit ter onderscheid van zijn vader, die dan dus mogelijk nog leeft. Jan Berkhof wordt nog genoemd in het kohier van dienstbodengeld (Archief Huize Almelo) van 1790, en wordt dan aangeslagen voor 1 gulden en 8 stuivers.

08-02-1773 akte van transport: aankoop van een akker turfland op het Superplus door Jan Jansen Berkhof en zijn huisvrouw voor een bedrag van 126 gulden, 11 stuivers en 8 penningen van de edele Gerrit Costers Egb.zn. [koopman te Almelo]. Het gekochte land is gelegen tussen het land van Jan Berents Hof en Henderik Berents Braemer (bron: Archief schoutambt Vriezenveen, inv,.nr. 2677).

3-5-1777 is Jan Jansen Berkhof, één van de turfschippers die de Heer van Almelo verzochten om een dam in de Hollander Graven te plaatsen, zodat het water op kon stuwen, om het transport van turf te vergemakkelijken (inv. nr. 4067 Staten archief). Het verzoek is verder ondertekend door Albert Berends Broertjen, Hendrikus Harms, Berend Hofman, Jan Koops en Jannes Vrijlink.

Als timmerman komt Jan Jansen Berkhof Buijten diverse keren voor in de jaarrekeningen van de gemeente, omdat hij diverse timmeropdrachten uitvoerde aan bruggen, de pastorie, de kerktoren etc. In 1754 repareert hij het Oostervonder en brengt hij 10 gulden en 7 stuivers in rekening. In 1764 bedraagt de rekening voor reparaties aan bruggen 25 gulden en 10 stuivers. In 1776 brengt hij een bedrag van 36,35 gulden in rekening voor reparatie van de poort van de pastorie.

20-11-1783 is Jan Berkhoff, samen met Gerrit Fredriks en Claas Claasen, voogd over de onbekwaam verklaarde Jan Faijer (gedoopt 1722) en diens onmondige dochtertje Jannetje Faijer. Jan Faijer was een neef van echtgenote Kunnigje Derks Faijer (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2678).
Notitie bij het overlijden van Jan: in het kerspellastenbelastingregister van 1792 worden genoemd, de kinderen Jan Berkhof, een teken dat Jan overleden moet zijn in dat jaar. In het register van 1791 wordt Jan nog genoemd.

130. Wolter Derks Schipper, ged. Vriezenveen 31 jan. 1734, † ald. 1779, tr. Vriezenveen 11 maart 1758
131. Jenneken Berends Berkhof, ged. Vriezenveen 3 mei 1733, † ald. na 1782.

Notitie bij Wolter Derks: Bewoonde het pand Oosteinde 251, bekend als het Keibeerndserf (blz. 114,115 Ken uw dorp en heb het lief).
Nam het erf over van zijn schoonvader Berend Jansen Berkhoff wordt in 1763 als eigenaar van het goed genoemd. Het goed was toen een 3-akkerstuk. Bij het Hoofdgeld van 1760 wordt Wolter aangeslagen voor 4 personen en moet hij 2 gulden betalen. Dat is 0,50 per persoon, en hiermee lag men boven de gemiddelde aanslag van 0,39 per persoon. In 1779 wordt genoemd de weduwe Schipper, zij krijgt een aanslag van 3 gulden voor 2 personen.
Wolter Schipper heeft waarschijnlijk en rol gespeeld in het Vriezenveens bestuur, herhaaldelijk komt in de gemeentejaarrekeningen voor (zestiger jaren van de 18e eeuw) dat Wolter betrokken was bij vaststelling van belastingregisters, in 1779 wordt met de weduwe van Wolter Schipper nog een bedrag in de gemeentejaarrekening opgenomen van 5,25 voor het beestentellen. Zoon Berent zal de functie van zijn vader op dit vlak overnemen en staat vanaf 1780 in de gemeentejaarrekening als beestenteller vermeld.

Op 12-01-1763 ontvangen Egbert Berends Berkhof en Wolter Derks Schipper van de schout Jan Dikkers 237,10 gulden, in verband met proceskosten inzake de sluis bij het Kooikershuis, die wijlen hun (schoon) vader als verwalter-schout had gemaakt en van gemeentewege had voorgeschoten (Archief Huis Weleveld, kerspel Vriezenveen, inv. nr. 2).
Notitie bij het overlijden van Wolter Derks: In 1779 wordt de weduwe Wolter Schipper genoemd in de gemeentejaarrekening, waarbij haar nog een vergoeding toekomt van het beestentellen voor de belastingvaststelling dat Wolter kennelijk dat jaar voor zijn overlijden nog heeft uitgevoerd.
Notitie bij Jenneken Berends: Bij het dienstbodengeld van 1782 nog genoemd als de weduwe Wolter Schipper.

132. Albert Berends Broertjen, ged. Vriezenveen 29 nov. 1733, † ald. na 1795, tr. Vriezenveen 24 jan. 1767
133. Janna Hendriks Hoff, ged. Vriezenveen 29 juli 1742, † ald. 19 juni 1809.26

Notitie bij Albert Berends: turfschipper en landbouwer, Oosteinde 266 (huidige nummering; bron Ken uw dorp en heb het lief, blz. 136). Kreeg bij de boedelscheiding na het overlijden van zijn vader in 1766 huis en erf toebedeeld (zie notities moeder Geertjen Smith). In 1790 in het belastingkohier voor dienstboden nog genoemd. Ook bij de volkstelling van 1795 nog genoemd als gezinshoofd van 7 personen, als beroep wordt schipper vermeld.

In de gemeentejaarrekening van 1767 staat dat Albert Broertjen een vergoeding krijgt van 2 gulden voor het gebruik van zijn 2 schuiten.

3-5-1777 is Albert Berends Broertjen één van de turfschippers die de Heer van Almelo verzochten om een dam in de Hollander Graven te plaatsen, zodat het water op kon stuwen, om het transport van turf te vergemakkelijken(inv. nr. 4067 Staten archief). Het verzoek is verder ondertekend door Jan Jansen Berkhof, Hendrikus Harms, Berend Hofman, Jan Koops en Jannes Vrijlink.
Notitie bij de geboorte van Albert Berends: gedoopt als Geertjen d.v. Albert Berendz Broertjen en Johanna Hof.
Notitie bij de geboorte van Janna Hendriks: gedoopt als Janna, maar later veelal met de naam Johanna aangeduid. gedoopt als dv Hendrijk Jansen Hof en Berendjen Jansen.

134. Berend Berends Holland, ged. Vriezenveen 14 april 1743, † ald. 19 sept. 1811, tr. Vriezenveen 30 april 1768
135. Janna Wolters Schipper, ged. Vriezenveen 12 mei 1743, †?.

Notitie bij Berend Berends: landbouwer (volgens overlijdensakte) en koopman.
Werd in het testament van zijn oom Jannes Jonker in 1761 tot enig erfgenaam verklaard, waardoor hij diens huis en landerijen in bezit kreeg, gelegen aan Oosteinde 248 (huidige nummering), was naast landbouwer, net zoals zijn vader koopman in linnen en tuinzaden.(Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 128).
Volgens het boterpachtregister van 1763 omvatte het erf 4 akkers. Bij de volkstelling van 1795 staat hij vermeld als boer en heeft het gezin 3 leden. Bij de inschrijving in 1801 voor de bijdragen van de verbouwing van de hervormde kerk staat Berend Holland ingeschreven met een donatie van 25 gulden, een fors bedrag voor die tijd.
Notitie bij de geboorte van Janna Wolters: is van een tweeling, haar tweelingbroer is Hermen.

136. Henricus Harmsen Aman, ged. Vriezenveen 19 maart 1730, † ald. vóór 1806, tr. Vriezenveen 23 april 1757
137. Hendrikje Gerrits Smelt, geb. Vriezenveen 18 april 1728, † ald. 27 aug. 1808.

Notitie bij Henricus Harmsen: landbouwer (bron: overlijdensakte zoon Fredrik 1827). Bewoonde de boerderij aan het Oosteinde 312 (huidige nummering). Zie blz. 146 Ken uw dorp en heb het lief.
Met de volkstelling van 1748 vermeld als Henricus Harmsen als kind boven 10 jaar, inwonend bij zijn ouders.
Bewoonde het ouderlijk erf. In 1760 wordt "hendrijkes harms" inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 3 personen en moet 1,70 betalen, dat is behoorlijk boven de gemiddelde afdracht van 39 cent p.p., nl. ca. 57 cent.

Henricus was zelf van heel simpele komaf. Door zijn huwelijk (of misschien ook handelsactiviteiten) steeg de familie Aman behoorlijk op de maatschappelijke en welstandsladder.
Notitie bij Hendrikje Gerrits: was in 1748 tijdens de volkstelling dienstbode bij de wed. Jan Lucas Coster.

138. J(oh)annes Berkhoff, ged. Vriezenveen 5 sept. 1728, † ald. na 20 sept. 1766, tr. 1e Vriezenveen omstr. 1752 Kunnigjen Roelofs, ged. Vriezenveen 17 jan. 1723, † ald. vóór 21 juni 1760, dr. van Roelof Willemsen (zie 400) en Aeltjen Berendsen (zie 401); tr. 2e Vriezenveen 21 juni 1760
139. Metje Jansen Tutertjen, ged. Vriezenveen 30 jan. 1735, † ald. 13 febr. 1809, tr. 2e Vriezenveen 20 sept. 1766 Jannes Albersen Weijteman, ged. Almelo, † Vriezenveen 30 jan. 1809.

Notitie bij J(oh)annes: gedoopt als naam onleesbaar ouders heten Jan Jansen Berkhof en Hendrijkjen Jansen. Wordt evenals zijn vader niet in de boterpachtkohieren vermeld. Heeft het ouderlijk erf van zijn vader overgenomen dat gelegen was aan het Oosteinde 409. In de hoofgeldkohieren vermeld als Jannes of Jans. Hierin voor het eerst genoemd in 1759, wordt dan evenals in 1760 aangeslagen voor 2 gulden (aanslag voor 3 personen) en dat was een hoog bedrag, nl. ca. 67 cent, terwijl het gemiddelde op 39 cent p.p. lag. Wordt in 1764 nog genoemd, dan als Jan, wordt dan aangeslagen voor 1 gulden en 12 stuivers. In elk geval zijn z’n boeren activiteiten kleinschaliger van omvang dan die van zijn broer Jan, die een grote schaapskudde had. Jannes blijft bij maximaal 5 schapen steken en ook z’n landbouwareaal was kleiner van omvang, als we de belastingkohieren van gezaaide landerijen mogen geloven. In 1761 heeft hij naast een varken en een paard 5 bijenkorven en heeft hij geen schapen meer, hij zal ongeveer 2 koeien hebben gehad, gezien de bedragen die hij aan koegeld (belastiing op het hoornvee) moest betalen. Hij zal andere middelen van bestaan moeten hebben gehad, misschien koopman of schipper zoals de 2e echtgenoot van Metje Jansen Tuttertjen.
Het echtpaar maakt een testament op 8-12-1759. Testator vermaakt aan zijn moeder Hendrikjen Jansen Smelt haar legitieme erfdeel. Testatrice doet hetzelfde voor haar ouders Roelof Wilms en Aaltjen Berens. De kleding van testatrice worden vermaakt aan haar moeder, tenminste als zij zonder kinderen zou komen te overlijden. Testator legateert zijn linnen en wollen kleren aan zijn broer Jan Barkhoff. verder is het een langstlevende testament. Jannes ondertekent het testament, zijn echtgenote plaatst een kruisje (bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).

Jannes wordt nog in het belastingregister van gehoornde beesten in 1767 vermeld. Het erf van Johannes wordt in 1768 volgens hetzelfde belastingregister van gehoornde beesten bewoond door een zekere Jannes Albertsen, die zich ook wel Weijteman noemde, hij was in 1766 gehuwd met de weduwe van Jannes Berkhof.

Johannes, doorgaans Jannes genoemd, wordt vermeld als getuige in een proces dat handelt om de mishandeling van Lucas Jonker door Harmen Klaassen (processtuk 8-3-1747 Archief Huize Almelo inv.nr. 2932). Jannes zegt dan omtrent 18 jaar oud te zijn.
Het erf van Johannes wordt na diens dood overgenomen door de familie Weiteman; op 20-9-1766 huwt Jannes Albersen Weiteman (volgens de volkstelling van 1795 schipper van beroep) met de weduwe van Jannes Berkhoff, Metje Tuttertjen. Vanaf dat moment doet de naam Weiteman z’n intrede op het oude Berkhof’serf. De familie Weiteman bzit het pand in elk geval nog in 1834 als in de kadastrale leggers Jan Weiteman, zoon van Jannes als eigenaar van het erf wordt genoemd.
Notitie bij de geboorte van J(oh)annes: bij doop is de moeder niet vermeld, alleen de naam van de vader Jan Jansen.
Notitie bij het overlijden van J(oh)annes: op 20-09-1766 hertrouwt de weduwe van Jannes Berkhof met Jannes Alberts Weijteman.
Notitie bij Metje Jansen: Metje maakt op 08-02-1809 haar testament op. Ze is dan zwak en ziek en zal 5 dagen later al overlijden. Tot universeel ergenaam wordt benoemd haar zoon Jan Weiteman. Ten tweede haar kinderen Janna Weiteman, Alberdina Weiteman (gehuwd met Jan Hendrik Stok) en de kinderen van haar overleden dochter Kunnigien Jansen [Berkhof] in echte verwekt door Jannes Berkhof, als erfgenamen in hun legitieme aandeel. De dochters Janna en Alberdina staat het echter ook vrij om in plaats van hun legitieme aandeel, 100 gulden ten laste van de boedel te ontvangen. Daarnaast komt Janna sowieso 100 gulden uit de boedel toe en verkrijgt zij het recht een spint lijn te mogen zaaien op de landerijen van het ouderlijk erf en ook komt (zolang ze ongetrouwd blijft) Janna volgens het testament recht op inwoning toe en zolang ze niet uit naaien gaat ook de kost. Verder krijgt ze nog de kleren uit de kast van haar moeder en het bed door haar beslapen.

140. Albert Berends Broertjen (dezelfde als 132), tr. Vriezenveen 24 jan. 1767
141. Janna Hendriks Hoff (dezelfde als 133).

Notitie bij Albert Berends: turfschipper en landbouwer, Oosteinde 266 (huidige nummering; bron Ken uw dorp en heb het lief, blz. 136). Kreeg bij de boedelscheiding na het overlijden van zijn vader in 1766 huis en erf toebedeeld (zie notities moeder Geertjen Smith). In 1790 in het belastingkohier voor dienstboden nog genoemd. Ook bij de volkstelling van 1795 nog genoemd als gezinshoofd van 7 personen, als beroep wordt schipper vermeld.

In de gemeentejaarrekening van 1767 staat dat Albert Broertjen een vergoeding krijgt van 2 gulden voor het gebruik van zijn 2 schuiten.

3-5-1777 is Albert Berends Broertjen één van de turfschippers die de Heer van Almelo verzochten om een dam in de Hollander Graven te plaatsen, zodat het water op kon stuwen, om het transport van turf te vergemakkelijken(inv. nr. 4067 Staten archief). Het verzoek is verder ondertekend door Jan Jansen Berkhof, Hendrikus Harms, Berend Hofman, Jan Koops en Jannes Vrijlink.
Notitie bij de geboorte van Albert Berends: gedoopt als Geertjen d.v. Albert Berendz Broertjen en Johanna Hof.

142. Berend Berends Holland (dezelfde als 134), tr. Vriezenveen 30 april 1768
143. Janna Wolters Schipper (dezelfde als 135).

Notitie bij Berend Berends: landbouwer (volgens overlijdensakte) en koopman.
Werd in het testament van zijn oom Jannes Jonker in 1761 tot enig erfgenaam verklaard, waardoor hij diens huis en landerijen in bezit kreeg, gelegen aan Oosteinde 248 (huidige nummering), was naast landbouwer, net zoals zijn vader koopman in linnen en tuinzaden.(Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 128).
Volgens het boterpachtregister van 1763 omvatte het erf 4 akkers. Bij de volkstelling van 1795 staat hij vermeld als boer en heeft het gezin 3 leden. Bij de inschrijving in 1801 voor de bijdragen van de verbouwing van de hervormde kerk staat Berend Holland ingeschreven met een donatie van 25 gulden, een fors bedrag voor die tijd.

144. Jasper Lucassen Onweer, ged. Vriezenveen 8 mei 1729, † ald. na 1801, tr. (ondertr. Vriezenveen 7 juli) 1754
145. Janna Derks Faijer, ged. Vriezenveen 11 juni 1730, †?.

Notitie bij Jasper Lucassen: Bewoont het Onweerserf, Oosteinde 345, huidige nummering, was in 1753 de grootste imkerboer van Vriezenveen. Hij had toen 20 bijenkorven, daarvoor moest hij toen een belasting betalen van 2 gulden, 12 stuivers en 8 penningen. Hij wordt in het dienstbodenbelastingkohier van 1790 nog genoemd en wordt dan aangeslagen voor 1 gulden en 8 stuivers.
Het is zeer aannemelijk dat Jasper de imkerij van zijn vader heeft voortgezet en zelfs uitgebreid, uitgaande van het bedrag dat Jasper in 1765 betaalde (te weten 3 gulden en 12 stuivers) zou het aantal bijenkorven zelfs 36 hebben bedragen, uitgaande van een basisbedrag van 2 stuivers per bijenkorf. Hierbij ga ik dan wel van de veronderstelling uit dat Jasper geen schapen had, want ook elk schaap kostte in 1765 2 stuivers per jaar aan belasting. In het kohier van 1765 staat niet aangegeven of de belasting nu betaald werd voor schapen, varkens of bijenkorven. Jasper zou ook nog een varken gehad kunnen hebben natuurlijk. Qua belastingbedrag op de reliqua, zoals deze belasting heette, stond Jasper in 1765 op de derde plaats. Alleen dokter Dijderijk, die zich geheel op de imkerij had toegelegd met in 1762 maar liefst 38 bijenkorven en Berent Wippe, welke laatste zowel veel schapen als bijenkorven had, betaalden in 1765 meer belasting op de reliqua, respectievelijk 4 gulden en 2 stuivers en 4 gulden en 8 stuivers (Bron archief Huize Almelo, belastingregisters reliqua).
Volgens het boterpachtregister van 1763 (vader Lucas wordt dan nog als eigenaar genoemd), omvatte het erf 4 akkers.

Op 23-11-1794 maken Jasper Lucas en Janna Derks hun testament. Het echtpaar benoemt hun kinderen: Derk en Jannes Jaspers en Jenneken en Leena Jaspers en verder het kind Gerrit van hun overleden dochter Fenneken Jaspers (gehuwd met Hendrik Broertjen) tot universeel erfgenaam.

Met de volkstelling van 1795 is hoofd van het huishouden zoon Derk Jaspers.

Leeft nog in december 1801 als hij een bijdrage levert aan de verbouwing van de Hervormde kerk van 5 gulden. (archief NH-kerk).
Notitie bij het huwelijk van Jasper Lucassen en Janna Derks: huwelijksregistratie luidt als volgt "Jasper Lukas J.M. en Z. van Lukas Jansen en Janna Derksen Faijer N.J.D. van Derk Faijer alhier.

146. Jannes Derksen Faijer, ged. Vriezenveen 10 april 1719, † ald. vóór 1790, tr. Vriezenveen 27 jan. 1748
147. Henrikjen Jansen ten Cate, ged. Vriezenveen 9 mei 1720, † ald. vóór 28 maart 1772.27

Notitie bij Jannes Derksen: landbouwer en linnenkoopman. Bewoonde het erf van zijn vader Derk Jansen Faijer (Oosteinde 407 huidige nummering). Wordt in het boterpachtregister over het jaar 1752 genoemd. Het ouderlijk erf is gesplitst tussen Jannes en zijn zwager Jan Berkhof. Jannes houdt een 2-akkergoed over. Jannes Fayer is één van de Rusluie, hij bevindt zich in 1749 te Sint Petersburg, alwaar hij aan zijn zwager Gerrit ten Cate 10 roebel uitleent en deze vervolgens later te Vriezenveen opeist. Bron: Ken uw dorp en heb het lief blz. 156.
Jannes wordt in 1753 inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 2 personen en moet 1 gulden afdragen, met 50 cent p.p. ligt hij ruim boven het gemiddelde van 39 cent. In 1760 inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 2 personen en moet hiervoor 1 gulden en 14 stuivers betalen, dat is 85 cent p.p. en daarmee ruim boven het gemiddelde van 39 cent p.p. . heeft in 1760 24 schapen en dat was erg veel. In 1780 wordt Jannes nog genoemd in het het hoofgeldregister over 1779. In 1790 in het register van het dienstbodengeld is Jannes overleden en worden genoemd "de kinderen van J. Feyer".
De veestapel bevond, evenals bij de families Berkhof aan het Oosteinde (Berent Jansen Berkhof en Jan Jansen Berkhof (Jan Buten) uit een opvallend grote schaapskudde voor Vriezenveense begrippen. Dat wil zeggen een kudde die rond de 20 schapen omvatte.
De familie moet in goede doen geweest zijn en dit zal waarschijnlijk het gevolg zijn geweest van de Russische handelsactiviteiten.

Op 20-3-1755 wordt "Jannes Derks" aangesproken voor een schuld (bedrag onvermeld) aan de linnenreders en kooplieden Jan ten Cate, Gerrit Coster en Gerrit Coster Egbzn. (inv. nr. 2965 HAA).
Op 11-04-1760 doen een aantal Almelose kooplieden een verzoek bij de Heer van Almelo om Jan Faijer ("sijn persoon en goederen") in het buitenland te mogen arresteren, ongetwijfeld vanwege uitstaande schulden. De kooplieden zijn: Jan Harmens Coster, Jan ten Cate en de erfgenamen van wijlen Egbert Costers (inv. nr. 2964 HAA). Hoewel hier de naam Jan Faijer staat vermeld, meen ik dat het om Jannes gaat. De namen Jan en Jannes zijn namelijk uitwisselbaar en van Jannes is bekend dat hij schuldeisers achter zich aan had zitten.

Zijn vermogen werd in 1751 geschat op 500 gulden en een extra 100 gulden voor tewerkgesteld personeel, dat ook als vermogen meetelde (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556).
In het kohier van 1758 wordt hij niet genoemd. Dit betekent dat het succes van de handelsactiviteiten van Jannes niet erg groot geweest kan zijn, hoewel zeker geen armoedzaaier, behoorde hij toch niet tot rijksten van het dorp. (bron: 1000e penningkohier 1759; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2559). Zijn vader had een groter vermogen gehad, zie opmerkingen vader.

transportakte 13-11-1773. Verkoop door Jannes Derksen Feijer van de Brink beginnend aan de kerkweg (= dorpsstraat) tot aan de dwarssloot, gelegen in de landerijen van wijlen Jan ten Cate (oostwaarts Jan Boom, westwaarts Frontmansland) voor 109 gulden aan Jan Gerrits (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2677).


19-06-1786 akte van transport. Verkoop door Roelof Wiechers en zoon Jan en dochter Jenneken van een akker hooi of weideland, gelegen in het "Jan ten Cateland" voor 255 gulden aan Jannes Derksen Faijer (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2678).

148. Hendrik Jansen Kosters, ged. Vriezenveen 3 mei 1722, † ald. omstr. 1783, tr. Vriezenveen 4 juli 1750
149. Fredrica Jansen, ged. Vriezenveen 4 mei 1732, † ald. na 1795.28

Notitie bij Hendrik Jansen: ook wel Costers genoemd, was van beroep landbouwer, was afkomstig van de boerderij Oosteinde 369 (huidige nummering),
Woonde aan het Oosteinde nummer 203 (huidige nummering). Op 18-12-1751 kopen Hendrik Jansen Koster en Fredrika Jansen voor 1700 car. guldens huis en erf, met 3 akkers land van de wed. van Frerick van Olde, Jenneken Berents Dodde (archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675 zie ook Ken uw dorp en heb het lief blz. 104). Volgens het boterpachtregister van 1755 was Hendrik de bezitter van 4 1/2 akker land. Moet een familie in zeer goede doen geweest zijn. In het register van de 1.000e penning van 1758 wordt Hendrik Coster aangeslagen voor een geschat vermogen van 913 gulden. In 1760 wordt Hendrik inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 3 personen en moet hiervoor het bedrag van 2 gulden betalen, dat is bijna 67 cent per persoon en uitgaande van het gemiddelde van 39 cent voor Vriezenveen kan gesteld worden dat deze familie tot de rijkere van het dorp moet hebben behoord.
In 1760 bij het hoofdgeld wordt de familie aangeslagen voor 3 personen en wordt aangeslagen voor 2 gulden, dit is bijna 0,67 p.p. en daarmee aanzienlijk boven het gemiddelde van 0,39 p.p voor heel Vriezenveen. Mogelijk was ook Hendrik, evenals zijn zoon Hermannus koopman van beroep.
Is voogd van de kinderen van zijn overleden zus Jenneken Coster (gehuwd met Jan Bramer, 1772).

Hendrik Jansen Koster en Fredrika Jansen maken op 4 augustus 1751 hun testament. Testators moeder Harmtjen Henriks Schuirman, wed. van Jan Lucas Koster, komt haar legitieme erfdeel toe. Testatrice doet hetzelfde voor haar ouders Jan Freriks en Janna Henriks Winter. Aan de armen komt 25 car. guldens toe, door de langslevende na het sterven van de eerste uit te keren. Verder is het een langstlevende testament. Beiden ondertekenen het testament met dun handtekening (archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).

Hendrik Jansen Koster treedt op 23-04-1774 op als voogd van de minderjarige zoon van Jan Bramer genaamd Hendrik Jansen Bramer, eertijds verwekt door Janneken Jansen Costers (archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2678).
Notitie bij het overlijden van Hendrik Jansen: Bij het huwelijk van zoon Hermannus in 1788 wordt deze de nagelaten zoon van Hendrik Kosters genoemd. Ook in een juridisch contract uit 1784 (3 augustus?) aangaande Fredrica en haar zoon Jan staat Fredrica vermeld als de wed. van wijlen Hendrik Coster (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2678). In januari 1783 wordt zoon Jan die in dat jaar huwt de zoon van Hendrik Koster genoemd, die dan dus nog zou moeten leven.
Notitie bij Fredrica: 3 augustus 1784 regelt ze iets met haar zoon Jan bij het schoutgericht, het handelt over het erfeel van zoon Jan (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2678).

150. Berent Engberts Olijslager Smit, ged. Vriezenveen 30 mei 1726, † ald. na 1795, tr. Vriezenveen 19 juni 1756
151. Geertjen Gerrits Smelt, ged. Vriezenveen 12 jan. 1727, †?.

Notitie bij Berent Engberts: smid en olieslager van beroep. Zowel met de naam Olijslager als Smit aangeduid. Woonde in de buurt van Westeinde 96 (huidige nummering). Had een oliemolen, een molen, aangedreven door paarden die raap- en lijnolie produceerde. Omdat de windrechten bij de heer van Almelo lagen en betaling hiervan probeerde men zoveel mogelijk te ontlopen. Vandaar dat de molen door paarden werd aangedreven. Werd in 1760 inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 4 personen en moet 1,90 betalen (0,48 p.p.), ruim boven het gemiddelde van 0,39 p.p van dat jaar en voor het Westeinde lag dit bedrag zelfs gemiddeld nog lager n.l. op 0,37 p.p.

Vader Engbert Smit wordt in het kohier van de 1.000e penning van 1751 genoemd met een vermogen van 1300 gulden. In 1758 wordt zoon Berent Engb. Smit vermeld met een geschat vermogen van 2702 gulden. Het vermogen in de familie is dus in korte tijd behoorlijk gegroeid.

De oliemolen echter was in slechte staat. In 1785 wendt het bestuur van kerkmeesters en setienen van Vriezenveen zich tot de Heer van Almelo om zich over de bouwvallige en brandgevaarlijke staat van de molen te beklagen. Turf en andere brandbare stoffen lagen opgeslagen bij de oven waar de zaden gedroogd werden en ’s-morgens en ’s-avonds ging Berent met een brandende olielamp over de stal naar zijn molen die meest met stro was bedekt en vast aan zijn woning gebouwd was. verder waren er klachten dat de uitgeperste zaadolie van slechte kwaliteit was en ook ging het verhaal dat Berend het zaad van Vriezenveners liet liggen omdat van vreemdelingen met voorrang te behandelen die daarvoor ook nog eens minder hoefden te betalen namelijk 6 in plaats van 8 stuivers per schepel zaad. (bron: AHA inv. nr. 1766).

Maakt op 30-07-1793 zijn testament. Berent Engberts Smit vermaakt de oliemolen, huis, landerijen en inboedel aan dochter Gerhardina Berens Smit en haar man Hendk. Boesschen mits aan Mannes Coster en zijn vrouw uit voornoemde goederen 1200 gulden worden betaald door Hendrik Boesschen. Verder worden tot universeel erfgenaam benoemd: voor de helft de dochter van Hendrik Boesschen en Gerhardina Smit, genaamd Johanna Boesschen en de andere helft dochter Frederika Berents Smit, gehuwd aan Mannes Coster. Het gaat hierbij om waardepapieren, de kleding en alle goud en zilver. De familie was dus zeker in goede doen (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2680).

Op 17-3-1757 wordt in de archieven van Wierden genoemd Berend Smit Olyslager te Vriezenveen dit ivm met een eerdere lening van zijn vader Engbert Smit Olyslager (d.d. 19-6-1730) aan Gerrit Smit en Henrikjen Abrahams, die dan het hypothecaire onderpand (een dagwerk hooiland gelegen in de Haar marke onder Wierden) in eigendom verkrijgt. Kennelijk heeft de lener de schuld niet volledig afgelost.
(Bron: RA Overijssel; Gericht Kedingen inv. nr. 3).

Akte 30 juli 1793…draagt Berent Engberts Smit zijn kleren, zilver en goud over aan zijn dochter Frederika Berends Smit getrouwd aan
Mannes Coster (boekjes Jonker archief Vereniging Oud Vriezenveen XV,34).
Notitie bij het overlijden van Berent Engberts: Berent Engberts wordt nog genoemd met de volkstelling van 1795. Hij geeft dan de gezinssamenstelling aan. Als gezinshoofd staat vermeld Hendrik Boesschen. Op de lijst van geldgevers voor de verbouwing van de kerk uit 1801 komt Berent Engberts Smit niet meer voor. Hij zal dan waarschijnlijk zijn overleden.
Notitie bij de geboorte van Geertjen Gerrits: geboorteregistratie van Geertjen luidt als volgt: "de moeder Jennegjen Jansen Berkhof weduwe van wijlen Gerrith Jansen Smelt dewelke omtrend een halve dag voor ’s kinds geboorte overleden is"

152. Johannes Webbink (ook Klumper), ged. Almelo 8 nov. 1747, † Tubbergen (Reutum) 27 mei 1818, tr. Zenderen () vóór 177929
153. Janna Hinneveld,24 ged. Almelo 4 april 1756, † Borne.

Notitie bij Johannes: ook wel Jannes. Johannes wordt voor het eerst in 1783 met de naam Webbink aangeduid bij de doop van dochter Maria.

In de huwelijksakte van zoon Hendrik in 1819 wordt als alias Klumpers vermeld bij de naam van vader Jannes Webben, een mogelijke aanwijzing dat hij klompenmaker geweest zou kunnen zijn.

In de huwelijkse bijlagen van de huwelijksregistratie van dochter Geesken op 01-05-1828 te Blankeham wordt door getuigen (Jan Abbink wever oud 66 jaar, Hendrik Nieuwenhuis wever oud 69 jaar, Gerrit Nieuwenhuis wever oud 77 jaar, Hermannus Vollen broekwever oud 52 jaar) verklaard dat Jannes Webbink (vader van Geesken) de echtgenoot was van Janna Hinneveld en de zoon van Hendrik Webbink en Aleida Mensink. In leven zouden allen landbouwers zijn geweest en allen overleden te Borne voor meer dan 25 jaar.
Janna Hinneveld zou, nog steeds volgens voornoemde personen de dochter zijn van Derk Hinneveld en Grietjen Mulders. De getuigen verklaren voornoemde ouders en grootouders zeer wel gekend te hebben! De verklaring werd opgemaakt op 2 april 1828 te Borne voor Christiaan Landman openbaar notaris van het kanton Delden.

Echter in de huwelijkse bijlagen van dochter Berendina (huwelijk 06-11-1828 te Borne) staat een verklaring van (deels) dezelfde getuigen met een geheel andere verklaring, opgemaakt voor dezelfde notaris Lantman op 3 oktober 1828 (haast precies een half jaar later!). De getuigen Hendrik Nieuwenhuis wever 70 jaar, Gerrit Nieuwenhuis zonder beroep 78 jaar, Grades Hermsen zonder beroep 77 jaar, Hendrik Musebeldt wever 59 jaar, verklaren dat de echtgenote van Jannes Webbink (vader van Berendina) Janna Hinneveld was. Men verklaart ouders en grootouders goed gekend te hebben die meer dan 23 jaar geleden zijn overleden te Borne. Tot zover stemt de verklaring nog (redelijk) overeen. Maar dan..... De ouders van Jannes zouden zijn: Jan Webbink en Jenne Weustink en de ouders van Janna Hinneveld, Jan Hinneveld en Fenneken Weustink. In leven zouden allen landbouwers zijn geweest en allen overleden te Borne. En natuurlijk alle getuigen hebben deze ouders en grootouders "zeer wel gekend"!
Opmerkelijk zo’n verschil in verklaring van (deels) dezelfde personen.

En dan is daar ook nog de overlijdensakte van Hendrik Webbink in Vriezenveen, waarin hij de zoon heet te zijn van Jannes Webben en Johanna Getkate. Overigens bij zijn huwelijk in 1819 heet hij eveneens de zoon van Jannes Webben en Janna Hinneveld te zijn, dus in overeenstemming met voornoemde verklaringen. De eerste verklaring in de huwelijkse bijlagen (april 1828) lijkt voor wat betreft de informatie over de ouders en de grootouders Hinneveld het meest betrouwbaar. Derk Hinneveld als grootvader lijkt te kloppen en Grietje kun je met een beetje fantasie nog herleiden tot Margriet en dan naar Maria. De naam Mulders is echter nieuw en is mogelijk onjuist. Veel personen in Twente hadden echter diverse familienamen. In elk geval is voor de info van de Hinnevelds uit de eerste verklaring meer bewijs in de archieven te vinden. De naam Weustink is voor Borne en Almelo (zoekmachine Twents streekarchief) niet echt relevant en lijkt een slag in de lucht geweest te zijn. De echtgenote van Jan Hendrik Webbink heet echter niet Aleida Mensink (volgens de eerste verklaring), maar volgens informatie van de huwelijksregistratie van de Gereformeerde Kerk (lees NH) te Almelo, Hendriene Eulderink, ook nogal afwijkend dus. De enige conclusie lijkt te zijn dat grootouderinformatie in de huwelijkse bijlagen niet al te serieus moeten worden genomen. Check de info zelf in andere bronnen lijkt de boodschap te zijn, maar houdt daarbij wel in gedachten dat het in Twente gebruikelijk was dat een persoon met meerdere familienamen in het leven kon staan.
Notitie bij het overlijden van Johannes: overleden als Jannes Klumpers oud 75 jaar landbouwer, echtgenoot van wijlen Janna Nebbink, geboren te Almelo zv Gerrit Klumpers en Geertrui Klumpers beiden overleden te Almelo. Overleden in het huis van zijn schoonzoon te Reutum. NB De informatie in de overlijdensakte is deels onjuist. De vader is niet Gerrit, maar Jan Hendrik. Op de leeftijd valt ook wel wat af te dingen. De naam Nebbink is ook apart, ik ben de naam niet eerder tegengekomen. Het is ook geen naam die in Almelo voorkomt. (met dank voor deze aanwijzing aan Robert Einhaus, e-mail 2011).
Notitie bij Janna: volgens André Idzinga dochter van Hendrik Getkate en Geesken Spenkelink
ik ben de naam Getkate bij deze persoon uitsluitend in de overlijdensakte van zoon Hendrik te Vriezenveen in 1840 tegengekomen. Dit lijkt een abuis. Elders wordt ze namelijk altijd Hinneveld genoemd, oa. bij huwelijk Hendrik in 1819 en doop van haar kinderen te Borne). Ik ga er van uit dat ze de dochter is van Derk Alberts van het Hinveld. De naamsvernoemingen van de kinderen sluiten mooi aan bij Derk Alberts van het Hinveld en Maria Stevens. Het tweede kind heet namelijk Derk (geb.1782) en het derde Maria (geb. 1783) !
Zie notities bij echtgenoot Johannes over de voorouderproblematiek bij beide personen.
Notitie bij de geboorte van Janna: volgens André Idzinga is Janna Hinseveld de dochter van Hendrik ten Getcate en geesken Spenkelink en geboren in 1751, echter er is ookeen tweede dochter Janna van dit echtpaar gedoopt op 15-01-1758 (eerste 25-04-1751). Daarom lijkt het aannemelijker dat de eerste dochter in 1758 zal zijn overleden), als de ouderlink überhaupt klopt.
Ik ga er namelijk van uit dat Janna van het Hinvelt de dochter is van Derk Alberts (van het Hinveld) en Maria Stevens Meijer. (de vernoemingen van de kinderen van Jannes Webbink en Janna Hinveld) passen ook mooi in deze lijn (het tweede(?) kind (gedoopt 1782 in Zenderen) heet namelijk Derk en het derde(?) (gedoopt 1783 in Zenderen) Maria!
helaas is er van dit echtpaar geen huwelijksregistratie te achterhalen. Het huwelijk zal waarschijnlijk in Borne hebben plaatsgevonden (huwelijksregistraties van deze plaats ontbreken echter voor de NH kerk in deze periode).

154. Geerlig Gerrits van het Schuttenhuis, ged. Almelo 14 juni 1739, † Vriezenveen (?), tr. (ondertr. Almelo 3 nov.) 1764
155. Hermientje (Hermina) Lucassen Schot, ged. Vriezenveen 13 febr. 1729, † ald. 31 jan. 1817.

Notitie bij Geerlig Gerrits: Bij zijn doop Geerdelich genoemd, verder ook wel Geerlink of Geerlig genoemd. Met de volkstelling van 1748 staat hij als Gerrit te boek.

Is in 1766 een hoofdgetuige in en proces dat gaat over de breedte van schuiten die moeilijk onder de brug zouden kunnen varen waarbij met bijlen stukken van de palen van de brug zouden zijn afgehakt om de doorvaart mogelijk te maken. Geerlig ook eigenaar van een schuit, die niet zo breed was, ging in juli 1766 (2 weken of ruim 2 weken voor 31 juli 1766) met zijn boot naar de "woeste veenen" om hooi en gemaaid gras te halen en deze naar Vriezenveen te brengen. In de stukken van het proces wordt hij ook wel Schutten Geerlig genoemd, dat zal zijn naam zijn geweest in het dagelijkse leven. (HAA inv. nr. 3045).

In het vuurstedengeldregister van 1782 staat hij als Schot Geerlink te boek. Hij zal het erf van zijn schoonvader hebben bewoond.
Notitie bij de geboorte van Geerlig Gerrits: bij doop genoemd Geerdelick zv Gerrit Schuten en Janna Brouwers, ik vermoed dat Geerlich vernoemd is na de eerste vrouw van Gerrit Alberts van den Krommendijk genaamd Grietje Smit (bij haar eerste huwelijk in 1722 Margriete Gerrits genoemd).
Notitie bij de geboorte van Hermientje (Hermina) Lucassen: gedoopt als Hermientje dochter van Lucas Jansen en Vennegjen Herms.
Notitie bij het overlijden van Hermientje (Hermina) Lucassen: overleden aan het Oosteinde nr. 4 in de ouderdom van 92 jaar, zonder beroep en weduwe van Geerlink van het Schuttenhuis.

Getuigen zijn: Albert Berkhof oud 54 jaar en tapper van beroep en Hendrik Companje, oud 40 jaar en smid van beroep.
Notitie bij het huwelijk van Geerlig Gerrits en Hermientje (Hermina) Lucassen: ondertrouw Almelo 3-11-1764 Geerling wordt in Almelo genoemd nagelaten zoon van Gerrit van het Schuttenhuis van Almelo.
Miena Schot wordt genoemd dochter van Lucas Schot jonge dochter te Vriezenveen. Er staat vermeld dat ze op 23-11-1764 met attestatie naar Vriezenveen zijn vertrokken.

In Vriezenveen is de huwelijksregistratie op 17-11-1764 als volgt: Geerlick van het Schuttenhuis onder Almelo NZ van Gerrit van het Schuttenhuis en Mientjen Lucassen dv Lucas Jansen den 9 novem ingeschreven

156. Klaas Jansen (ook Berents), ged. Vriezenveen 10 dec. 1724, † ald. vóór 1775, tr. Vriezenveen 6 sept. 1755
157. Janna Lukassen Schoemaker, ged. Vriezenveen 3 nov. 1726, † ald. na 1779.

Notitie bij Klaas: Klaas Jansen is moeilijk te traceren in de archieven. Hij is waarschijnlijk geen boer geweest. In de boterpachtregisters kan ik hem niet achterhalen. In het hoofdggeldkohier van 1760 komen in elk geval 2 personen met de naam Klaas Jansen voor (1 x Oosteinde, 1 x Westeinde).
Gezien de huwelijken van de kinderen, die met partners afkomstig van het Westeinde trouwen (Jan Claassen met Janna Harms Pley; Lucas Klaassen met Johanna Schipper en Jenneken Klaassen met Jasper ten Cate) ligt het voor de hand Klaas Jansen op het Westeinde te zoeken.

Echter nog in 1748 in het Volkstellingsregister, nog in het hoofdgeldkohier van 1752 is Klaas Jansen te vinden. Dat maakt het extra gecompliceerd.
De mogelijke oplossing werd gevonden in de belastingkohieren op het geslagt. In de kohieren van 1758 en 1759 van het geslagt wordt genoemd Jan Berens Klaas, ofwel Klaas Jansen zoon van Jan Berens. Deze informatie stemt overeen met de trouwregistratiegegevens uit 1755 waar Klaas Jansen de nagelaten zoon heet te zijn van Jan Berens. Vanaf 1750 (1751 en 1752) staat op hetzelfde erf de wed. Jan Berents als hoofdbewoonster vermeld. Mogelijk was Klaas met de volkstelling van 1748 buiten Vriezenveen werkzaam, anders had hij als zoon genoemd moeten zijn op het erf van zijn ouders en dat is niet het geval.

Het pand van Klaas Jansen moet gelegen hebben in de buurt van Westeinde 500 op het erf van het zogenaamde Olde Scholsland.

Klaas wordt in 1758 inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 3 personen en moet 14 stuivers betalen, dus 70 cent. Dat is ca.23 cent p.p. en daarmee behoorlijk onder het dorpsgemiddelde. In vermoed dat Klaas een ambachtsman is geweest, mogelijk wever of zoiets dergelijks. Claas Jansen wordt nog in het hoofdgeldkohier van 1779/1780 genoemd. Deze informatie is echter gedateerd, want al in het belastingkohier van de reliqua van 1775 en het geslacht van hetzelfde jaar wordt genoemd de wed. Klaas Jansen.

Met de volkstelling van 1795 zien we op deze lokatie zoon Jan Klaassen genoemd, deze is inderdaad wever van beroep (volgens André Idzinga gehuwd met Janna Harms Pleij), het gezin telde toen 4 gezinsleden, mogelijk leeft de moeder dan dus nog, aangezien het eerste kind van Klaas in 1795 is geboren. Ook de familie Pleij bestond trouwens voornamelijk uit wevers. Dus zoon Jan zal het erf hebben overgenomen. In 1801 met de verbouwing van de Hervormde Kerk schrijft deze zoon zich in voor een bijdrage van 2 gulden en 4 stuivers.
Volgens het archief Jonker/Jansen is een zekere Jan Berends Olde die op het Scholsland woonde de vader van Klaas, ik ben deze naam niet tegengekomen. Wel is het zo dat Klaas Jansen zijn huis en erf op het Oude Scholland heeft en is het zo dat hij het "Scholthuis" zal hebben bewoond (bron: verpondingskohier van 1723 in combinatie met het hoofdgeldkohier van dat jaar). De belastingaanslag is vrijwel nihil. Het moet een arme familie zijn geweest.
Notitie bij de geboorte van Klaas: gedoopt als Claes zoon van Jaen Berends en Jenneken Janz
Notitie bij het overlijden van Klaas: in het belastingkohier van de reliqua van 1775 en het geslacht van hetzelfde jaar wordt genoemd de wed. Klaas Jansen. In het belastingkohier van het geslacht van de jaren 1773 en 1774 komt Klaas onder de naam Berents voor. In het jaar 1776 is de naam verdwenen en wordt de naam Jan Gerrits en later de wed. Jan Gerrits vermeld.
Notitie bij Janna Lukassen: 14-11-1778 schuldverklaring: Janna Luicas, wed. van Claes Jansen verklaart schuldig te zijn aan:
-haar broer Berend Luicas Schoemaker 417 gulden vanwege ten genoegen van haar betaalde rekeningen.
-Luicas Derksen 123 gulden.
-de wed. van wijlen Jan Evertmans.........
Tesamen (?) een schuld van 600 gulden.
Ze verhypothiceert daarvoor haar land en huis gelegen op het Olde Scholland (gelegen in het Westeinde), 5 wand bouwland gelegen op het Sijmesland en een akker land beginnen vanaf de dorpsstraat tot aan de Oudeweg, 1/2 akker Hoevenland op de Westerhoeven

september 1780 transportakte: verkoop door Berent Luicas [Schoemaker] en Berent ten Cate (gedoopt 1744 zoon van Bernardus ten Cate en Swenneken Lamberts) als voogden van de minderjarige kinderen van wijlen Claas Jansen en huisvrouw Janna Luicas Schoemaaker het huis met een goorden van 300 roeden op het Scholsland, gelegen tussen het erf van de wed. Jan Gerritsen (oostwaarts) en Sijmesland (westwaarts). Jan Egbers Pleij is voor 330 gulden de koper van het pand. Ook gaat een stuk land, gelegen tussen het Olde Scholsland en het land van Jan Leeders, voor 120 gulden van de hand aan Gerrit Gerritsen Keep en voor 90 gulden wordt een stuk land verkocht aan broer Berent Luicas Schoemaaker. Voor 60 gulden wordt nog een stuk grond van de hand gedaan aan Albert Harms (bron: archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2678)..
Notitie bij het overlijden van Janna Lukassen: nog in het belastingkohier op het geslacht van 1779 vermeld.
Notitie bij het huwelijk van Klaas en Janna Lukassen: bij het huwelijk heet Jan Klaassen de nagelaten zoon van Jan Berends te zijn en Janna Lukassen de J.D. van Lukas Jansen, beide alhier.

158. Jan Derks Schipper, ged. Vriezenveen 30 aug. 1744, † ald. vóór 1795, tr. (ondertr. Vriezenveen 9 april) 1768
159. Jenneken Prinsen, geb. Vriezenveen 1739, † ald. omstr. 1804.

Notitie bij Jan Derks: koopman en landbouwer; bewoonde de boerderij het Westeinde 158 (huidige nummering). Was met de volkstelling van 1795 al overleden. Dan wordt genoemd, de weduwe Schipper, boerin, gezinshoofd van 4 personen.

Op 7 oktober 1766 verklaren Jan Hendrik Prinsen en Jenneken Prinsen 850 gulden schuldig te zijn aan de koopman Jan ten Cate te Almelo, vanwege aan Jan Hendrik Prinsen geleverde en verkochte linnens en geleend geld. Volgens een kanttekening werd de schuld op 8 maart 1771 door Jan Schipper en Jenneken Prinsen afgelost (bron: archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2677).

Op 08-03-1771 verkoopt Jan Hendrik Prinsen zijn huis, halve schuur en de helft van 2 akkers land aan zijn zuster Jenneken Prinsen en haar echtgenoot Jan Schipper. De koop omvat aan land 1 akker die al gemeenschappelijk eigendom is met zijn zuster Jenneken Prinsen en een halve akker en een half vierendeel (=1/8 akker) bovenwegsland op het Fluit Hermsland, van wijlen zijn vader Jannes Prinsen en moeder Henderikje Jansen Smit, die thanss nog in leven is, aangekocht op de 26e oktober 1765. De verkoopsom bedraagt 450 gulden; verder wordt ook de inboedel door jenneken gekocht voor een bedrag van 400 gulden, zodat het totaalbedrag op 850 gulden komt. Er was wel een beding, namelijk dat "de verkooper in het huis zal hebben een stede bij den heert, ligt en brant vrij, eene bequame slaepplaetse", verder komt hem zoveel ruimte toe als hij nodig heeft voor zijn spullen, zolang hij ongetrouwd blijft en verder komt hem nog toe een koe, de middelste ketel, een half dozijn hemden, een bed met toebehoren, 4 tinnen borden (telders), verder zal hij door de kopers bij ziekte worden ondersteund.
(bron: archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2677).

Op een lijst van kerkgiften (ca. 1776-1778 ) voor de nieuw te bouwen kerk staat Jan Schipper vermeld met een behoorlijke donatie van 42 gulden. Op 23 februari 1781 staat op een verantwoording mbt diezelfde lijst van giften vermeld dat Jan Schipper op reis was. Dit duidt erop dat hij mogelijk koopman was. Het winterseizoen was het seizoen van de kramers die met linnen en/of tuinzaden op pad gingen (AHA inv. nr. 3526).
Notitie bij het overlijden van Jan Derks: nog genoemd in diverse belastingregisters van 1792, oa vuurstedengeldregister.
Notitie bij Jenneken: Met de volkstelling van 1795 vermeld als hoofd van het gezin: wed. Jan Schipper, gezinsgrootte 4 personen
In 1801 op de intekenlijst van bijdragen voor de verbouwing van de Nederlands Hervormde Kerk tekent Jenneken Prinsen, die dan nog leeft, en draagt 5 gulden bij. Zij wordt genoemd de schoonmoeder van Lucas Klaassen.
Op 11-8-1804 maakt Jenneken Prinsen, als de wed. van Jan Schipper haar testament. Als haar erfgenamen worden genoemd:
- dochter Johanna Schipper, echtgenote van Lucas Klaassen wordt als enig universeel erfgenaam genoemd.
- dochter Lena Schipper, gehuwd met Wicher Berkhof komt een uitstaande lening van 500 gulden toe en de helft van haar kleren en lijftoebehoren.
Notitie bij de geboorte van Jenneken: doop niet traceerbaar, maar genoemd met de volkstelling van 1748. Ze is dan jonger dan 10. Aangezien het jaar 1739 in de doopregisters ontbreekt, ga ik ervan uit dat ze in dat jaar gedoopt is.
Notitie bij het overlijden van Jenneken: maakt haar testament op op 11aug. 1804 ten huize van Lukas Klaassen. Tot universeel en enig erfgenaam benoemt ze haar dochter Janna Schipper, gehuwd met Lukas Klaassen.
Verder legateert ze aan Lena Schipper, gehuwd met Wicher Berkhof een som van 500 gulden en de helft van haar kleding en lijfsgoederen.
Notitie bij het huwelijk van Jan Derks en Jenneken: huwelijksregistratie luidt `Jan Schipper N.Z. van Derk Schipper en Jenneken Prinsen N.D. van Jannes Prinsen beijde alhier`

160. Jan Teunis, ged. Vriezenveen 30 juli 1702, † ald. na 1753, tr. 2e (ondertr. Vriezenveen 7 juli) 174830 Swaentjen Gerrits, ged. Vriezenveen 12 febr. 1708, †?, dr. van Gerrit Jansen de Kerre (zie 912) en Jennegjen Herms (zie 913); tr. 1e Wierden 9 juni 1725
161. Aaltje Gerritsen, ged. Wierden 23 juli 1699, †?.

Notitie bij Jan: zie notities bij Teunis Jansen, had een erf aan het Westeinde voorbij de kerk richting het westen (bron: verpondingsregister 1734).
In het verpondingsregister van 1723 is Jan nog niet te vinden op deze lokatie.
Notitie bij Aaltje: zie notities bij Teunis Jansen

162. Berend Lucassen Camp, geb. omstr. 1687, † Vriezenveen omstr. 1762, tr. omstr. 1712
163. Aeltien Jansen, geb. omstr. 1687, † na 1748.

Notitie bij Berend Lucassen: (NB niet traceerbaar in de boterpachtregisters van Vriezenveen). Het erf was gelegen in de buurt van de kerk aan het Westeinde (Ken uw dorp etc. blz. 24). Het erf komt in de kerkelijke ontvangstboeken voor als een kerkelijk eigendom. In 1879 moet voor dit erf door Jan Teunis 17,42 worden betaald. Het erf wordt dan aangeduid als het "Kampberendserf" naar Berend Camp.

Woonde in´t Allee bij de kerk en de Middenschool. Herman Jansen schrijft hierover in ken uw dorp en heb het lief (blz.24). "de boerderij is zeker 250 jaar in het bezit van de familie Teunis geweest. Begin 1700 woonde er Berend Gerrits. Een dochter van deze Aaltje, trouwde met Berent Camp en deze woonde in 1748 op de boerderij. En het was deze Berent Camp, die aan de familie de naam Campberents bezorgde. Een dochter van deze Berent Camp, Janna geheten, trouwde met Teunis Jansen, deze bleven op de boerderij wonen."

er is een doop van dochter Janna te vinden d.v. Berent Lucassen en Aaltjen Jansen op 11-1-1718, bij de volkstelling van 1748 heet de moeder echter Aaltje Gerritsen. Of zij identiek zijn blijft gissen. Misschien een verschrijving bij de volkstelling? Als we Herman Jansen in Ken uw dorp en heb het lief mogen geloven zou ze eigenlijk Aaltje Berends hebben geheten (immers dochter van Berent Gerrits). De informatie is dus wat warrig en niet éénduidig.

André Idzinga gaat er van uit dat Lucas Berendsen Camp de vader is van Berend.
Ik ben het patroniem Lucassen alleen tegengekomen bij de dopen van de kinderen, als aangenomen wordt dat Aeltien Jansen de moeder is.

In het hoofdgeldkohier wordt Berend genoemd "berrent kamp" (1753) en "Camberent" (1760).
In 1753 wordt Berend aangeslagen voor 4 personen (dochter Janna is inmiddels getrouwd met Jan Teunis die inwonend is) en moet 1,15 betalen, nog geen 30 cent p.p. en daarmee behoorde deze familie mogelijk tot de lagere sociale klasse. In 1760 (1 van de oudjes zal dan zijn overleden) wordt het gezin voor 70 cent aangeslagen een nog lager bedrag per persoon. Mogelijk ook wordt de lagere aanslag veroorzaakt door het feit dat het erf niet in eigen bezit was, maar gepacht werd van de kerk, waardoor het vermogen van de familie Kamp automatisch lager lag en daarmee ook de aanslag van het hoofdgeld (?).
In het register van de 1.000e penning van 1751 staat Berent niet vermeld. Dit betekent dat Berent toch tot de lagere sociale klassen zal hebben behoord.


Voert werkzaamheden (als timmerman?) uit in opdracht van de gemeente aan bijvoorbeeld kerk en school. Komt als zodanig voor het laatst voor in de gemeentejaarrekening van 1762. Wordt dan voor 5 dagen werk als Kampberent vermeld met een vergoeding hiervoor van 3 gulden, dat wil zeggen 12 stuivers per dag, het normale dagloon in die tijd.
Nog genoemd in de gemeentejaarrekening van 1761. Later (vanaf 1762) doet zijn schoonzoon Teunis Jansen dit.

De naam Kamp of Camp is mogelijk afkomstig van Almelo, waar het zogenaamde Kampserf tegen Bornerbroek aan lag.
Notitie bij het overlijden van Berend Lucassen: nog genoemd in de gemeentejaarrekening van 1761. Voert klusjes uit voor de gemeente bv aan de kerk. Later (vanaf 1762) doet zijn schoonzoon Teunis Jansen dit.
Notitie bij Aeltien: Herman Jansen stelt in Ken uw dorp etc. dat
ze Aaltje Berends zou heten. De gegevens van de volkstelling van 1748 wijzen
echter anders uit, nl. Aeltien Gerritsen. Mogelijk is de door Herman Jansen genoemde Berend Gerritsen
haar broer en niet haar vader. André Idzinga daarentegen stelt dat ze Aaltje Jansen zou heten (!?).
(zie ook notities echtgenoot en J(oh)anna Berends Camp).

164. Lambert Waanders, geb. omstr. 1685, † Vriezenveen na 1760, tr. (ondertr. Wierden 13 juni) 1706
165. Maria Egberts Spijcker, geb. omstr. 1685, † Vriezenveen na 25 mei 1725.

Notitie bij Lambert: in 1733 kastelein van beroep (blijkt uit Archief Huize Almelo stuk nr. 2957 en koopman in linnen (bron: archief Schambt Vr.veen inv. nr,23). Bewoonde het erf aan het Oosteinde nummer 116/120 (huidige nummering). Het erf werd gebouwd op de landerijen van Lucas Hermsen Hospers.
Wordt niet in de boterpachtregisters genoemd, bewoonde het Marriënerf (zie blz. 86 Ken uw dorp en heb het lief). Leefde nog tijdens de volkstelling van 1748, woonde bij zijn zoon Egbert Lamberts in.

10-06-1717 verklaren Lambert Waanders en zijn echtgenote Maria Egberts, 425 car. guldens schuldig te zijn aan de Almelose koopman Berend Schimmelpennink en zijn echtgenote Elisabeth Kosters. Onderpand is hun huis gelegen aan het Oosteinde (westwaarts Rutger Berents en oostwaarts de wed. Berend Claassen, liggende in de landerijen van Lucas Harmsen Hospis)(bron: Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674).
-In 1720 spreekt Berend Schimmelpenninck Lambert Waanders en Maria Spijkers aan vanwege een intrestschuld van 37 guldens 2 stuivers en 8 penningen vanwege een lening van 425 gulden en tevens vanwege 33 ellen (= ca. 23 meter) geleverd wit linnen, 19 stuivers per el, maakt een schuld van 68 gulden 9 stuivers en 8 penningen (bron: Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 23).

Volgens een schuldverklaring van 20 mei 1718 was het echtpaar Lambert Waanders en Maria Egberts Spijker 53 gulden schuldig aan Berend Brouwer vanwege huishuur, gedane verteringen en geleverde waren. Om deze schuld te innen doet Berend Brouwer op 30 november 1720 aanspraak op de mobiele goederen van het echtpaar waaronder een weefgetouw, potten, bedden, kisten en kasten (bron: Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 23).

25-5-1727 kopen Lambert Waanders en Maria Egberts Spijcker een "bouwgoorden" voor 145 Caroli guldens van Rutger Berends (voor zich zelf) en Jan Berends Hoffman en Jan Gerritsen als de mombers (= voogden) van de onmondige kinderen van hun overleden moeder Grietien Klaassen. Het land is belast met 3 stuivers "in ijder verpondinge" en 9 penningen "elcker schattinge". Mogelijk is dit de aankoop van het perceel, waar later de winkel van de familie Teunis is gevestigd (Oosteinde 116-120 huidige nummering). De reden voor deze veronderstelling is gelegen in het feit dat Rutger Berends en Jan Berends Hofman (ook wel Hofjan genoemd) in de buurt van het latere Teuniserf woonden.

Op 29-09-1732 probeert de schout Claas Cruijs vergeefs door verpanding een schuld te vereffenen inzake tabaksaccijns, Lambert Waanders en zijn echtgenote Maria bedreigden de schout en zijn assistent Bartelink met een hooivork en ander gereedschap die hierop onverrichter zake naar huis keerden en van de zaak verslag deden aan de Heer van Almelo. Ongetwijfeld zal dit Lambert een forse boete opgeleverd hebben. Bron: breukregister (AHA inv. nr. 3241).

Op zondag 1 augustus 1734 ontstaat er een ruzie voor het huis van Lambert Waanders, op de weg van de weduwe Lucas Hospers, alwaar Lambert Waanders en Henrikus Henriksen aan het kegelen waren geweest waarbij ze ruzie hadden gekregen. Vader Lambert Waanders was naar buiten gekomen en had Henrikus Henriksen aan de haren getrokken om deze van zijn zoon Egbert af te krijgen. Beiden lagen namelijk vechtend op de grond. Zoon Albert was daarbij uit huis komen sluipen en had Henrikus slinks een vuiststoot in z’n gezicht gegeven, waarbij deze achter over was gevallen met een heftig bloedend gezicht en neus. Bron: breukregister (AHA inv. nr. 3241).

15-8-1742 koopt Lambert Wanders een want bouwland in Court Geritsland voor 47 Ceijser guldens van Albert Joncker en IJenneken Lücassen, het is een niet officieel opgemaakt document.

20-11-1747 koopt Lambert Waanders van Gerrijt Fronten en Berent Frericks, mombaren (vertegenwoordigers) van de onmondige kinderen van wijlen Hendrik Hoek het agterpart van het soo genaemde Kurt Garritsland gelegen aan dedesen nieuwe kerkweg oock behoorende Albert Lamberts voorts sijn behouwde (bouwsels?) en seven boomen en het holtgewas daar op staende, oostwaarts Gerrijt Lucas Coster en westwaarts de wed. Frerik van Olde voor 77 guldens.... (bron akten uit de nalatenschap van Johannes Teunis (Marriën), overleden 10-2-1973 te Almelo: in de 70ger jaren overgedragen aan museum Oud Vriezenveen).

In 1737 wordt Lambert inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 4 personen. De aanslag bedraagt 1,60 en met 40 cent p.p. is dit een aanslag die iets beneden het gemiddelde voor het Oosteinde ligt in dat jaar (nl. 46 cent p.p.).

Ook in 1753 wordt Lambert in het hoofdgeldkohier nog genoemd, naast zijn zoon Egbert die ook afzonderlijk wordt genoemd. Lambert wordt dan slechts aangeslagen voor 10 cent. Een erg laag bedrag.

Akte van transport 13-12-1760 betreft verkoop door Lambert Waanders van een achtste part van het zogenaamde Kurt Garritsland voor 80 car. guldens aan Frerick Klaassen de Jonge. (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).
Notitie bij de geboorte van Lambert: geboortejaar afgeleid uit een verslag van een gerechterlijk vooronderzoek uit het jaar 1747 (Archief Huize Almelo inv. nr. 2932), daarbij treedt Lambert Waanders als getuige op en als zijn leeftijd wordt dan vermeld 62 jaar.
Notitie bij Maria Egberts: (bewoonde het Marriënerve, van haar stamt vermoedelijk de bijnaam Marriën die haar nakomelingen op dit erf droegen, Ken uw dorp en heb het lief blz. 86)
Op 25 mei 1727 kopen Lambert Waanders en Maria Egberts Spijcker een "boonen goorden voor 145 caroli gulden gelegen aan de waterleijdick, van Rutger Berends voor sigh selff en van Jan Berendsen Hoffman en Jan Gerritsen als mombaeren over de drie onmondige kinderen van hun overledene moeder Grietien Klaassen". Ondertekenaars van de acte zijn Rutger Berends als verkoper en Jan Berens Hoff en Jan Gerrits als mombaeren. Allen ondertekenen met een kruisje. (bron acte uit de nalatenschap van Johannes Teunis (Marriën), overleden 10-2-1973 te Almelo: in de 70ger jaren overgedragen aan museum Oud Vriezenveen).
Notitie bij het huwelijk van Lambert en Maria Egberts: de ondertrouwregistratie luidt als volgt: "13 jun sijn alhier met attestatie des kerken reets aenmgecomen en gecopuleert. lambert Warners soone van Warner Herms en J.M: en Marie Egberts Spijker N.D. van Egbert Spijker beide op het Vrieseveen".

166. Gerrit Herms Spijcker (ook Klijster), geb. omstr. 1690, † Vriezenveen na 1757, tr. 2e Vriezenveen omstr. 171931 Hendrikje Jansen, ged. Vriezenveen omstr. 1690, † ald. na 1748,32 dr. van Jan Claassen Olde; tr. 1e omstr. 1715
167. Eefse Berends, geb. omstr. 1690, † Vriezenveen omstr. 1718, tr. 1e Gerrit Braamhaar, geb. Vriezenveen omstr. 1685, † ald. vóór 1715.

Notitie bij Gerrit Herms: Bewoonde en erf op het puntje van het Westeinde, in de buurt van nr. 560 (huidige nummering). Waard (herbergier), mogelijk samen met zijn broer Lambert die ook waard was. Met de volkstelling van 1748 wonen de gezinnen echter een aardig eindje uit elkaar op het Westeinde. Eerder, zo rond 1720, komt Gerrit Hermsen Klijster voor in het boterpachtregister aan het Oosteinde (in de buurt van nummer 100-150). Het kleine akkertje land dat hij vanaf ca. 1719 bezat kwam waarschijnlijk uit de boedel van zijn 1e vrouws ouders (Eefse Berends). In het verpondingsregsiter van 1723 staat "Garrit Harms" nog vermeld aan het Oosteinde, echter in het verpondingsregister van 1734 staat hij als "klijster gerriet" aan het puntje van het Westeinde vermeld. Hij moet dus tussen 1723 en 1734 zijn verhuisd.

Met de volkstelling van 1748 staat het echtpaar Gerrit Spijker en Henderikje Jansen genoemd, inwonend zijn dan Harmen Spijker en schoondochter Aeltien Derksen [Smit].
In het hoofdgeldregister van 1753 wordt "garryt Spyker" genoemd, hij wordt aangeslagen voor 4 personen en moet 1,50 betalen. ca. 38 cent p.p. en daarmee ongeveer gemiddeld (39 cent p.p.). In 1760 staat zoon Hermen Spieker in het hoofgeldregister genoemd, hij wordt dan aangeslagen voor 3 personen. Vader Gerrit zal dan zijn overleden. De aanslag bedraagt dan 1 gulden.

In het register van de 1.000e penning staat Gerrit vermeld met een geschat vermogen van 100 gulden. Dat was weinig.

Of Gerrit evenals kleinzoon Gerrit Meijer (die tijdens de volkstelling in 1795 dit erf bewoonde) ook smid was blijft in nevelen gehuld. Voor hetzeldde geld is het smidsberoep afkomstig van de schoonfamilie van Harmen Aeltien Derksen (ook wel Smit genoemd !). Maar in het boterpachtregister wordt Gerrit Spijker in elk geval niet genoemd wat duidt op een ambachtelijk beroep.

Volgens het archief Jansen/Jonker is Gerrit Herms Spijker de zoon van Hermen Clijster of Klijster en Geesje Jansen.

Op 11-10-1721 daagt de koopman Jan Waanders uit Almelo Gerrit Herms Klijster voor het gericht vanwege een achterstallige schuld van 23 gulden en 6 stuivers vanwege geleverde winkelwaren en linnen (bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr.23).

In 1721 speelt er voor het schoutengericht een zaak over 2 obligaties die uit 1690 dateren en waarvoor Gerrit Herms en Berend Leussink, beide schoonzoons van Jan Claassen Olde die de obligaties heeft ondertekend, worden aangesproken door Jan Jansen Geerts, volmachtiger van zijn zwager Derk Engberts en zijn zwagerse Jennigje Gerritsen wed. van wijlen Jan Gerritsen Grave (bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr.23)

Op 25-05-1726 verklaren Gerrit Herms Klijster en zijn echtgenote Hendrikje Jansen 242 gulden schuldig te zijn aan Claas Cruis en Geertje Lucas Schol. Hiertoe verhypothiceren ze land en erf, oa ook een gaarden gelegen achter de Spijckersgaarden!(bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr.2674).

6 juli 1726 Jan Gerrits de Ruijter doet verpanding op de goederen van Gerrit Harmsen Klijster vanwege schulden (bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr.25 foto 294).

Volgens het breukregister beklaagt Gerrit Klijster zich op 28 juli 1731 bij de schout dat hij getuige is geweest van een ruzie tussen Arent Doode en Hinnenvents zoon Janman. Ook op 25 september 1731 beklaagt Gerrit zich bij de schout over een ruzie in zijn huis.
Op 31 mei 1733 beklaagt Gerrit Harms Cliester zich bij de schout over een ruzie in zijn kroeg. Hierbij staat vermeld dat hij waard was (bron: AHA inv.nr. 3241). Op 12-11-1742 staat hij als Gerrit Spiker in het breukregister genoemd als de aangever van een ruzie in zijn huis tussen Hindrik Quant en Egbert Berents (bron: AHA inv.nr. 3242).

In 1737 wordt Gerrit Harmsen Klijster aangeklaagd voor het ontvreemden van stro van het dak van het afgebroken huis van Fluitjans. Gerrit beweerde echter het stro voor 10 stuivers gekocht te hebben van de vorige bewoonster (HAA inv.3211 nr. 034).
Notitie bij het overlijden van Gerrit Herms: Op 25-01-1757 wordt Gerrit Harms Spijker nog genoemd in het breukregister in verband met een ruzie in zijn woning, waarbij Jan Gerritsen Vleege het middelpunt schijnt geweest te zijn. veel anderen waren bij de ruzie betrokken (bron: AHA inv. nr. 3242).
Notitie bij Eefse: betaalt een deel van de boterpacht in 1719. Na 1719 komt de boterpacht van het voormalige erf van Berent Frerix Schoemaker (gelegen aan het Westeinde 260) op naam van Gerrit Hermse Klijster aan het Oosteinde (in de buurt van nr. 130).
Notitie bij de geboorte van Eefse: Eefse Berends isl volgens mij de dochter uit het tweede huwelijk van Berent Frerix Schoemaker met Hendrikjen Fronten; het was een veel voorkomend gebruik de eerdere echtgenote na een overlijden te vernoemen. Hoewel dat niet altijd gebeurde denk ik dat dat hier wel zo is. Anderzijds is het wel zo dat de dochter van Eefse Berends ook Eefse heet en dat zou er ook op kunnen duiden dat zij vernoemd is naar haar grootmoeder Eefse Jansen. In dat geval is de moeder van Eefse dus niet Hendrikjen Fronten, maar Eefse Jansen. Voor beide opties valt wel iets te zeggen.

168. Jan Coerts Bom, ged. Wierden 11 okt. 1722, † Almelo (?) na 1773,33 tr. Vriezenveen 9 sept. 1742
169. Geertje Jansen Bom, ged. Vriezenveen 25 nov. 1708,34 † Almelo (?) na 1764.

Notitie bij Jan Coerts: Heeft de naam Bom van zijn vrouw overgenomen, trouwde bij haar in. Wordt voor het eerst in het hoofdgeldkohier van 1745 vermeld. Wordt ook wel met de familienaam Bom aangesproken.
Woonde aan het Westeinde 85 (huidige nummering) in de buurt van de kerk.

De familie had in 1751 volgens het register van de 1.000e penning (Statenarchief inv. nr. 5656) een schamel vermogen van 100 gulden. Ook een zekere Jan Hendriks Bom (alias Voskamp), die naast de familie woonde en ook wel de familienaam Bom en/of Boom droeg en gehuwd was met Swenneken Bom, wordt op een vermogen van 100 gulden ingeschat. Er was sprake van dubbele bewoning van het pand, zie ook Ken uw dorp en heb het lief, blz. 185).
Jan Coerts woonde in 1766 te Almelo (dit staat vermeld in de trouwakte bij huwelijk van zijn zoon).

Op 15-07-1758 akte van transport: Jan Koersen en Geertje Jansen Bom kochten een gaarden, gelegen in het Jan Doddenland. deze koop heeft in 1756 plaatsgevonden.
(Bron: Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

akte van transport 11-05-1764 verkoop door Waander Wichers en Jenneken Harwig een halve akker hooiland aan Jan Koers en Geertjen Jansen Bom voor 132 car. guldens (bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676)

akte van transport 06-10-1764 verkoop door Hermannus Gerrits en Janna van Olde van een koeweide, door hen aangekocht van Jan en Lambertus ten Caate, gelegen in het Albert Raphuisland, aan Jan Koers en Geertjen Jansen Bom voor 90 car. guldens (bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676)
Notitie bij het huwelijk van Jan Coerts en Geertje Jansen: in het huwelijksregister van Almnelo staat vermeld getrouwd in Vriezenveen met attestatie van Vriezenveen. Jan Koertsen geboren te Wierden, wonende te Almelo en Geertje Jansen nagelaten dochter van Jan Harmense van Vriezenveen.

170. Gerrit Hendriks ten Cate (Roskammer), ged. Vriezenveen 11 okt. 1715, † ald. vóór 1760, tr. omstr. 1737
171. Aeltien Jansen Dodde, ged. Vriezenveen 23 aug. 1705, † ald. na 1760.

Notitie bij Gerrit Hendriks: kocht in 1736 van een familielid het zogenaamde Drostenerve, Westeinde 458 (huidige nummering). het was een tweeakkerstuk. (Bron: Ken uw dorp etc. blz.237). daarnaast bezat Gerrit ook nog 1/4 akkere woestenland (Bron boterpoachtregister van ca. 1735). In het dagelijks leven stond hij bekend onder de naam Roskammer. Dit blijkt uit de toevoeging in het boterpachtregister, waar o.a.in 1735 staat "vulgo Roskammer". Een roskammer is iemand die het haar van de paarden kamt. Ook in andere jaren staat hij in de boterpachtregisters aangeduid als Roskammer. In het boterpachtregister van 1763 wordt Gerrit ten Cate of Roskammer nog genoemd, terwijl hij toen, gezien de informatie van de hoofdgeldkohieren, toch overleden moet zijn.

Tijdens de volkstelling van 1748 heeft het gezin 4 kinderen onder de 10 jaar, te weten, Hendrik, Jan, Aeltjen en Jenneken.
In het hoofdgeldkohier van 1753 wordt "garryt ten kaete" aangeslagen voor 85 cent (2 personen), dat is ruim 42 cent p.p. (gemiddeld in Vriezenveen dat jaar was 39 cent p.p.).
In 1760 wordt de weduwe van Gerrit inzake het hoofdgeld voor 2 personen aangeslagen en dan bedraagt de belasting 90 cent. Met 45 cent p.p. ligt het gezin boven het gemiddelde van 39 cent per Vriezenvener.

In het register op de 1.000e penning van 1751 wordt het vermogen van Gerrit ten Cate geschat op 200 gulden (eerst stond er 600 gulden, maar dat is doorgehaald). Daarmee was zijn vermogen toch aardig gekrompen, want in hetzelfde register van 1739 staat hij nog voor 500 gulden te boek.

Op 04-03-1741 verkopen Garrit ten Cate en Aeltjen Jansen Dodde een halve akker woestenland, gelegen op de Westerwoesten voor 140 car. guldens aan Hendrik Evertman en Geesje Jansen Smid (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).

Op 19-09-1744 verkopen Gerrit ten Caate en Aaltjen Jansen Dodde een aantal stukken land voor 226 car. guldens aan Jan Jansen Graaff en huisvrouw.(bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).

Op 30-07-1757 verklaren Gerrit Hendriks ten Caate en Aaltjen Jansen Dodde een som van 600 car. guldens geleend te hebben van Willem Gerrits van Dijck en zijn huisvrouw.(bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).

172. Jan Roelofs Schuurman, geb. omstr. 1670, † Vriezenveen vóór 1735, tr. Vriezenveen omstr. 1702
173. Trientje Derks Scholten, geb. omstr. 1675, † Vriezenveen na 1712, tr. 1e Vriezenveen 5 maart 1699 Wolter Hendriks Crol, geb. Vriezenveen omstr. 1665, † Vriezenveen (?) omstr. 1700, zn. van Hendrik Aelberts Crull (Schults) (zie 4042) en Aaltje Crols (zie 4043) en wedr. van Geertjen Jaspers.

Notitie bij Jan Roelofs: Wordt in 1734 nog in het boterpachtregister over 1733 genoemd. Woont op dezelfde lokatie als later zijn zoon Egbert aan het Westeinde (in de buurt van nummer 380). Heeft 4 1/2 akker land. Wordt vanaf 1704 in de boterpachtregisters vermeld als opvolger van zijn vader Roelof Hendrix Schuurman.

Op 16-07-1707 kopen Jan Roelofs Schuirman en Trintjen Derks 2 akkers land, beginnend aan de Waterleidijk tot aan de dijk van Jan Roelofs Broer (bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr.2673).

174. Hendrik Arendsen Hupsen, ged. Vriezenveen 3 mei 1716, † ald. omstr. 1789, tr.
175. Grietjen Harmsen Schothorst, ged. Vriezenveen 16 okt. 1701, †?.

Notitie bij Hendrik Arendsen: landbouwer Oosteinde 246-248 (huidige nummering) (beroep genoemd bij overlijden dochter Hermine in 1811).
wordt echter niet in de boterpachtregisters genoemd. Hij zal waarschijnlijk eerder landarbeider zijn geweest. In 1753 in het hoofdgeldkohier heet hij "den Hopken" en wordt hij aangeslagen voor een klein bedrag van 4 (stuivers?). Na 1753 staat hij niet meer in het hoofdgeldkohier op deze locatie genoemd. Mogelijk was hij te arm om nog genoemd te worden. Ook in het belastingregister op het geslacht wordt hij niet genoemd (1738-1741), dan wel niet aangeslagen, evenals trouwens zijn arme broers Koobus (Koop) en Claas, die in hetzelfde buurtje wonen. In het belastingregister op het geslacht staat hij vermeld als "het hupse".
Het huis(je) dat het gezin bewoonde zal van vader (Arent Nip) zijn geweest, hij staat in het verpondings en contributie belastingregister uit 1723 op ongeveer dezelfde locatie vermeld als later Hendrik Arentsen Hupsen.
Herman Jansen schrijft over de Hupsen in Ken uw dorp en heb het lief, blz.129. Wie deze de Hupsen eigenlijk was, waar hij vandaan kwam en waar deze familie is gebleven konden wij niet opsporen. De familie is later weer van het dorp verdwenen. In 1789 werd het huis gekocht door Albert Jansen Majoor. (overigens was deze Albert Majoor een schoonzoon van Henrik Arentsen Hupsen, hij trouwde 29-3-1783 met Harmina Hendriks d.v. Hendrik Arends). (NB de koopakte uit 1789 kan mogelijk meer duidelijkheid verschaffen (!) over de familierelatie met Jenneken Hendriks, getrouwd met Egbert Schuurman.] De naam Hendrik gecombineerd met Arend komt bovendien ook in de familie Schuurman voor.

176. Jannes Berends Holland(er), ged. Vriezenveen 6 juni 1729, † na 1795, tr. 1e Vriezenveen 23 juli 1753 Janna Jansen Grobben, ged. Vriezenveen 15 april 1731, † ald. vóór 1762; tr. 2e 24 april 1762
177. Hendrikjen Wolters Koster, ged. Vriezenveen 24 mei 1733, † ald. na 1802.

Notitie bij Jannes Berends: landbouwer. Bewoonde het erf Westeinde 348 (huidige nummering) welk erf hij door zijn huwelijk met Janna Grobben had verworven (Zie Ken uw dorp en heb het lief, blz. 218). Het erf bestaat uit 2 1/2 akker (boterpachtregister 1763). In 1737 is het erf eigendom van Otto Jansen. Dit is de stiefvader van Janna Grobben. Het erf kwam oorspronkelijk van deze stieffamilie, in 1729 is de vader van Otto Jansen, genaamd Jan Otten eigenaar van het erf. Wordt bij de volkstelling van 1795 als gezinshoofd genoemd van 4 personen, is geregistreerd als daghuurder (arbeider)van beroep. Het erf wordt in 1802 verkocht door de weduwe Jannes Holland aan de familie Nollen.

Jannes wordt in het hoofdgeldkohier van 1760 aangeslagen voor 3 personen en moet hiervoor 1,50 betalen, dat is 50 cent per persoon en dat is boven het gemiddelde van 0,39 per persoon in Vriezenveen.

In het register van de 1.000e penning van 1758 wordt het vermogen van Jannes geschat op 600 gulden.

-Op 20-12-1755 verkopen Jannes Berends [Holland] en Janna Jansen [Grobben] een halve akker hooiland, beginnend bij de Oudeweg tot aan de Aa (of dijk) voor 150 car. guldens aan Jannes Lukas.
-Op 28-12-1755 wordt een transportacte opgemaakt van een eerder plaatsgevonden (10-03-1754?) verkoop voor 200 car. guldens van 2 dagwerk hooiland aan Jennigjen Hendriks wed. van Berent Smelt.
(bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675)


-25-07-1767 schuldverklaring voor de som van 375 car. guldens van Jannes Berents Hollander en Henderikjen Wolters aan schout Jan Hend. Dikkers vanwege achterstallige landsmiddelen, geleend geld alsmede vanwege geleverde bieren.(bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2677)
-02-10-1773 schuldverklaring van Jannes Berents Hollander en Henderikjen Wolters aan Jan de Graeff 250 gulden, henderik Arentsen 250 gulden en Gerrit Bramer 250 gulden (bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2677).

178. Albert Jansen Scheeper, ged. Vriezenveen 24 jan. 1717, † ald. omstr. 1790, tr. 1e Aaltje Jansen, † Vriezenveen vóór 1753; tr. 2e Vriezenveen 16 febr. 1762
179. Stientjen Hendriks Coes, ged. Vriezenveen 11 jan. 1733, † ald. na 1775.

Notitie bij Albert Jansen: Heeft een erf ergens in het midden van het Oosteinde (in de buurt van nummer 251). Dit erf heeft hij van zijn vader overgenomen. In het boterpachtregister van 1763 genoemd als Albert Jansen Scheeper. Heeft 1 1/2 akker land volgens het boterpachtregister. Komt in de belastingkohieren met name onder de naam Jansen voor. Wordt in het hoofdgeldkohier van 1752 genoemd en wordt dan aangeslagen voor 3 personen en moet 1,25 betalen. Dit is bijna 0,42 per persoon. Daarmee betaalde hij iets meer dan de gemiddelde Vriezenvener (0,39). In het register van de 1.000e penning uit 1751 wordt Albert Jansen Scheeper aangeslagen voor een vermogen van 600 gulden en nog een aanvullende toeslag voor personeel van 100 gulden.
In 1760 wordt Albert eveneens voor 3 personen aangeslagen, dan is de aanslag echter 1,50 en met 0,50 per persoon ligt de aanslag behoorlijk boven het gemiddelde van 0,39 p.p. in dat jaar voor Vriezenveen. Albert Jansen wordt nog genoemd in het dienstbodengeldkohier van 1790, wordt dan echter niet aangeslagen. Zal rond dat jaar ook zijn overleden. In het volkstellingregister van 1795 kom ik hem niet meer tegen. Wordt in het volkstellingregister van 1748 genoemd als enig thuiswonend kind van Jan Ueben en Grietjen Jansen.

-20-01-1791 transportakte verkoop door de voogden van de minderjarige kinderen van Albert Jansen Scheeper (Gerrit Hospes en Albert Harmsen), Jan Otten Holland en echtgenote Aaltien Albers verkopen landerijen van wijlen Albert Jansen Scheeper voor 526 gulden aan Jan Fikkert en zijn echtgenote [Geertjen Berkhof]. (archief schoutambt Vriezenveen inv.nr. 2680).
-20-01-1791 transportakte verkoop halve huis van wijlen Albert Jansen Scheeper aan Albert Jansen voor 185 gulden.
(archief schoutambt Vriezenveen inv.nr. 2680).
-Akte van transport 02-02-1795 aankoop voor 558 gulden door Gerrit Geerlinks van het [andere halve?] huis van wijlen Albert Jansen Scheper met de halve bank en 5 wand bouwland exclusief 5 bomen, die Jan Coster toebehoren. De verkoop geschiedt door de voogden van de minderjarige kinderen van wijlen Albert Jansen Scheper en Jan Otten Hollend en zijn vrouw Aaltje Alberts Scheper (bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2680).

register 50e penning (Statenarchief Overijssel inv. nr. 2668):
-09-05-1794 verkoop van twee gaardens door de mombaren over de kinderen van wijlen Albert Jansen Scheeper aan Lucas Jansen voor 53 gulden.
-10-05-1794 verkoop van een half huis met landerijen door de mombaren van wijlen Albert Jansen Scheeper aan Gerrit Geerlinks voor 558 gulden.
-15-05-1794 verkoop van een gaarden door de mombaren van de kinderen van wijlen Albert Jansen Scheeper aan Albert Jansen voor 30 gulden.
Notitie bij Stientjen Hendriks: bij het huwelijk wordt vermeld dat ze (Stientje Hendriks) van alhier is (dwz Vriezenveen)
is een onwettig kind, bij de doop staat vermeld: Moeder Hendrijkjen Berents. "Sijnde dit haer tweede onegte kint. Haer vader Berent Otten heeft als getuijge gestaen." In 1748 is ze onder de naam Stijntjen Coes dienstbode bij het echtpaar Henr. Arentsen en Geertruijt Cruis. Stientje trouwt onder de naam Hendriks en haar vader wordt in de huwelijksregistratie doodgezwegen, datzelfde gebeurt bij zuster Woltertje (ook onecht kind) , ook zij huwt onder de naam Hendriks en ook hier wordt de vader verzwegen (huwelijk 15-9-1753).Zuster Woltertje (eveneens een onwettig kind) is bij de volkstelling van 1748 in betrekking als dienstbode bij een voorname familie (Jan Gerritsen Bramer).
André Idzinga schrijft over de hele affaire het volgende:" De oudst bekende bewoner van de Peddemorsboederij is ene Berent Gerrijtsen Kuijper. Hij zal omstreeks 1682 de boerderij betrokken hebben, na zijn huwelijk met de Vriezenveense Aaltjen Janssen Scholten."
Omstreeks 1721 huwt hun dochter Jenneken met Wolter Hans van Uijtert. Het huwelijk wordt rijkelijk gezegend met 8 kinderen, maar voor Wolter blijft het daar niet bij. Hij speelt veelvuldig overspel en krijgt nog eens 3 kinderen bij zijn aangehuwde nicht Henrikjen Otten en ook nog een dochter bij de meid Metjen Hendriks.
Henrikjen Otten wordt in 1736 wegens ’ergerlijk leven en vleselijck conversatien sedert verscheijde jaren herwaarts met seckere getrouwde mans gepleegt’ voor het leven uit de Heerlijkheid Almelo en de provincie Overijssel verbannen. Er zijn diverse stukken over haar in het archief van Huize Almelo te vinden.
Notitie bij het huwelijk van Albert Jansen en Stientjen Hendriks: Albert Jansen huwt als weduwnaar van Aeltjen Jansen met Stientjen Hendriks.

180. Berend Engberts, ged. Vriezenveen 19 juli 1720, † ald. vóór 1779, tr. Vriezenveen 31 aug. 1754
181. Fennigje Gerrits Costers, ged. Vriezenveen 12 maart 1723, † ald. na 18 april 1794.35

Notitie bij Berend: Berend bewoont het ouderlijk erf inde buurt van het Oosteinde 85 (huidige nummering), waar zijn zoon in 1800 een pand koopt, (zie notities zoon Engbert).
Het erf omvatte volgens het boterpachtregister van 1764 4 1/2 akkers, een aardige omvang voor die tijd.

Inzake het hoofdgeld wordt Berend in 1760 aangeslagen voor 3 personen en moet hij 1,40 betalen, een meer dan gemiddeld bedrag (dat lag in 1760 op 39 cent p.p.). Inzake het register van de 1.000e penning uit 1758 wordt het vermogen van Berend gesteld op 713 gulden (inv. nr. 2559 Statenarchief).

In 1779 is hij overleden, want dan wordt in het hoofdgeldkohier de weduwe B. Engbers vermeld.

op 4 mei 1765 verkopen de erfgenamen van de weduwe van Jan Gerritsen Smelt, met name Jan Jonkman, Berent Engbers, Hindrikjen Gerrits Smelt en Jan Roelofsen, mede voor de overige kinderen en erfgenamen van de weduwe Jan Gerritsen Smelt een halve akker hooiland gelegen in het Eubenland voor 140 guldens aan Lukas Derks (bron: archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2676). Dit kan er op duiden dat de moeder Hendrikje Jansen eigenlijk Smelt moet hebben geheten van haar familienaam en een dochter moet zijn geweest van deze Jan Gerritsen Smelt.
Notitie bij Fennigje Gerrits: Fennigje wordt nog vermeld in het dienstbodengeldkohier van 1782 als de weduwe B.Engbers.
Notitie bij het overlijden van Fennigje Gerrits: Op 18-04-1794 wordt ze genoemd Fennigje Koster de moeder van Johannes Barends wonend te Vriezenveen, bij de ondertrouw van zoon Gerrit te Amsterdam in 1806 is ze overleden.

182. Jan Jansen, ged. Vriezenveen 10 jan. 1723, † ald. 1752, tr. Vriezenveen omstr. 1751
183. Janna Jansen Jonkman (ook Jongman), ged. Vriezenveen 15 jan. 1730, † ald. na 1784, tr. 2e Vriezenveen 13 jan. 1758 Gerrit Gerritsen Fleege, geb. omstr. 1730, † Vriezenveen omstr. 1764, zn. van Gerrit Jansen Fleege (Fluge, Vlege, Vleege) en Geesjen Jansen Smelt.

Notitie bij Jan: mogelijk tijdens de volkstelling van 1748 identiek aan de hulp op de boerderij van de wed. Jan Berkhof. Dit was een buurvrouw van de familie Jonkman.
Jan Jansen sterft al jeugdig en maakt al op 22-5-1752 zijn testament op. Hij is dan " enigszins swack van lichaam".
Hij stelt dat zijn vader een legitieme portie krijgt als hij zonder kinderen komt te overlijden, dit was niet het geval, want in december wordt dochter Janna gedoopt, het is een testament op de langstlevende. Janna’s ouders genaamd Jan Jansen Jonkman en Jenneken Jansen Smelt komt hun legitieme erfdeel toe. Testator doet hetzelfde voor zijn vader Jan Freriks. De armen worden bedacht met 20 guldens. Door de langstlevende uit te keren na het overlijden van de eerste der huwelijkspartners. Beiden ondertekenen het testament met hun handtekening. (zie archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).
Notitie bij de geboorte van Janna Jansen: gedoopt als Janna dv Jan Jansen Jongman en Jenneken Jansen.
Notitie bij het overlijden van Janna Jansen: de weduwe Gerrit Gerrits wordt nog genoemd in het vuurstedengeldregister van 1784, in 1785 staat vermeld [schoonzoon] Engbert Berends.

184. Pieter Peters, ged. Oosterwolde (Frl.) 5 okt. 1727, † ald. vóór 6 mei 1786, tr. omstr. 1754
185. Trientje Jelkes van Eyck, geb. Rottevalle (Frl.) 22 febr. 1734, ged. Oosterwolde (Frl.) 6 mei 1774, † Marssum (Frl.) 16 nov. 1809.

Notitie bij Pieter: Ook wel Peter Peters. Te Oosterwolde koopman, winkelier (hij wordt als winkelier genoemd in de overlijdensacte van zijn zoon Wieger van Eyck in 1820 te Joure, deze was notaris en Ontvanger der Directe Belastingen).


Op 14 maart 1769 is Peter Peters 100 car. guldens schuldig aan de Execut. J. Schurer, waarvan hij 42 guldens direct betaalt en 58 guldens binnen 6 weken moet betalen op straffe van betaling van onkosten (bron: recesboek Oostellingwerf).

In de hypotheekkohieren van Oostellingwerf komt Pieter Pieters een aantal keren voor. Zo is er een overzicht van crediteuren (schuldeisers) op 20-3-1773, hij staat vermeld als "Coopman" te Oosterwolde. Hij is geld verschuldigd aan 9 personen, meest kooplieden in de omgeving, Gorredijk, Heerenveen en Drachten; het gaat om een heel bedrag, nl. zo´n 1500 guldens. Waarschijnlijk waren het kooplieden die winkelwaren aan Pieter Pieters hadden geleverd. Of hij hierdoor in de problemen is gekomen, wie zal het zeggen.

Pieter Pieters verklaart schuldig te zijn aan de diaconie van Oosterwolde 4 car. guldens landhuurpacht voor de jaren 1776 en 1777 (bron: recesboeken Oostellingwerf). Verder valt in de recesboeken te lezen dat een zekere Rinsjen Jans te Makkinga eist dat Pieter Pieters het door hem gehuurde hooiland verlaat met ingang van petri 1778.

Op 12-3-1778 moet het echtpaar 175 car. guldens geld tegn 4 % rente lenen van hun zoon "Wijcher Pieters van Eijk", die dan " klerk van de Hoog edele A. van Boelensraadt in den Hove van Frieslandt" is, ongetwijfeld te Leeuwarden. Pieter Pieters ondertekent de schuldverklaring met zijn handtekening en Trientje met een kruisje. (NB de naam Pieter en Peter wordt in de schuldverklaring door elkaar gebruikt).
Op 6-5-1786 om 12 uur tekent Trientje Jelkes met een kruisje een nieuwe schuldbekentenis aan haar zoon, Wycher van Eyck. Het gaat dan om 175 caroli gulden, welke bedoeld zijn o.a. "ter betalinge der doodschulden van mijn wijlen man" -het betreft hier 60 caroli gulden- en een bedrag van 60 caroli gulden ter aflossing van achterstallige huur aan de heer Gosinjet.

Aanvankelijk dacht ik dat Pieter een zoon was van Pieter Jannes, meester timmerman en Pietertje Wiegers. Een doopdatum voor Pieter bij dit echtpaar is echter niet te vinden, terwijl er toch diverse kinderdopen van dit echtpaar bekend zijn (Johannes 1722, Wijger 1723, Jantje 1724, Teunis 1726, Jan 1730, Egbert 1733, Otte 1735 en 1737, Jantijn 1739 en Echbert 1743). Oene Wagenaar uit Mildam attendeerde me (mail 21-09-2007) op het ouderpaar Pieter Claeses en Martje Pieters, deze hadden wel een zoon Pieter en bovendien was ook Pieter Claeses, evenals zoon Pieter Pieters koopman, dus ook op dat punt zijn er overeenkomsten. Bovendien neemt Pieter Peters het pand over dat eerder door Peter Claas werd bewoond. Tenminste deze conclusie kan uit de belastingregisters worden getrokken. Daarom heb ik mijn gegevens inzake de voorouders van Pieter Pieters aangepast, met dank aan Oene Wagenaar.

Pieter Pieters (of Peter Peters) wordt genoemd in de reële belastingkohieren van Oostellingwerf vanaf 1768. In 1767 wordt de wed. Peter Claas (zijn moeder) nog genoemd als huurster op belastingnummer 23. Het pand ("huis en enig land") werd in 1766 nog verhuurd aan Peter Claas. Het huurbedrag bedraagt in deze tijd 24 gulden. Het belastingbedrag (5e penning, afgeleid van de huurwaarde) bedroeg dienovereenkomstig 4 gulden 7 stuivers en 4 penningen. Eigenaar van het pand waren de erven Jan Holtrup. Uit de recesboeken van Oosttellingwerf blijkt dat Pieter Pieters op 21-01-1777 gerechterlijk gedwongen werd door (nieuwe eigenaar?) Eijt Hinkes om zijn woning te verlaten (of is er nog een tweede Pieter Pieters in deze tijd?). Of dit verband hield met huurschulden blijkt niet uit de gerechtelijke stukken. In 1778 en 1779 staat als huurder van het pand vermeld de zoon van Peter Peters, genaamd Wijcher Peters. Het belastingnummer is dan veranderd van 23 in 81, de huur bedraagt dan nog steeds 24 gulden. In 1782 (belastingnummer 77) huurt Pieter een huis van geringere huurwaarde van G. Gasinjet voor 10 gulden op jaarbasis, de belasting hiervoor bedroeg 1 gulden 16 stuivers en 6 penningen (belasting van de 5 1/2 penning). In het kohier van 1786 staat een nieuwe huurder vermeld op dit adres, te weten Jannes Pieters, het patroniem is waarschijnlijk toeval en een familierelatie lijkt tussen Jannnes Peters en Peter Peters niet te bestaan. In elk geval is geen doop van Jannes bekend bij Peter Peters en Trientje Jelkes.
Notitie bij Trientje Jelkes: hoewel ik haar niet onder de naam van Eijck ben tegengekomen, heb ik haar deze naam voor de genealogische duidelijkheid toch gegeven om aan te geven dat de naam van Eijck van haar kant komt, zowel kinderen van haar als van haar broer Jan Jelkes nemen de naam van Eyck, of van Eyk, dan wel van Yk, of van Eik aan. Zo is de grootmoeder van de bekende Friese beeldhouwer Pier Pander afkomstig van deze van Eyck familie, die haar roots in de buurt van Drachten/Rottevalle heeft.

Trientje is volgens de doopakte geboren op Sint Pieter 1734 te Rottevalle als dochter van Jelke Jans en Hiltje Hendriks. Ze is gedoopt op 6-5-1774 te Oosterwolde (ze was toen 40 jaar oud en wordt een bejaarde vrouw genoemd!), eerst had ze op 4 mei van 1774, "na voorgaande onderwijs" nog beleidenis gedaan.

Ze verhuist 12-8-1786 volgens het attestatieboek van de hervormde kerk te Oosterwolde naar Dragten, waar ze tot 24-4-1789 verblijft. Op 1-5-1789 wordt ze als binnenkomend lidmaat te Marssum geregistreerd. Waarschijnlijk heeft ze haar kinderen Hiltje en Jelke dan bij zich. Wyger woont al te Marssum, hij staat als wonend te Marssum vermeld bij zijn huwelijk op 13-6-1782 te Leeuwarden met Metje Lammerts van Leeuwarden.
Ze is overleden op 16- 11- 1809 in het Poptagasthuis te Marssum.Het door Dr.Popta in 1712
gestichte gasthuis waarin behoeftige weduwen en alleenstaande oudere dames onbekommerd
hun oude dag konden doorbrengen,zie,. http://www.poptaslot.nl/

NB ook de kinderen van haar broer Jan Jelkes in Drachten noemen zich van Eyck. Pope Jans van Eik neemt bij de naamsaanneming onder Napoleon in 1812 officieel de naam van Eik aan. Nu is er van de familie van Eyck een wapen bekend. Het wapen wordt genoemd ivm Wopke Jans van Eyck, genoemd koloniste te Ommerschans , alwaar hij op 22-3-1825 overlijdt, hij is in 1766 gedoopt te Rottevalle. Zijn wapen wordt beschreven in het genealogische blad de Navorscher van 1938. Linker deel van het wapen een groen geplante eik op losse grond en het rechter wapendeel een doorsneden en verkort zilveren kruis op een achtergrond van 7 gedwarsbalkte zilveren strepen op een blauwe achtergrond.

186. Pieter Durcks Spanjer, ged. Beetgum (Frl.) 24 mei 1733, †? vóór 1817, tr.
187. Attje Gerrits van der Wall, geb. omstr. 1737, † Baarderadeel 9 okt. 1819.

Notitie bij Pieter Durcks: Op 18-7-1818 overlijdt te Marssum Sybren Durcks Spanjer hij is koopman en 84 jaar oud en geboren te Beetgum, hij zou zeer goed een broer van Pieter kunnen zijn.

Dit idee wordt nog versterkt door de volgende akte waarbij een zoon van deze Sybren in relatie met kleinzoon Jentje Jelkes van Eyck wordt genoemd!

1834 Leeuwarden, notaris J. Albarda Hzn
Inv. nr. 078025 repertoire nr. 282 d.d. 27 augustus 1834
Inventaris
- Johannes Everts van Aisma, landbouwer te Beetgum als
voogd over de geinterdiceerde Sybren Sybrens Spanjer te
Marssum, voorheen koelmelker
- Jentje Jelles van Eyck, deurwaarder te Oosterwierum
(Notarieel Archief Friesland: www.Tresoar.nl)
Notitie bij Attje Gerrits: bij overlijden (akte Attje Gerrits zonder familienaam) staat vermeld dat ze 82 jaar was en weduwe. Namen van haar ouders staan niet in de overlijdensakte vermeld.

Hier volgen een aantal akten uit het notarieel archief van Friesland:
1819 Jorwerd, notaris J. Steenbeek
Inv. nr. 067001 repertoire nr. 108 d.d. 28 augustus 1819
Koopakte met kwitantie
Betreft de verkoop van een gedeelte van een veerschip
varende van Marssum op Leeuwarden, koopsom fl. 550
- Atje Gerrits van der Wal te Marssum, weduwe van Pieter
Durks als verkoper
- Wieger van Eyck, commies griffier te Sneek, gehuwd met
Janna van der Werf als koper
(notarieel archief Friesland: www.Tresoar.nl)

1818 * Leeuwarden, notaris J. D. Hanekamp van Harinxma
Inv. nr. 079010 repertoire nr. 29 d.d. 2 maart 1818
Obligatie
- Jelte van Eyck, deurwaarde te Jorwerd; kapitaal fl. 300
- Atje Gerrits te Marssum, weduwe van Pieter Dirks als
borg; kapitaal fl. 300
- Pieter Dirks, in leven gehuwd met Atje Gerrits;
borgstelling door zijn weduwe
- Daniel van Engelen, secretaris te Sneek; kapitaal fl. 300
(notarieel archief Friesland www.Tresoar.nl)

1817 * Leeuwarden, notaris J. D. Hanekamp van Harinxma
Inv. nr. 079010 repertoire nr. 73 d.d. 3 juni 1817
Procuratie
- Atje Gerrits te Marssum, weduwe van Pieter Durks
- Pieter Durks, in leven gehuwd met Atje Durks; betreft
procuratie door de weduwe
(notarieel archief Friesland www.Tresoar.nl)

188. Engbert Lucas Hospes, ged. Vriezenveen 25 april 1723, † ald. na 1777, tr. 1e omstr. 1747 Grietje Harmsen Schoemaker, ged. Vriezenveen 1716,36 †?; tr. 2e Vriezenveen 17 nov. 1764
189. Maria Hendriks Hoek, ged. Vriezenveen 14 okt. 1736, †? Vriezenveen na 1774.

Notitie bij Engbert Lucas: landbouwer en linnenkoopman (1777). Koopt in 1748 een boerderij met landerijen van de erven van Jan Engberts, ook bekend als het Hössieserf, huidige nummering Oosteinde 214; (Bron: Ken uw dorp etc. blz. 118).
In 1753 wordt Engbert inzake het hoofgeld aangeslagen voor 2 personen en moet hij 17 stuivers (0,85) betalen. Dit was ongeveer een gemiddelde aanslag. Er waren diversen die meer betaalden, maar ook velen die minder betaalden. Voor het Oosteinde was de gemiddelde aanslag per persoon (gebaseerd op eigen vermogen) ongeveer 0,40. Engbert zit daar net iets boven. Het gemiddelde per persoon voor heel Vriezenveen lag op 0,39. In 1760 betaald hij een gulden voor 2 personen, terwijl het gemiddelde voor Vriezenveen toen op 0,39 lag, met 0,50 zit hij daar dus ruim boven, kennelijk is het Engbert in deze jaren voor de wind gegaan, mogelijk door zijn huwelijk met Maria Hoek die van betere komaf was.
In het kohier van de 1.000e penning uit 1751 blijkt nog niet veel van de welstand van Engbert, zijn vermogen wordt dan geschat op 300 gulden. Het vermogen van de kinderen van Henrik Hoek, waaronder ook de dan nog ongetrouwde Maria, wordt in het kohier van 1751 op 705 gulden geschat.

Op 8 april 1765 maakt het echtpaar Hospers-Hoek een testament. Het is een langstlevende testament. De armen komt 25 gulden toe, door de langstlevende uit te keren van het overlijden van de eerste partner. Beiden ondertekenen het testament met hun handtekening (bron: archief schoutambt vriezenveen inv. nr. 2676).

-akte van transport 27-07-1769 aankoop van 2 grasgaardens door Engbert Lucas Hospes en zijn vrouw voor het bedrag van 135 gulden van Geertjen Jansen [Bramer] wed. van Gerrit Hendriks Coster (bron: archief schoutambt vriezenveen inv. nr. 2677).

-akte van transport 10-02-1776 verkoop door Engbert Luicas Hospes en Henricus Brink als voogden van Engberdina Jansen van een wand bouwland gelegen op Coert van Oldenland, gelegen naast het land van Bernardus Schoemaker voor 65 aan Bernardus Stok, meester schoenmaker alhier (archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2678).

-schuldverklaring 07-06-1777 van Engbert Luicas Hospes.
-aan de heer Gerrit Costers Gerritz. koopman te Almelo 251 gulden.
-aan de heer Egbert Coster 237 gulden.
-aan de heer G.H. Coster 322 gulden
de schulden vloeien voort uit aan comparant verkochte en geleverde linnens.
-aan Engberdina Jansen 50 gulden, vanwege geleend geld.
Notitie bij Maria Hendriks: met de volkstelling van 1748 staat de "kleijne meijt Marria Hoek " als inwonend bij Jan Feijer vermeld.

190. Mannus Eshuis, ged. Wierden 28 nov. 1745, † Wierden (?), tr. 2e Wierden 29 mei 1791 Gesina Knoef, ged. Wierden 26 dec. 1751, † Wierden (?), dr. van Gerrit en Hendrina Hesselinck; tr. 1e Wierden 18 aug. 1771
191. Hendrine Schapink, ged. Hellendoorn (Marle) 11 febr. 1742, † Wierden vóór 1791.

Notitie bij de geboorte van Hendrine: Bij de doop op 11-2-1742 staat geen naam vermeld er is echter geen andere Hendrine Schapink in de doopboeken te vinden. Toch blijft het onzeker om Hendrine aan deze datum te linken. Geen van de kinderen van Hendrine heet Garritien.
Notitie bij het overlijden van Hendrine: bron: 2e huwelijk van echtgenoot Mannus Eshuis als weduwnaar van Hendrine Schapink.
Notitie bij het huwelijk van Mannus en Hendrine: gezien de datum van de doop van het eerste kind op 6 oktober 1771 was dit huwelijk duidelijk een "moetje"
Bij het huwelijk staat vermeld dat Mannus de zoon is van Albert Eshuijs en Hendrine de dochter van Derk Schapink

192. Derk Berends Schipper, ged. Vriezenveen 6 april 1704, † ald. vóór 1749,37 tr. Vriezenveen omstr. 1730
193. Lutje Derks Fayer, ged. Vriezenveen 9 aug. 1711, † ald. na 1766.

Notitie bij Derk Berends: Bewoonde het pand Westeinde 658-660 (huidige nummering), ook bekend als het Schipserf. Volgens het boterpachtregister over 1740 en 1752 besloeg het goed slechts een halve akker. Het erf stond in het boterpachtregister van 1726 mogelijk op naam van Egbert Wolters. (Heel duidelijk is dit niet, de volgorde van de erven wisselt af en toe in de boterpachtregisters). Misschien is dit een oom van vaders zijde is.
Hoewel volgens het boterpachtregister een weinig omvangrijk goed is de aanslag inzake het Hoofdgeld hoog te noemen. In 1753 moet de wed. Derk Schipper voor 3 personen een hoofdelijke aanslag van 1,90 betalen, dat is ongeveer 0,63 cent per persoon, terwijl het dorpsgemiddelde in 1753 op 0,39 lag. In 1760 wordt de weduwe " D. Schieper " aangeslagen voor 3 personen met een bedrag van 2 gulden. Dit is ongeveer 0,67 per persoon, terwijl het gemiddelde in Vriezenveen op 0,39 lag. Het moet indertijd helemaal aan het begin van het Westeinde (dat wil zeggen aan de kant van Wierden) zijn geweest. Aangezien bij de volkstelling van 1748 Derks moeder, de weduwe Berent Schipper (= Jenneken Willems) bij Derk inwonend is, lijkt het erop dat dit het ouderlijk erf moet zijn van Derk. In de boterpachtregisters over 1736 en daarvoor komt het erf echter niet meer voor als boterpachtplichtig erf. In het dienstbodengeldregister over 1736 komt Derk Schipper wel voor als één na laatste op de lijst van het Westeinde. Hij wordt dan aangeslagen voor 2 gulden.

In het register van de 1000e penningvan 1734 wordt Derck Beerens aangeslagen voor een vermogen van 700 gulden (HAA inv nr. 2550) en in 1739 was dit bedrag 800 gulden (HAA inv nr. 2553).

In het register van de 1000e penning van 1751 wordt de wed. Derk Schipper aangeslagen voor een vermogen van 1000 gulden, een behoorlijk bedrag en ruim boven het gemiddelde Vriezenveense vermogen in dat jaar (Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556). In 1758 is dit bedrag geslonken tot 775 gulden (Statenarchief van Overijssel inv nr. 2559). Al met al is de familie toch wel in goede doen, de armen en minderbedeelden van het dorp werden sowieso in deze belasting niet eens meegenomen.
Notitie bij de geboorte van Derk Berends: gedoopt als Derk zv Berent Wolters en zijn huisvrouw.
Notitie bij Lutje Derks: 9-3-1714 akte van schuldverklaring van Luicas Harmssen Hospis en Henrickjen Engberts "Ehelieden" van 50 Caroli gulden onder hypotheek van een akker turfland, gelegen op de Oosterhoeve aan de voogden van Luttjen Derks (het onmondige kind van Derck Janssen Faeijer) genaamd Harmen Berendsen Berkhoff en Jan Henricksen Bouwman (schoutambet Vriezenveen inv. nr. 2673).
(Archief Schoutambt Almelo; Rijksarchief Zwolle).

Akte van transport d.d. 28-04-1759, op 06-01-1759 verkoopt de wed. van Albert Jansen, Fenneken Klaassen Bramer, mede voor haar minderjarige kinderen, geassisteerd met Waander Berens als haar voogd in deze, een stuk weiland aan Lutte Derks Feijer wed. van Derk Schipper voor een bedrag van 115 car. guldens (archief Schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).
Notitie bij het overlijden van Lutje Derks: op 9 juni 1766 worden de landerijen van de wed. Derk Schipper genoemd (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2677).

194. Aelbert Jansen Santboer, ged. Vriezenveen 25 dec. 1705, † ald. na 1783,38 tr. Vriezenveen omstr. 1727
195. Geertje Freriksen, ged. Vriezenveen 5 maart 1702, † ald. vóór 6 dec. 1763.39

Notitie bij Aelbert Jansen: landbouwer, bewoonde het Boosmanserf, Oosteinde 175 huidige nummering. (Zie blz. 95 Ken uw dorp en heb het lief). Het erf was afkomstig van de familie ten Cate (Alberts moeder). In 1729 staan in het boterpachtregister als eigenaar van de ongeveer 3 akkers land vermeld, Albert Sandboer en Berent Gerritsen Cate (oom van Albert, broer van zijn moeder). Berent Gerritsen Cate staat als zodanig al in de boterpachtregisters van 1691 genoemd. En het is deze Berent Gerrits ten Cate die ook de naam Boosman droeg. In een acte d.d. 2-8-1717 uit het archief van Schoutambt Vriezenveen staat vermeld dat Berent Gerritsen Boosman de brink van zijn erf deelt met de onderschout Gerrit Bartelink.
Het erf omvatte in 1735 volgens de boterpachtkohieren 2 akkers land met broekland, hiervoor moest jaarlijks aan de heer van Almelo 11 1/2 pond boter worden afgedragen.
Op 20-02-1762 koopt Albert het erf van Ridderschap en Steden op een publieke veiling (bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).

In het hoofdgeldkohier van 1737 komt Albert voor als "Albert Jansen", hij wordt dan aangeslagen voor 2 personen en de aanslag bedraagt 18 stuivers, met 45 cent p.p. is dat een gemiddelde aanslag. In het hoofdgeldkohier van 1753 wordt Albert aangeslagen voor 4 personen en moet 1 gulden betalen. Dat is 0,25 per persoon en dit betekent dat de familie het niet erg breed zal hebben had. De gemiddelde aanslag was nl. 0,39 per persoon.
In 1760 is de familie in betere doen, dan bedraagt de aanslag 1,20 voor 3 personen. Dit is 0,40 per persoon en dit is ongeveer gemiddeld (0,39) voor dat jaar.
In het kohier van de 1.000e penning van 1751 staat Albert Santboer vemeld met een geschat vermogen van 150 gulden. Dat was niet veel. Ook de inwonende tante Trijntje Engberts staat vermeld met een geschat vermogen van 100 gulden.
In 1779 wordt in het hoofdgeldkohier Gerrit Schipper als hoofd van het gezin genoemd.
In verband met een hypotheek die Albert is aangegaan verkrijgt Gerrit van de hypotheekverstrekker A.H. Bartelink in 1776 een quitantie van ruim 582 gulden om op de boedel te kunnen korten. Mogelijk had dit te maken met het overlijden van Geertje Freriksen, want Albert leeft dan nog aangezien hij nog in 1783 wordt in het testament van zoon Fredrik. De lening was gesloten op 29-4-1762 met Adolph Hendrik Bartelink ten bedrage van 566 caroli gulden om twee akkers aangekocht land te kunnen betalen. In 1776 regelt Albert ( hij wordt genoemd weduwnaar van Geertjen Freriksen) de overdracht van huis en twee akkers land aan schoonzoon Gerrit Schipper met het beding dat de andere kinderen, zolang zij ongetrouwd zijn een slaapplaats op het ouderlijk erf blijven houden en ook moet Gerrit hen 700 gulden uit de boedel betalen.

In de erfscheiding van de boedel in 1776 worden de volgende kinderen met name genoemd Frederik, Jan, Geertien en Henderikje. De andere 3 kinderen wonen dan al in Amsterdam en zijn daar getrouwd, Jan zal in 1780 volgen. Kennelijk was het zo dat als je verhuisd was naar elders je gelijk buiten de erfenis viel. Trouwens ook Frederik wordt in 1767 in Amsterdam als getuige bij een doop genoemd (die van Johanna, dochter van Barend).

Met de volkstelling van 1748 worden genoemd: Albert Sandboer en echtgenoot Geertje Frericksen en kinderen boven de 10 jaar: Geertjen, Frerik en Berent en de kinderen onder de 10 jaar: Henderikjen en Jan. Verder zijn nog inwonend Trijntjen Engbers en Armke Frerix. Door deze Armke zijn de waarschijnlijke ouders traceerbaar van Geertje Frederiks.
Vaak woonden broers en zusters die ongetrouwd waren gebleven in op het boererf van een getrouwde broer of zus. Dit was gewoonlijk het ouderlijk erf waar men bleef wonen. Geertje (gedoopt 5-3-1702) en Armke (gedoopt 9-7-1699) waren beide kinderen van de rooms katholieke Frederik Hendrix vulgo de Vos, die gehuwd was of in elk geval samenleefde met de gereformeerde Berentjen Jansen. Een huwelijk van de twee is niet te achterhalen.

Hoe de familierelatie zit met de tijdens de volkstelling van 1748 inwonende Trijntjen Engbers was aanvankelijk onduidelijk. Toch leek er een familierelatie te moeten zijn. In het archief van de familie Schipper (Boosmans) bevindt zich een oude akte uit 1746. Het is een koopakte van Trientjen Engbers. Zij koopt een "goorden" gelegen in het land van wijlen Hendrik Roelofs Huisman van. De erfgenamen van Hendrik Roelofs Huisman verkopen het stukje land voor 100 caroli guldens. Het antwoord werd uiteindelijk gevonden in het archief van Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675. Daarin zit een testament (d.d. 27-03-1748) van Trijntje Engberts waarin ze aan haar halfzusters Armke en Geertjen Fredrix al haar na te laten goederen vermaakt.
Op 06-12-1763 maakt Trijntje opnieuw haar testament. Haar voogd is dan Berent Albert Roelofsen.
Tot universeel erfgenamen benoemt ze de kinderen van wijlen haar overleden zuster Geertjen Freriks [gehuwd met Albert Jansen Santboer], te weten Geertjen Alberts, Frederik Alberts, Berent Alberts, Janna Alberts, Hindrikjen Alberts en Jan Alberts (bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).

Evenwel was dit niet het ouderlijk erf van de gezusters (Armke en Geertje) Frederiks de Vos, het was door de Santboers nl. van de familie ten Cate verworven door verwantschap.

In het archief van Huize Almelo is nog een stuk te vinden over Armke. Het betreft een conflict tussen Albert J. Zandboer en de kerkmeesters van Vriezenveen over het bezit van enig land en een obligatie, toebehorende aan Armeke Freriks, die armlastig is geworden, 1755 en 1756. (Inv.nr. 3082). Albert is van mening dat de kerkmeesters als opzichters van de armen in de gemeente Vriezenveen hun verantwoording moeten nemen en in haar onderhoud moeten voorzien.

In het archief van Schoutambt Vriezenveen (inv. nr. 2675) zit een acte gedateerd 5 januari 1743 waarin Albert Jansen Santboer optreedt als gemachtigde van Hendrik Jansen Boer die samen met Jenneken Hendriks de weduwe van Jan Hendriks Boer 900 gulden aan schulden heeft vanwege geleverd kapitaal door Egbert Hendriks. Onderpand is 3 akkers land en het halve huis gelegen aan het Westeinde tussen het land van Hendrik Arents en Egbert Hendriks. (Tijdens de volkstelling van 1748 woonde hier Hendrik Roelofs Schuurman, het is vrij westelijk op het Westeinde gelegen). Vraag is hoe de familieverhoudingen zich verhouden. Jan Hendriks Boer woont reeds vanaf ca. 1720 op deze locatie aan het Westeinde en moet dus geboren zijn voor 1700. In het breukregister van Vriezenveen (AHA inv.nr. 3241) zit een stuk waaruit blijkt dat Jan Hendriks Boer de stiefzoon was van Jan Hendriks Santboer en dat betekent dat hij dus een half-broer van Albert Santboer was. Voor 1720 woonde op het erf van Jan Hendriks Boer(man) de weduwe Hendrik Gerritsen. Is zij identiek aan Jenneken Hendriks? Als dat zo is zal ze zo rond 1680-1688 gehuwd zijn met Hendrik Gerritsen die in 1688 al in het boterpachtregister staat vermeld. De Hendrik Jansen Boer, voor wie Albert gemachtigde is, zal een zoon zijn van zijn halfbroer Jan Hendriks Boer. In elk geval blijkt uit andere stukken van hetzelfde archief dat Hendrik de zoon is van genoemde Jenneken Hendriks.
Op 22-08-1745 verklaart hij, refererend naar voorgaand contract met zijn moeder, 700 car. gulden schuldig te zijn aan Egbert Hendriks.
In het doopregister van de gereformeerde kerk van Vriezenveen is de volgende informatie te vinden: Er is een Jan Hendriks gehuwd met Jenneken Hendriks die in 1710 een dochter Jennigjen en 1713 een zoon Hendrik laten dopen.

Albert is met zekerheid bij zijn kinderen in Amsterdam op bezoek geweest. Hij is getuige bij de doop van Geertreuy in 1775. Het kind van zoon Barend, dat waarschijnlijk naar zijn vrouw vernoemd is.

Op 6 maart 1773 treedt Albert Santboer op als voogd voor Janna Jansen ten Cate (doop als Johanna in 1747), dochter van Jan Jansen ten Cate, alias Weverspol, bij wijlen zijn eerste vrouw verwekt. De boedel van deze Weverspol is verbrand en wordt door de kerkmeesters van Vriezenveen als toezichthouders over de armenzorg verkocht. Weverspol is een neef van Albert Santboer (zoon van zijn oom Jan Gerritsen ten Cate).
Notitie bij de geboorte van Aelbert Jansen: gedoopt als zoon van Jan Henrix en Henrikje Gerritz
Notitie bij Geertje: Geertje (gedoopt 5-3-1702) en Armke (gedoopt 9-7-1699) waren beide kinderen van de rooms katholieke Frederik Hendrix vulgo de Vos, die gehuwd was of in elk geval samenleefde met de gereformeerde Berentjen Jansen. Een huwelijk van de twee is niet te achterhalen. Het feit dat er in het dossier van de rechtzaak tussen Albert Santboer en de kerkmeesters van Vriezenveen een verklaring zit d.d. 20-12-1755 van Hendrikje Jansen (van der Aa), weduwe van Jan Gerrits Smelt, waarin deze verklaart dat Armke Freriks voor 28 jaar met haar moeder in huize Smelt woonachtig is geweest. Dit suggereert ook een familieband met deze familie. Immers ook Albert Santboer waar Armke later woonde is familie nl. haar zwager.

196. Jasper Lucassen Onweer (dezelfde als 144), tr. (ondertr. Vriezenveen 7 juli) 1754
197. Janna Derks Faijer (dezelfde als 145).

Notitie bij Jasper Lucassen: Bewoont het Onweerserf, Oosteinde 345, huidige nummering, was in 1753 de grootste imkerboer van Vriezenveen. Hij had toen 20 bijenkorven, daarvoor moest hij toen een belasting betalen van 2 gulden, 12 stuivers en 8 penningen. Hij wordt in het dienstbodenbelastingkohier van 1790 nog genoemd en wordt dan aangeslagen voor 1 gulden en 8 stuivers.
Het is zeer aannemelijk dat Jasper de imkerij van zijn vader heeft voortgezet en zelfs uitgebreid, uitgaande van het bedrag dat Jasper in 1765 betaalde (te weten 3 gulden en 12 stuivers) zou het aantal bijenkorven zelfs 36 hebben bedragen, uitgaande van een basisbedrag van 2 stuivers per bijenkorf. Hierbij ga ik dan wel van de veronderstelling uit dat Jasper geen schapen had, want ook elk schaap kostte in 1765 2 stuivers per jaar aan belasting. In het kohier van 1765 staat niet aangegeven of de belasting nu betaald werd voor schapen, varkens of bijenkorven. Jasper zou ook nog een varken gehad kunnen hebben natuurlijk. Qua belastingbedrag op de reliqua, zoals deze belasting heette, stond Jasper in 1765 op de derde plaats. Alleen dokter Dijderijk, die zich geheel op de imkerij had toegelegd met in 1762 maar liefst 38 bijenkorven en Berent Wippe, welke laatste zowel veel schapen als bijenkorven had, betaalden in 1765 meer belasting op de reliqua, respectievelijk 4 gulden en 2 stuivers en 4 gulden en 8 stuivers (Bron archief Huize Almelo, belastingregisters reliqua).
Volgens het boterpachtregister van 1763 (vader Lucas wordt dan nog als eigenaar genoemd), omvatte het erf 4 akkers.

Op 23-11-1794 maken Jasper Lucas en Janna Derks hun testament. Het echtpaar benoemt hun kinderen: Derk en Jannes Jaspers en Jenneken en Leena Jaspers en verder het kind Gerrit van hun overleden dochter Fenneken Jaspers (gehuwd met Hendrik Broertjen) tot universeel erfgenaam.

Met de volkstelling van 1795 is hoofd van het huishouden zoon Derk Jaspers.

Leeft nog in december 1801 als hij een bijdrage levert aan de verbouwing van de Hervormde kerk van 5 gulden. (archief NH-kerk).
Notitie bij het huwelijk van Jasper Lucassen en Janna Derks: huwelijksregistratie luidt als volgt "Jasper Lukas J.M. en Z. van Lukas Jansen en Janna Derksen Faijer N.J.D. van Derk Faijer alhier.

198. Jannes Derksen Faijer (dezelfde als 146), tr. Vriezenveen 27 jan. 1748
199. Henrikjen Jansen ten Cate (dezelfde als 147).

Notitie bij Jannes Derksen: landbouwer en linnenkoopman. Bewoonde het erf van zijn vader Derk Jansen Faijer (Oosteinde 407 huidige nummering). Wordt in het boterpachtregister over het jaar 1752 genoemd. Het ouderlijk erf is gesplitst tussen Jannes en zijn zwager Jan Berkhof. Jannes houdt een 2-akkergoed over. Jannes Fayer is één van de Rusluie, hij bevindt zich in 1749 te Sint Petersburg, alwaar hij aan zijn zwager Gerrit ten Cate 10 roebel uitleent en deze vervolgens later te Vriezenveen opeist. Bron: Ken uw dorp en heb het lief blz. 156.
Jannes wordt in 1753 inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 2 personen en moet 1 gulden afdragen, met 50 cent p.p. ligt hij ruim boven het gemiddelde van 39 cent. In 1760 inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 2 personen en moet hiervoor 1 gulden en 14 stuivers betalen, dat is 85 cent p.p. en daarmee ruim boven het gemiddelde van 39 cent p.p. . heeft in 1760 24 schapen en dat was erg veel. In 1780 wordt Jannes nog genoemd in het het hoofgeldregister over 1779. In 1790 in het register van het dienstbodengeld is Jannes overleden en worden genoemd "de kinderen van J. Feyer".
De veestapel bevond, evenals bij de families Berkhof aan het Oosteinde (Berent Jansen Berkhof en Jan Jansen Berkhof (Jan Buten) uit een opvallend grote schaapskudde voor Vriezenveense begrippen. Dat wil zeggen een kudde die rond de 20 schapen omvatte.
De familie moet in goede doen geweest zijn en dit zal waarschijnlijk het gevolg zijn geweest van de Russische handelsactiviteiten.

Op 20-3-1755 wordt "Jannes Derks" aangesproken voor een schuld (bedrag onvermeld) aan de linnenreders en kooplieden Jan ten Cate, Gerrit Coster en Gerrit Coster Egbzn. (inv. nr. 2965 HAA).
Op 11-04-1760 doen een aantal Almelose kooplieden een verzoek bij de Heer van Almelo om Jan Faijer ("sijn persoon en goederen") in het buitenland te mogen arresteren, ongetwijfeld vanwege uitstaande schulden. De kooplieden zijn: Jan Harmens Coster, Jan ten Cate en de erfgenamen van wijlen Egbert Costers (inv. nr. 2964 HAA). Hoewel hier de naam Jan Faijer staat vermeld, meen ik dat het om Jannes gaat. De namen Jan en Jannes zijn namelijk uitwisselbaar en van Jannes is bekend dat hij schuldeisers achter zich aan had zitten.

Zijn vermogen werd in 1751 geschat op 500 gulden en een extra 100 gulden voor tewerkgesteld personeel, dat ook als vermogen meetelde (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556).
In het kohier van 1758 wordt hij niet genoemd. Dit betekent dat het succes van de handelsactiviteiten van Jannes niet erg groot geweest kan zijn, hoewel zeker geen armoedzaaier, behoorde hij toch niet tot rijksten van het dorp. (bron: 1000e penningkohier 1759; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2559). Zijn vader had een groter vermogen gehad, zie opmerkingen vader.

transportakte 13-11-1773. Verkoop door Jannes Derksen Feijer van de Brink beginnend aan de kerkweg (= dorpsstraat) tot aan de dwarssloot, gelegen in de landerijen van wijlen Jan ten Cate (oostwaarts Jan Boom, westwaarts Frontmansland) voor 109 gulden aan Jan Gerrits (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2677).


19-06-1786 akte van transport. Verkoop door Roelof Wiechers en zoon Jan en dochter Jenneken van een akker hooi of weideland, gelegen in het "Jan ten Cateland" voor 255 gulden aan Jannes Derksen Faijer (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2678).

200. Berend Albert Roelofsen, ged. Vriezenveen 4 dec. 1718, † ald. na 1764, tr. 2e Vriezenveen 4 nov. 1758 Jennigjen Egberts Endjen, geb. omstr. 1725, † Vriezenveen na 1779, dr. van Egbert; tr. 1e Vriezenveen omstr. 1753
201. Trijntje Berends Holland, ged. Vriezenveen 25 okt. 1722, † ald. vóór 4 nov. 1758.

Notitie bij Berend Albert: landbouwer. Woonachtig aan het Oosteinde 161 (huidige nummering). Bron: blz. 93 Ken uw dorp en heb het lief. In het boterpachtkohier van 1755 wordt vader Roelof Willemsen nog als eigenaar van het erf vermeld.
In 1764 wordt Berend Albert genoemd als de eigenaar van 5 akkers land.

In 1753 in het kohier van het hoofdgeld wordt "berent albert" aangeslagen voor 4 personen en moet 1,70 betalen, dat is 0,425 cent per persoon. Iets boven het gemiddelde van 0,39 cent per persoon voor geheel Vriezenveen. In 1760 behoort Berent opeens bij de hoogst aangeslagenen van Vriezenveen. Hij wordt dan voor 2 persoenen aangeslagen en de belasting bedraagt dan 2 gulden en met 1 gulden per persoon ligt dit ver boven het gemiddelde van 0,39 voor heel Vriezenveen. Ter vergelijking de scholte Dikkers betaald voor 6 personen 3,20 en betaalt hiermee iets meer dan 0,53 per persoon.

Zie ook notities vader Roelof Willemsen.

In het kohier van de 1.000e penning van 1758 staan de personen vermeld met een vermogen boven de 500 gulden. Hoewel Berent Albers naam wel is opgetekend, staat er 0 gulden achter zijn naam. Dat is vreemd, want zijn vader had in 1751 nog een geschat vermogen van 1125 gulden. Kennelijk was dat vermogen door erfdeling opgesplitst geraakt en was Berend daardoor beneden de 500 gulden terechtgekomen.

Op 15-12-1753 maken Berent Albert Roelofs en een zieke Trientje Berents [Holland] hun testament.
Tot hun legitiem erfdeel zijn gerechtigd de ouders van Berent Albert: Roeloff Wilms en Aaltjen Berentsen.
De kleding van testatrice komen aan haar broers en zuster toe: Berent Berentsen, Jan Berentsen, Jannes Berentsen en Janna Berentsen.
De armen komt 25 gulden toe, verder is het een testament op langstlevende. Testator ondertekent het testament met zijn handtekening; Trijntje volstaat met een kruisje.
(bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2674).


Op 12 mei 1764 (akte van transport) treedt bij een verkoop van de goederen van wijlen Jan Roelofs (gehuwd met Geertje Berens Kooijker) o.a. op Berent Albers Roelofs.
(bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).
Notitie bij het overlijden van Berend Albert: overleden voor 05-11-1772, want dan maakt de weduwe van Berent Albert Roelofsen, Jenneken Egberts haar testament op. Tot erfgenaam wordt benoemd haar stiefzoon Berent Berents Roelofs. De kinderen van haar broer Gerrit Egberts komen al haar lijfsgoederen toe. De kinderen worden met name genoemd. Het zijn: Berent, Egbert, Janna en Jan.
Notitie bij de geboorte van Trijntje Berends: Trijntjes doop had wel wat voeten in de aarde vanwege dronkenschap van predikant Poelman. Ze werd om deze reden in de pastorie gedoopt en niet in de kerk, want dominee Poelman had voor de kerkdienst verstek laten gaan (bron: Archief Deventer, archief Classis 1601-1951 inv. nr.72 foto 120).
Notitie bij het huwelijk van Berend Albert en Trijntje Berends: ook wel Trijntje genoemd bij de dopen van haar kinderen.

202. Wolter Hermsen Schipper, ged. Vriezenveen 4 dec. 1712,40 † ald. vóór 1779, tr. omstr. 1742
203. Kunnigjen Egbers de Groot, ged. Vriezenveen 18 okt. 1716, †?.

Notitie bij Wolter Hermsen: landbouwer, bewoonde de boerderij aan het Oosteinde 295-297 (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 127) bekend als het Schipsspil, had het erf overgenomen van zijn vader.
In 1752 als eigenaar van de landerijen van het Schipsspil genoemd, het was toen 5 akkers groot. In het hoofdgeldregister van 1779 wordt Wolter niet meer genoemd, maar zijn zoon Harmen. Vermoedelijk was Wolter toen dus al overleden.
Met de belasting inzake het hoofdgeld van 1737 wordt Wolter aangeslagen voor 4 personen en moet 1,70 betalen, dit is 0,425 p.p. tegenover een gemiddelde voor het Oosteinde van 0,46 .
In 1753 inzake het hoofdgeld weer een aanslag voor 4 personen en een aanslag van 1,35, iets meer dan 0,32 p.p. tegenover een gemiddelde in dat jaar voor Vriezenveen van 0,39. In 1760 weer een aanslag voor 4 personen, maar een relatief veel hogere aanslag nl. 2 gulden, dit is 0,50 p.p. en boven het gemiddelde van dat jaar van 0,39 p.p voor de Vriezenveense bevolking.

In het register van de 1000e penning van 1751 wordt Wolter Hermsen Schipper aangeslagen voor een vermogen van 500 gulden en daarboven nog een verhoging van 100 gulden voor meewerkend personeel, dat werd gezien als extra vermogen (Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556). In 1758 komt Wolter niet meer in deze registers voor (Statenarchief van Overijssel inv nr. 2559).

204. Hendrik Freriks Bramer, geb. Vriezenveen omstr. 1690, † ald. na 8 maart 1755, tr.
205. Hendrikje Hendriks Winter, ged. Vriezenveen 3 april 1698, † ald. vóór 1748.

Notitie bij Hendrik Freriks: boer, schout in 1750 en 1751. In 1752 wordt Hendriks zwager Gerrit Winter tot schout verkozen. Volgens Herman Jansen, in Ken uw dorp en heb het lief blz. 233 had Hendrik Bramer als schout niet naar volle tevredenheid gefunctioneerd.
Woonde naast het Éémsgoed aan het Oosteinde (in de buurt van nr. 193 huidige nummering). Wordt in het hoofdgeldkohier van 1737 aangeslagen voor 3 personen en moet 1,60 betalen, dat is dus ca. 0,53 per persoon tegenover een gemiddelde van 0,46 voor het Oosteinde in dat jaar. In ca. 1735 beschikt hij volgens het boterpachtreegister over 5 akkers land en 1 1/2 akker "woesten land", dat wil zeggen turfland. Zeker geen onbemiddelde boer.

In 1748 bij de volkstelling van 1748 wordt hij genoemd "Henr. Braamer" weeduwenaar, hij heeft dan nog 3 kinderen boven de 10 jaar in huis, te weten, Frerik, Gerrit en Harmanus. Verder beschikt het gezin dan over een dienstbode genaamd Kunnigien Onweer.

1751 schout van Vriezenveen (bron: Naamlijst van drosten, kasteleins, richters en schouten Overijssel deel 2; Het Kwartier van Twente uitgave A sept. 1989 RA Zwolle).

Hendrik Bramer zat er warmpjes bij in de kohieren van de 1000e penning wordt zijn vermogen als volgt ingeschat:
1715: 750 gulden
1734: 2500 gulden
1739: 2500 gulden
1751: 1250 gulden (met de toevoeging scholtes)

In een stuk van archief Huize Almelo (inv. nr. 3202) wordt Hendrik de oom genoemd van Grietje Jansen Schol ( gehuwd met Berent Brouwer) en ook van Nicolaas Harwig (1e huwelijk met Johanna Jansen Schol).
Notitie bij het overlijden van Hendrik Freriks: 3 maart 1755 wordt Hendrik nog vermeld als legitiem erfgenaam in het testament van zijn zoon Gerrit (archief: schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).
Notitie bij Hendrikje Hendriks: is overleden bij de volkstrelling van 1748.

206. Lucas Alberts Jonker, ged. Vriezenveen 22 juni 1721, † na 1802, tr. 2e Vriezenveen 5 maart 1753 Aaltje Harmsen,41 ged. Vriezenveen 27 jan. 1732, † ald. vóór 1768; tr. 3e Vriezenveen 24 dec. 1768 Harmina Jansen van´t Vere Brookhuis, geb. Almelo, † Vriezenveen; tr. 1e Vriezenveen omstr. 1745
207. Jenneken Harmssen Schipper, ged. Vriezenveen 2 febr. 1710, † ald. omstr. 1750.

Notitie bij Lucas Alberts: landbouwer, bewoonde het zogenaamde erve Poortman aan het Oosteinde 294 (huidige nummering). In 1753 met het hoofdgeld, wordt Lucas aangeslagen voor 4 peronen en moet hij 1,25 betalen. Dit is ruim 0,30 per persoon. Hiermee ligt hij onder het gemiddelde van 0,39 per Vriezenvener in dat jaar. Het tij is echter gekeerd in 1760 als hij voor 2 personen wordt aangeslagen en 1,10 moet betalen, dat is 0,55 per persoon en daarmee ligt het gezin ruim boven het gemiddelde van 0,39 per Vriezenvener in dat jaar. Hij heeft kennelijk goed geboerd tussen 1753 en 1760!
Volgens het register van de 1.000e penning uit 1751 had Lucas Jonker een vermogen van 450 gulden en daarboven 50 gulden voor personeel dat mede als vermogen werd gezien (Statenarchief Overijssel, inv. nr. 2556). In het register van 1758 komt hij niet voor. Dit betekent dat zijn vermogen toen onder de 500 gulden lag.
-6 november 1757 staat Lucas Jonker vermeld in het breukregister omdat hij zijn broer Fredrik zou hebben geslagen (Bron: AHA inv. nr. 3242).
In Ken uw dorp en heb het lief (blz.142) staan aardige anekdotes van de historicus Herman Jansen over deze Lucas, zo is Lucas in 1747 door Herman Klaassen bij het Kooijkershuis in elkaar geslagen. Reden was dat Lucas Klaas de doorvaart bij de zeil wilde beletten (bron. Archief Huize Almelo inv. nr.3242). Harmen Klaassen was met een schuit vol Geesterse kolen aangekomen en wilde doorvaren, kennelijk zonder te betalen. Lucas Jonker sprong hierop in het water om hem dat te beletten, waarop Harmen Lucas met "sijn schipboom over de hand heeft geslagen en hem vervolgens bij het hair heeft getrokken en alsdan met de keeten (kettingen) van de schuite op het hooft heeft geslagen, dat daar door een gat in het hooft heeft gekreegen en dat het bloet hem op de rugge langes was geloopen seggende vervolgens du Donder salst sterven off ik".
Lucas raakte zo ernstig gewond dat het bloed langs z´n rug tot aan de grond liep en de heer van Almelo zelfs concludeerde dat de geneeskundige hulp van zijn vader Albert, die chirurgijn was, niet voldoende was. De heer van Almelo verordeneerde dat een Almelose chirurgijn de wond moest verbinden en verzorgen. De vader van Herman Klaassen wordt later voor de rekening van de Almelose chirurgijn aangesproken die het lieve sommetje van 34 gulden en 10 stuivers bedroeg.
Lucas weet ondanks de heftige aanval de lieve leeftijd van meer dan 81 jaar te bereiken, een hele prestatie voor die tijd.
Hij trouwt maar liefst 3 keer. In 1802 maakt hij z´n testament.
-In 1795 bij de volkstelling doet hij de gezinsopgaaf voor zijn inwonende zoon Jannes, dan als het hoofd van het gezin beschouwd. Jannes Jonker, staat als boer geregistreerd en de familie omvat dan 9 gezinsleden.

Op 04-05-1746 maakt het echtpaar Lucas Albers Jonker en Jenneken Harms hun testament. Het testament heeft de volgende bepalingen:
-testator kent zijn ouders Lucas Jonker en zijn moeder Jenneken Lucas hun legitieme erfdeel toe.
-testatrice kent haar moeder Aaltjen Freriks haar legitieme erfdeel toe.
-de armen komen 30 gulden toe.
Voor de rest is het een testament op langstlevende.
(Bron: Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675)

Op 18-03-1758 verkopen Lucas Albers Jonker en Aeltjen Harms 1 akker turf of hoevenland, gelegen op de Oosterhoeven aan Jan Schol voor 148 car. guldens
(Bron: Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

Op 1 april 1774 beklaagt Lucas Jonker zich bij de schout over het feit dat Hendrikje Berkhof, de vrouw van Jannes Bramer, hem tot bloedens toe had geslagen vanwege zijn drinkgedrag bij het luidebier dat gedronken werd ter gelegenheid van "het overluiden van het lijk van de wed. Lucas Berents" (bron: AHA inv. nr. 3242).

208. Jan Gerritsen van den Twilhaar, geb. Hellendoorn (?) omstr. 1715, † Hellendoorn na 1771, tr. Hellendoorn 10 april 1740
209. Jenneken Hermsen aan Blokvoort, geb. Hellendoorn (?) omstr. 1715, † Hellendoorn na 1771.

Notitie bij Jan Gerritsen: bij het huwelijk staat vermeld Jan Gerritsen aan den Calvenhaar, later wordt hij doorgaans met van den Twilhaar aangeduid. Ook bij de volkstelling van 1748 wordt hij aangeduid met de naam Twilhaar.
Mogelijk diende hij op het boerenerf de Calvenhaar en zijn vrouw voor haar trouwen op het Blokvoort vanwege het woordje "aan". Het lijkt te betekenen dienend bij..... Zowel het Calvenhaar als het Blokvoort waren in het buurtschap Hulsen gelegen (noordelijk van het kerkdorp Hellendoorn).

Het gezin heeft in 1748 volgens de volkstelling 3 kinderen (onder 10 jaar) Jan, Gerrit en Hendriene.
Volgens een akte van Alimentatie ten gunste van zoon Jan, daterend uit 1762, woonde het echtpaar toen op de Groote Twilhaar.

Het echtpaar maakt een "contract van alimentatie" in 1771. Daarbij wordt zoon Gerrit Jansen en zijn "bruijt" Janna Gerritsen woning ("haare geheele bouwerie") en inboedel toebedeeld. Hierop neemt zoon Gerrit Jansen en bruid de verplichting op zich de oude lui goed te zullen onderhouden en verplegen en een goede begravenis te garanderen. Verder mogen de oudelui nog ten eigen "profijt" 6 schapen in het schot houden en moet Gerrit z´n vader ook nog van het nodige tabaksgeld voorzien. Er staat bij vermeld dat beiden niet kunnen schrijven en geen zegel gebruiken. De andere 2 kinderen Jan en Hendriene worden slechts terloops in het testament vermeld. (Bron: Gerechterlijk archief Hellendoorn 1771 (blz.268-270). Zoon Jan was al eerder in 1762 het Kleine Twilhaar toegekomen (zie notities bij hem).

210. Derck Alberts Bolhoeve?, geb. omstr. 1730, † Hellendoorn (?), tr. Hellendoorn 6 nov. 1752
211. Jennighje Hendriks, geb. omstr. 1730, † Hellendoorn (?).

Notitie bij Derck Alberts: Derck woont tijdens zijn huwelijk op Huize Rhaan (een adelijk goed) en Jennighje Hendriks woonde toen bij Claas Valk te Eelen onder Hellendoorn. Bij de volkstelling van 1748 heeft Claas valk een andere meid genaamd Mette Berents.
Uit het register van vuursteden uit 1736 (kerspel hellendoorn) blijkt dat het erf van de kerk is. Bron: Archief Deventer, markenarchief.

212. Hendrik Gerritsen Olde Müller (Vorink), geb. Notter (onder Rijssen), ged. Hellendoorn 3 febr. 1704, †?, tr. 1e Hellendoorn 12 april 1738 Derkjen Willems Tijhuis, † Hellendoorn vóór 1749; tr. 2e Hellendoorn 11 april 1749
213. Aaltje Hendriks van het Haercamp, ged. Wierden 9 jan. 1724, †?.

Notitie bij Hendrik Gerritsen: landbouwer. Wordt met vele aliassen aangeduid, te weten Olde Müller, Uilenspiegel, Roltvoort en Vorink. Bij zijn eerste huwelijk wordt hij nog Vorink genoemd. Bij de doop van zoon Gerrit Jan (1741) wordt hij met de naam Roltvoort aangeduid. Bij de dopen van Derkjen(1750) en Hendricus (1752) wordt hij Uilenspiegel genoemd. Bij de volkstelling van 1748 en zijn huwelijk in 1749 wordt hij bij de naam oude (Olde) Mulder aangeduid. Bij zijn eerst huwelijk wordt hij met z´n patroniem aangeduid en er staat vermeld dat hij van Raalte komt. Het Olde Muller was evenals het Roltvoort, het Uilenspiegel en het Vorink een boerenerf in de buurt van Hellendoorn. Kennelijk was Hendrik niet erg honkvast en verhuisde hij nog wel eens.
In 1748 staan in de volkstelling vermeld: Hendrik Olde Muller en Derkjen Willems. Verder 2 kinderen onder 10 jaar Willemiene en Gerrit Jan en twee knechten Gerrit Jans en Hendrik Gerrits. Het moet dus wel een erf van enige omvang zijn geweest.

Op 12 april verschijnt Hendrik Gerrits Olde Müller voor het Gerecht van Hellendoorn en worden de rechten van de kinderen uit het eerste huwelijk met Derkjen Willemsen vastgelegd. Mombers zijn Hendrik Tijhuis en Gerrit van het Veendink. De onmondige kinderen hebben recht op 150 gulden uit de boedel van de moeder, verder verklaart de stiefmoeder Aaltje Hendriks de twee kinderen Gerrit Jan en Willemina als eigen aan te nemen. (Bron: RA Hellendoorn, inv. nr. 14)

214. Berent Schuttevaar, geb. Eelen (Hellendoorn), ged. Hellendoorn 29 april 1724, † ald. vóór 1799, tr. Hellendoorn 11 juli 1751
215. Janna Essen Colman, geb. Notter bij Wierden, ged. Hellendoorn 18 april 1729,42 †? na 1799.

Notitie bij Berent: schipper
Notitie bij Janna Essen: ook wel Kolman genoemd. Op 20-8-1799 wordt Janna Essen Kolman weduwe van Berend Schuttevaar in het testament van haar broer Jan Essen Kolman te Eelen begunstigd voor een somma van 100 gulden, de diaconie wordt bedacht met 80 gulden. Het kerkboek met zilveren krappen wordt gelagateerd aan Jan, zoon van zijn neef en nicht Antony Adams en Janna Schuttevaar.

Tot universele erfgenamen worden benoemd de kinderen van broer Gerrit Essen Kolman die woont op het Pastinkerf, te weten Aaltje Pastink, Evert Jan Pastink en Hendrik Pastink en de kinderen van zijn zus Janna Essen Colman, te weten, Willem, Evert Jan, Antonie, Maria en Janna Schuttevaar.

216. Berent Jansen Smelt, ged. Vriezenveen 20 dec. 1711, † ald. vóór 28 dec. 1755,43 tr.
217. Jenneken Hendriks Klumper, ged. Vriezenveen 18 aug. 1700, † ald. na 1760.

Notitie bij Berent Jansen: net als zijn zoon turfschipper? bewoonde volgens de dorpshistoricus Herman Jansen Oosteinde 226 (zie Ken uw dorp en heb het lief, blz. 122). Vergeleken bij zijn vader die tot de rijksten van het dorp hoorde, is Berent toch een aantal treden gedaald op de maatschappelijke ladder. Is niet als grondbezitter in de boterpachtkohieren terug te vinden.
Met het hoofdgeld van 1760 wordt de weduwe B. Smelt aangeslagen voor 3 personen en moet 1 gulden betalen, ca. 33 cent p.p. Dit ligt onder het gemiddelde van 39 cent p.p. in Vriezenveen. In 1753 wordt Berent Smelt voor 1 persoon aangeslagen en moet hij 0,45 cent betalen, dat is enigszins boven het gemiddelde per persoon van 0,39 cent
In 1748 bij de volkstelling wordt hij samen met zijn vrouw en 5 kinderen genoemd. Hiervan 3 boven de 10 jaar Jan, Hinderik en Gerrit en 2 onder de 10 jaar, Grietjen en Janna.

Zijn vermogen werd in 1751 geschat op 300 gulden en aanvullend 100 gulden voor meewerkend personeel dat ook als een factor van vermogen werd beschouwd. In 1758 komt Berent Smelt niet voor. In dat jaar worden alleen de vermogens boven 500 gulden geregistreerd (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556).

Op 28-12-1755 wordt door Jannes Berends [Holland] en Janna Jansen [Grobben] een transportacte opgemaakt van een eerder plaatsgevonden (10-03-1754?) verkoop voor 200 car. guldens van 2 dagwerk hooiland aan Jennigjen Hendriks wed. van Berent Smelt.
(bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675)

218. Jan Hendricks Aman, ged. Vriezenveen 4 nov. 1703, † ald. na 1770, tr. Vriezenveen 24 sept. 1728
219. Metjen Claassen Stroomers, ged. Vriezenveen 2 dec. 1703, † ald. na 1755.

Notitie bij Jan Hendricks: turfschipper. Hij was in deze tijd bekend onder de naam Aa-jan, had een (turf?)schuit waarmee hij op Almelo voer (genoemd als getuige inzake aanklacht tegen Albert Frerix Jonker inzake opruiing tegen de Heer van Almelo (HAA inv. nr. 2969 foto 503).
Zijn vermogen werd in 1751 geschat op 100 gulden (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556). Hij moet ergens in de buurt van Oosteinde 305 hebben gewoond.


Op 07-01-1738 heeft Jan Aman ruzie met Derk Jansen Geerdinkman in het huis van Jan Jonker. (bron breukregister van de schout: AHA inv. nr. 3242).


08-04-1773 schuldverklaring van Jan Berents Kenkhuijs en Henderica Jansen Aman. Het betreft een schuldobligatie d.d. 03-02-1755 van wijlen hun (schoon)vader Jan Aman en zijn vrouw Metjen Claesen ten bate van de erven van wijlen de schout Gerrit Hendrik Hesselink en Janna Cruijs. De schuld bedraagt 258 gulden en 18 stuivers (bron: schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2677).
Notitie bij het overlijden van Jan Hendricks: nog genoemd bij trouwen dochter Henderica als de vader (10-02-1770)
Notitie bij Metjen Claassen: genoemd als getuige inzake aanklacht tegen Albert Frerix Jonker inzake opruiing tegen de Heer van Almelo (HAA inv. nr. 2969 foto 503).
Notitie bij het overlijden van Metjen Claassen: genoemd als obligatiehouder van een schuld ten laste van haar dochter d.d. 03-02-1755 (schuldverklaring archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2677 d.d. 08-04-1773).
Notitie bij het huwelijk van Jan Hendricks en Metjen Claassen: In een extract uit het trouwboek van de Hervormde Kerk van het huwelijk van dit echtpaar staat:
Jan Hendrijks N.S. van wijlen Hendrijk Jansen en Metjen Claesen D.V. Claes Hermsen. Dit huwelijk staat in het breukregister vermeld vanwege het feit dat de dochter binnen 9 maanden na het huwelijk was geboren. Dat betekende een boete betalen aan de Heer van Almelo.

220. Egbert Jansen Tromp, ged. Wierden 16 jan. 1716, † Vriezenveen na 1786, tr. Meppel 174344
221. Fenna Catrina Claassen Raphuijs, ged. Vriezenveen 23 febr. 1716, †?.

Notitie bij Egbert Jansen: zie notities zoon Jannes.
In 1748 worden Egbert Jansen en vrouw Fenneken Raphuis genoemd en 2 kinderen onder 10 jaar, te weten Jannes en Geessien.
Egbert wordt in 1753 inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 1 persoon en moet 5 stuivers betalen. Hiermee ligt hij aardig onder het Vriezenveense gemiddelde. Ook in 1760 wordt Egbert voor 1 persoon aangeslagen en moet hij 4 stuivers dokken, met 20 cent is dat ook voor dat jaar ruim beneden het Vriezenveense gemiddelde van 39 cent.
Notitie bij Fenna Catrina Claassen: soms in de doopregisters als ouder ook gewoon Fenneken Berents genoemd, dan wel fenneken Raphuys.
Notitie bij het huwelijk van Egbert Jansen en Fenna Catrina Claassen: Egbert Tromp woont bij zijn huwelijk in Meppel, hij staat vermeld als afkomstig van Wierden. Fenna Catrina Raphuijs staat vermeld als afkomstig van Vriezenveen.

222. Jan Lucassen Vrielink, geb. omstr. 1720, † Vriezenveen vóór 5 maart 1777, tr. 1e Vriezenveen 9 nov. 1738 Jenneken Jansen, geb. omstr. 1715, † Vriezenveen vóór 1743; tr. 2e Vriezenveen (?) vóór 1743
223. Jacomijne (Hermijntjen, Mientje) Hendrijks, ged. Vriezenveen 5 jan. 1716, † ald..

Notitie bij Jan Lucassen: RK (zie doop zoon Harmen 1752). Jan Vrielink en Harmine Hendriks worden met de volkstelling 1748 genoemd met 3 kinderen beneden 10 jaar, het zijn Janna, Jannes en Albert.

Bij de doop van Albert in 1747 wordt de vader Jan bij zijn patroniem vermeld "Lukes". Ook bij de doop van zoon Harmen (1752), word het patroniem ("Lukas") van de vader vermeld, met verder nog de toevoeging dat de vader "Rooms" is en dat de zuster van de moeder, het kind ten doop heeft gehouden.

Jan Vrielink woonde met zijn gezin aan het Oosteinde, ter hoogte van huidige nummering 283.

In 1735 staat Jan Vrielink in het hoofdgeldkohier nog vermeld aan het uiterste Oosteinde (in de buurt van nummer 390), naast hetvoorouderlijke erf. Zijn vader zal dan al zijn overleden, want zijn grootvader Geert Vrijlink staat nog vermeld. In 1723 staat zijn grootvader Geert Henrix op deze locatie eveneens vermeld (bron: verpondings en contributieregister van dat jaar (AHA 2739).
Jan Vrielink wordt in het hoofdgeldkohier van 1738 voor het eerst genoemd op de nieuwe locatie; hij wordt dan aangeslagen voor 1 persoon en moet 40 cent betalen. Voor 1738 bewoonde een zekere Berent Hermens dit erf. In 1739 staat Jan Vrielink vermeld met 2 personen en bedraagt de aanslag 1 gulden. Ik vermoed dat hij toen getrouwd was met Jenneken Jansen, zij lieten in 1739 en 1741 in Vriezenveen een kind Jan dopen. Jan zou dus 2 x getrouwd zijn geweest.

Zijn vermogen werd in 1751 geschat op 100 gulden (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556).
Daarmee behoorde hij tot de armeren van het dorp.

224. Hendrik Willems Bramer, ged. Vriezenveen 21 mei 1724, † ald. vóór 1801, tr. Vriezenveen 12 maart 1768
225. Annegjen Alberts Hartog, ged. Vriezenveen 9 febr. 1738, † ald. 17 dec. 1806.

Notitie bij Hendrik Willems: In 1795 bij de volkstelling wordt Hendrik Bramer mogelijk zelfstandig genoemd als dagloner in een woning die in de buurt van het ouderlijke "Gjöttenerf" Westeinde 144, gelegen moet zijn geweest. (zie ook notities bij zijn moeder Cunera). Hij zal het als wever niet erg breed hebben gehad. Ook zoon Willem Bamer, die in dezelfde omgeving aan het Westeinde wordt genoemd met de volkstelling van 1795 zal het als wever niet erg breed hebben gehad. Hendriks broer Gerrit en Fredrik en zuster Trijntje (kohier op de quotisatie 1808) bewoonden het ouderlijk erf. Dit was zo bepaald in het testament van moeder Cunnera. Later zou de zoon van Hendrik genaamd Willem dit erf in handen krijgen. De broers en zuster van Hendrik waren namelijk ongehuwd, waardoor het erf later toekwam aan de kinderen van Hendrik.
Notitie bij de geboorte van Hendrik Willems: de naam van de moeder wordt bij Hendrik in 1724 niet vermeld. vermeld staat Hendrik zv "Willem Jansen Braemer en........" Wellicht was het een "moetje".
Notitie bij het overlijden van Hendrik Willems: in het overzicht van giften aan de kerk uit 1801 staat vermeld de weduwe Hind-k Bramer. Zij doneert 1 gulden.
Notitie bij Annegjen Alberts: een broer van Annigjen, Jan geb. 1749, was in 1770 te Sint Petersburg (bron: J. Hosmar, Vriezenveense rusluie)

226. Albert Gerrits Waanders, ged. Vriezenveen 17 juli 1735, begr. ald. 10 april 1807, tr. Vriezenveen 20 maart 1762
227. Hendrikje Jansen Tijhof, ged. Vriezenveen 11 dec. 1735, † ald. na 1780.

Notitie bij Albert Gerrits: landbouwer, bewoonde het erf Westeinde 200 (huidige nummering); zie Ken uw dorp en heb het lief, blz. 197. Het erf omvatte 4 akkers (boterpachtregister 1763). Bewioonde het ouderlijke erf. Niet te verwarren met de wever Albert Gerrits die verderop op het Westeinde woonde!

Op 22-06-1765 verklaren Albert Gerrits en Hendrikje Jansen 500 gulden schuldig te zijn aan Gerrijt Schipper en Engberdina Hendriks (bron: archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2676).

Op 24-03-1780 verklaren Alb. Gerritsen Waanders en Henderikje Jansen Tijhoff 500 gulden schuldig te zijn aan Hendrik Arentsen en Lena Cruijs. Dit onder hypotheek van huis en erf, dat eigendommelijk gedeeld wordt met Roelof Wiegers (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2678).
Notitie bij de geboorte van Hendrikje Jansen: van een tweeling, haar tweelingbroer heet Otto.

228. Gerrit Harms Kerre, ged. Vriezenveen 17 aug. 1732, begr. ald. 13 jan. 1806,9 tr. Vriezenveen 24 jan. 1756
229. Geesjen Garrits, ged. Vriezenveen 25 maart 1728,45 †?.

Notitie bij Gerrit Harms: naam ook wel Cerre, Kirre . Hij is niet traceerbaar in de boterpachtkohieren, in 1795 genoemd als de aangever van het gezin van zijn dochter en schoonzoon, waar hij bij de volkstelling van dat jaar inwonend was. Mogelijk is hij evenals zijn schoonzoon wever van beroep geweest.
Moet in de buurt van Westeinde 100 hebben gewoond, evenals zijn vader en grootvader. Het erf was van de kerk ofwel de Sint Crucenvicarie, een zogenaamd pastorieerf. Staat in 1761 te boek voor een halve akker, is per jaar 6 gulden verschuldigd en nog een koeweide voor een pachtsom van 2 gulden en 2 stuivers per jaar. (bron: archief Huize Almelo inv. nr. 1807).
Gerrit Kerre komt niet voor in het kohier van de 1000e penning uit 1751. Dat betekent dat hij tot de groep minderbedeelden van Vriezenveen hoorde.
Notitie bij Geesjen: volgens André Idzinga, Vriezenveners.nl is zij de dochter van Gerrit Herms Persoon en Metjen Gerrits en gedoopt op 25-3-1728.
In 1748, tijdens de volkstelling is ze dienstbode bij Harmen Fronten.

230. Jan Gerritsen Hospes, ged. Vriezenveen 25 juli 1728, † ald. na 1764, tr. Vriezenveen omstr. 1752
231. Swennigjen Lucassen Schoemaker, ged. Vriezenveen 15 mei 1729, † Vriezenveen (?) na 1795.

Notitie bij Jan Gerritsen: Komt als Jan Garrijts voor in het Hoofdgeldkohier van 1760, woont aan het Oosteinde, wordt aangeslagen voor 3 personen. Zou volgens Herman Jansen op het "Knievvelserf" , Oosteinde 200 hebben gewoond (zie notities dochter Gerhardina). Zit qua hoofdelijke belastingaanslag (1 gulden en 4 stuivers beneden het gemiddelde). Is niet in de boterpachtkohieren te traceren. De vraag is of hij landerijen had, zoon Gerrit die in 1795 (volkstelling) het erf bewoont, is nl. daghuurder van beroep.

Op 28-10-1752 kopen Jan Gerrits Hospes en zijn vrouw voor 130 car. guldens 160 treden land, gelegen in de landerijen van Jan Harmsen Tutertjes, van o.a. Berent Gerrits Coster en Willem Jansen Post (gehuwd met Mette Jansen Snijder) als mombers voor het onmondige kind van wijlen Gerrit Gerritsen Koster en Aaltje Jansen Snijder, genaamd Jan Gerrits, idem 28-10-1752 (Bron: Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

Op 07-02-1760 kopen Jan Gerrits Hospes en zijn vrouw 2 koeweiden van Gerrit Willemsen Kamp en diens echtgenote Jenneken Hendriks Scheeper voor 277 guldens (Bron: Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2676).
Notitie bij de geboorte van Swennigjen Lucassen: gedoopt als dochter van Lukas Jansen en Jennigjen Berends
Notitie bij het overlijden van Swennigjen Lucassen: is nog in 1795 getuige bij de doop van haar kleinkind Fredrika op hemelvaartsdag 1795 in de Oude Kerk te Amsterdam. Eerder trad ze als getuige op in 1793.

232. Hendrik Jansen Pot (ook wel Snijder), ged. Vriezenveen 1 maart 1710, † ald. na 1784, tr. omstr. 1735
233. Metje Harmsen, ged. Vriezenveen 26 dec. 1706, † ald. vóór 1784.

Notitie bij Hendrik Jansen: kleermaker van beroep? Bewoonde het erf Westeinde 608 (bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 248-249), voorheen was dit erf eigendom van Willem Klaassen Vos, zie notities echtgenote Metje Harmsen; Willem Vos wordt in het verpondingsregister van 1736 nog als hoofdbewoner vermeld.

Bij de volkstelling van 1748 worden genoemd Henr. Pott en echtgenoot Mette Harmsen, verder twee kinderen onder de 10 jaar Jan Henderix en Geessien Henderix, het zoontje Hermen dat werd gedoopt op 19-8-1742 is dan kennelijk al overleden.

In het breukarchief van de schout Claes Cruijs komt in 1734 voor Hendrik Jansen Snijder, alias Pot. De kwestie waarin Snijder alias Pot wordt genoemd betreft een ruzie over wiegengeld (?)van Jan Freriks Tutertien junior tussen Pot en Derk Jansen Schuurman. het voorval vond plaats in de herberg van Willem Jansen Onweer. (bron: AHA inv. nr. 3241). Dacht ik aanvankelijk nog dat de Hendrik Pot uit Hellendoorn afkomstig moet zijn, -vanwege het Poterf in deze plaats-; door dit gegeven is een andere conclusie voor de hand liggend. Namelijk Hendrik Jansen Pot is de zoon van Jan Egberts Snijder en Jennigjen Jansen en moet zijn gedoopt op 1 maart 1710 te Vriezenveen.

Hendrik Snijder komt al zelfstandig als belastingplichtige in het belastingregister van het geslacht uit 1738 voor. Hij was toen woonachtig op het Westeinde op het zelfde erf(!) als het latere Potserf. Ook in het hoofdgeldkohier van 1735 staat hij als Hendrik Jansen zelfstandig vermeld met een aanslag voor 2 personen. In het geslachtsbelastingregister van 1739 slaat louter de aanduiding Pot. De belastingkohieren bevestigen dus de conclusie dat Hendrik Jansen Pot en Hendrik Jansen Snijder identiek zijn.

Met de belasting van de 1000e penning in 1758 (Statenarchief inv. nr. 2559) wordt Hendrik Pot aangeslagen voor een vermogen van 525 gulden en daarmee behoorde hij tot de meer vermogende Vriezenveners.

Hendrik Pot maakte in 1784 zijn testament (21-03-1784). Zijn zoon Jan Hendriks Pot wordt tot universeel erfgenaam benoemd onder voorbehoud dat de twee dochters Geesje en Harmijna Hendriks Pot hun legitieme erfdeel krijgen.
Harmijna hendriks Pot ontvangt voorts een legaat van 50 gulden (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2678).
Notitie bij de geboorte van Hendrik Jansen: gedoopt als Hendrick zoon van Jan Egberts en Jennighjen Jansen
Notitie bij Metje: Metje kocht in 1730 van Willem Klaassen Voss en Jenneken Jansen huis en landerijen voor 150 caroli gulden. Voor nog een 150 gulden kreeg ze daarbij ook de inboedel nog. (Bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2674, zie ook Ken uw dorp en heb het lief, blz.248, 249) Dit was niet een groot bedrag, dus of het stelde niet veel voor ofwel Metje was familie. Ik vermoed dat Jenneken Jansen een zuster was van de moeder van Metje, Geesjen Jans. Bijzonder trouwens dat zij als vrouw een erf kocht. Ik ga er van uit dat Metje een dochter is van Herman Hendriks Grobben, dit klopt qua doopdatum, maar ook met de vernoeming van namen naar de grootouders, er is nl. een dochter Geesjen Pot.

234. Berent Jansen Smelt (dezelfde als 216), tr.
235. Jenneken Hendriks Klumper (dezelfde als 217).

236. Jan Eshuijs, ged. Wierden 16 juni 1720, † ald. vóór 22 mei 1784, tr. 1e46 (kerkelijk Wierden 1 april 1742) Maria Huijskes, ged. Wierden (?) 18 aug. 1700, † Wierden vóór 1748, dr. van Harmen (Jansen?) en Geesje Gerritsen en wed. van Garrit Voordinck; tr. 3e Wierden 21 juni 1761 Maria Staman, ged. Wierden 31 aug. 1732, † ald. omstr. 1762, dr. van Garrit en Aeltjen Eshuis; tr. 4e (ondertr. Wierden 4 dec. 1762) Berendina Kosters, geb. Vriezenveen, † Wierden, wed. van Harmen Willemsen; tr. 2e Wierden 6 nov. 1748
237. Harmina Sweerinck, ged. Wierden 10 okt. 1717, † ald. vóór 1761.

Notitie bij Jan: Bij de volkstelling van Wierden in 1748 staat vermeld:
het huis van Jan Eshuis: Jan Eshuis en de kinderen: Garritien (boven 10 jaar) en zoon onder 10 jaar: Gerrit. Garritien was een dochter uit een eerder huwelijk van Maria Huijskes, zij droeg de achternaam Voordink. Door de vermelding huis ipv katerstede of erf, kan geconcludeerd worden dat Jan niet boer kan zijn geweest. Hij zal mogelijk ambachtsman zijn geweest.
Notitie bij Harmina: Heet ook wel in de Belte, net zoals haar vader.
Bij de volkstelling van 1748 staat Maria Swerinck vermeld als inwonend op het erf Sweerinck, hoofdbewoners zijn dan Jan Sweerinck en Jenne (afkomstig van het Boomhuis te Almelo; zij huwden te Wierden op 12-4-1733).
Notitie bij de geboorte van Harmina: als ouders staan bij de doop vermeld: Gerrit Sweerinck in de Belte en Anna.

238. Hendrik Jansen Nijhof, ged. Wierden 27 febr. 1724, †?, tr. Wierden 12 sept. 1751
239. Jenneken Lankamp, ged. Wierden 10 febr. 1726, †?.

240. Henricus Harmsen Aman (dezelfde als 136), tr. Vriezenveen 23 april 1757
241. Hendrikje Gerrits Smelt (dezelfde als 137).

Notitie bij Henricus Harmsen: landbouwer (bron: overlijdensakte zoon Fredrik 1827). Bewoonde de boerderij aan het Oosteinde 312 (huidige nummering). Zie blz. 146 Ken uw dorp en heb het lief.
Met de volkstelling van 1748 vermeld als Henricus Harmsen als kind boven 10 jaar, inwonend bij zijn ouders.
Bewoonde het ouderlijk erf. In 1760 wordt "hendrijkes harms" inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 3 personen en moet 1,70 betalen, dat is behoorlijk boven de gemiddelde afdracht van 39 cent p.p., nl. ca. 57 cent.

Henricus was zelf van heel simpele komaf. Door zijn huwelijk (of misschien ook handelsactiviteiten) steeg de familie Aman behoorlijk op de maatschappelijke en welstandsladder.

242. J(oh)annes Berkhoff (dezelfde als 138), tr. 2e Vriezenveen 21 juni 1760
243. Metje Jansen Tutertjen (dezelfde als 139).

Notitie bij J(oh)annes: gedoopt als naam onleesbaar ouders heten Jan Jansen Berkhof en Hendrijkjen Jansen. Wordt evenals zijn vader niet in de boterpachtkohieren vermeld. Heeft het ouderlijk erf van zijn vader overgenomen dat gelegen was aan het Oosteinde 409. In de hoofgeldkohieren vermeld als Jannes of Jans. Hierin voor het eerst genoemd in 1759, wordt dan evenals in 1760 aangeslagen voor 2 gulden (aanslag voor 3 personen) en dat was een hoog bedrag, nl. ca. 67 cent, terwijl het gemiddelde op 39 cent p.p. lag. Wordt in 1764 nog genoemd, dan als Jan, wordt dan aangeslagen voor 1 gulden en 12 stuivers. In elk geval zijn z’n boeren activiteiten kleinschaliger van omvang dan die van zijn broer Jan, die een grote schaapskudde had. Jannes blijft bij maximaal 5 schapen steken en ook z’n landbouwareaal was kleiner van omvang, als we de belastingkohieren van gezaaide landerijen mogen geloven. In 1761 heeft hij naast een varken en een paard 5 bijenkorven en heeft hij geen schapen meer, hij zal ongeveer 2 koeien hebben gehad, gezien de bedragen die hij aan koegeld (belastiing op het hoornvee) moest betalen. Hij zal andere middelen van bestaan moeten hebben gehad, misschien koopman of schipper zoals de 2e echtgenoot van Metje Jansen Tuttertjen.
Het echtpaar maakt een testament op 8-12-1759. Testator vermaakt aan zijn moeder Hendrikjen Jansen Smelt haar legitieme erfdeel. Testatrice doet hetzelfde voor haar ouders Roelof Wilms en Aaltjen Berens. De kleding van testatrice worden vermaakt aan haar moeder, tenminste als zij zonder kinderen zou komen te overlijden. Testator legateert zijn linnen en wollen kleren aan zijn broer Jan Barkhoff. verder is het een langstlevende testament. Jannes ondertekent het testament, zijn echtgenote plaatst een kruisje (bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).

Jannes wordt nog in het belastingregister van gehoornde beesten in 1767 vermeld. Het erf van Johannes wordt in 1768 volgens hetzelfde belastingregister van gehoornde beesten bewoond door een zekere Jannes Albertsen, die zich ook wel Weijteman noemde, hij was in 1766 gehuwd met de weduwe van Jannes Berkhof.

Johannes, doorgaans Jannes genoemd, wordt vermeld als getuige in een proces dat handelt om de mishandeling van Lucas Jonker door Harmen Klaassen (processtuk 8-3-1747 Archief Huize Almelo inv.nr. 2932). Jannes zegt dan omtrent 18 jaar oud te zijn.
Het erf van Johannes wordt na diens dood overgenomen door de familie Weiteman; op 20-9-1766 huwt Jannes Albersen Weiteman (volgens de volkstelling van 1795 schipper van beroep) met de weduwe van Jannes Berkhoff, Metje Tuttertjen. Vanaf dat moment doet de naam Weiteman z’n intrede op het oude Berkhof’serf. De familie Weiteman bzit het pand in elk geval nog in 1834 als in de kadastrale leggers Jan Weiteman, zoon van Jannes als eigenaar van het erf wordt genoemd.
Notitie bij de geboorte van J(oh)annes: bij doop is de moeder niet vermeld, alleen de naam van de vader Jan Jansen.
Notitie bij het overlijden van J(oh)annes: op 20-09-1766 hertrouwt de weduwe van Jannes Berkhof met Jannes Alberts Weijteman.

244. Jan Berkhoff (Buten) (dezelfde als 128), tr. Vriezenveen 18 jan. 1749
245. Kunnigje Derks Fayer (dezelfde als 129).

Notitie bij Jan: bewoonde het Jan Butenserf gelegen aan het Oosteinde 390 (huidige nummering).
kerkmeester in de periode 1763-1787 (bron: gemeentejaarrekeningen AHA). Gedoopt als Jan zoon van Jan Berchof en Hendrijkjen Smelt. Hij was zelf afkomstig van het pand Oosteinde 409 (aan de overzijde van de straat) en huwde zijn buurmeisje Kunnigje Fayer, die op nummer 407 woonde (uitgaande van de huidige nummering). Van beroep was Jan landbouwer, turfschipper en timmerman en mogelijk evenals zijn vader linnenkoopman (zie opmerkingen hierover bij vader Jan). De waterput uit 1784 met initialen van Jan Berkhof en Kunnigje Derks Fayer (J.B.H. en K.D.F.) was anno 2004 nog steeds te vinden aan het Oosteinde 300 te Vriezenveen.
Zowel bij het overlijden van zijn dochter Dina in 1812, als bij het overlijden van zijn dochter Janna in 1822 wordt als beroep van Jan genoemd timmerman.
Verkrijgt de helft van het erf van zijn schoonvader Derk Fayer en wordt voor het eerst in het hoofdgeldkohier van 1750 genoemd, heet dan Jan Berkhof jonge. Omstreeks 1750 zal Jan dus op zich zelf zijn gaan wonen. Broer Johannes blijft op het ouderlijke erf van vader Jan wonen, gelegen aan het Oosteinde 409. Jan Berkhoff (Buten), wordt met de hoofdelijke aanslag van 1753 voor 1 persoon belast met 1 gulden, wat erg veel is. In 1753 in het belastingregister op de reliqua (belasting op schapen, varkens en bijenkorven) wordt Jan voor het eerst met de naam Buten aangeduid, hij heeft dan 16 schapen, wat behoorlijk veel is; slechts 3 boeren op het Oosteinde kunnen zich in dat jaar eigenaar van een grotere schapenkudde noemen, waaronder ook oom Berent Jansen Berkhof, die dan 20 schapen bezit. Ook had hij nog een varken en 4 hoornbeesten (runderen ouder dan 3 jaar). NB De belasting op gehoornd vee betrof nl. koeien ouder dan 3 jaar. Hoornvee jonger dan 3 jaar is dus niet meegenomen in de belastingkohieren. Verder moest hij in 1753 belasting betalen voor meer dan een halve hectare bezaaid land. In 1760 bezat Jan zelfs 25 schapen, waarvoor hij toen bijna 2 gulden belasting moest betalen. Hij was dat jaar op één na de grootste schapenboer van Vriezenveen, alleen Berent Wype had meer schapen dat jaar, nl. 26. In later jaren moet de schaapskudde van Jan Buten, gezien het belastingbedrag dat hij moest betalen, zelfs nog groter geweest zijn.
De naam Jan Buten in het belastingregister op de reliqua uit 1753 is de eerste aanduiding voor de bijnaam Jan Butens, die zijn nazaten vandaag de dag nog steeds dragen (2004). Hij is als het ware de stamvader van de Jan Butens, zijn alias was Jan Buten en in de belastingregisters komen we hem onder die naam vaker tegen als onder de naam Berkhof. In 1760 wordt Jan Buten hoofdelijk aangeslagen voor 2 personen en moet 1,70 betalen, dat is 0,85 per persoon, terwijl het gemiddelde voor heel Vriezenveen op 0,39 lag. Hij behoorde hiermee zeker tot de meer vermogende Vriezenveners.
Het Fayerserf (Oosteinde 407] was onderdeel van het Berckhoff´s erf uit 1583 bestaande uit 10 akkers (bron: boterpachtkohieren), dat rond 1645 werd opgesplitst in twee 4-akker erven. Ook nu dus weer een opsplitsing. Jan krijgt van de 4 akkers, 2 akkers en gaat zich aan de zuidzijde van de dorpsstraat vestigen. Jan vestigde zich aanvankelijk een stuk zuidelijker van de dorpsstraat, vandaar de bijnaam "Buten". Zie Ken uw dorp en heb het lief, blz. 158). Lang heeft het erf daar niet gestaan, zo´n 35 jaar, want in 1784 bouwt hij een nieuwe boerderij, dichter bij de dorpsstraat, waar de waterput uit 1784 nog steeds van getuigt (anno 2004). Jan Buten bezat ook nog land genaamd de paterije en het land ten oosten van de Schipsloot (zie Ken uw dorp en heb het lief). In het boterpachtregister over 1753 wordt de splitsing van het erf al duidelijk. Hoewel het "Fayerserf" daarin nog aangegeven staat als één erf, wordt de betaling van de boterpacht reeds voor de helft opgebracht door de aantrouw Jan Berkhoff, die 8 pond boter betaalt en zijn zwager Jan Derksen Feyer, betaalt ook 8 pond boter. In het boterpachtkohier van 1763 staat hij aangeduid als Jan Berkhof junior, dit ter onderscheid van zijn vader, die dan dus mogelijk nog leeft. Jan Berkhof wordt nog genoemd in het kohier van dienstbodengeld (Archief Huize Almelo) van 1790, en wordt dan aangeslagen voor 1 gulden en 8 stuivers.

08-02-1773 akte van transport: aankoop van een akker turfland op het Superplus door Jan Jansen Berkhof en zijn huisvrouw voor een bedrag van 126 gulden, 11 stuivers en 8 penningen van de edele Gerrit Costers Egb.zn. [koopman te Almelo]. Het gekochte land is gelegen tussen het land van Jan Berents Hof en Henderik Berents Braemer (bron: Archief schoutambt Vriezenveen, inv,.nr. 2677).

3-5-1777 is Jan Jansen Berkhof, één van de turfschippers die de Heer van Almelo verzochten om een dam in de Hollander Graven te plaatsen, zodat het water op kon stuwen, om het transport van turf te vergemakkelijken (inv. nr. 4067 Staten archief). Het verzoek is verder ondertekend door Albert Berends Broertjen, Hendrikus Harms, Berend Hofman, Jan Koops en Jannes Vrijlink.

Als timmerman komt Jan Jansen Berkhof Buijten diverse keren voor in de jaarrekeningen van de gemeente, omdat hij diverse timmeropdrachten uitvoerde aan bruggen, de pastorie, de kerktoren etc. In 1754 repareert hij het Oostervonder en brengt hij 10 gulden en 7 stuivers in rekening. In 1764 bedraagt de rekening voor reparaties aan bruggen 25 gulden en 10 stuivers. In 1776 brengt hij een bedrag van 36,35 gulden in rekening voor reparatie van de poort van de pastorie.

20-11-1783 is Jan Berkhoff, samen met Gerrit Fredriks en Claas Claasen, voogd over de onbekwaam verklaarde Jan Faijer (gedoopt 1722) en diens onmondige dochtertje Jannetje Faijer. Jan Faijer was een neef van echtgenote Kunnigje Derks Faijer (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2678).
Notitie bij het overlijden van Jan: in het kerspellastenbelastingregister van 1792 worden genoemd, de kinderen Jan Berkhof, een teken dat Jan overleden moet zijn in dat jaar. In het register van 1791 wordt Jan nog genoemd.

246. Wolter Derks Schipper (dezelfde als 130), tr. Vriezenveen 11 maart 1758
247. Jenneken Berends Berkhof (dezelfde als 131).

Notitie bij Wolter Derks: Bewoonde het pand Oosteinde 251, bekend als het Keibeerndserf (blz. 114,115 Ken uw dorp en heb het lief).
Nam het erf over van zijn schoonvader Berend Jansen Berkhoff wordt in 1763 als eigenaar van het goed genoemd. Het goed was toen een 3-akkerstuk. Bij het Hoofdgeld van 1760 wordt Wolter aangeslagen voor 4 personen en moet hij 2 gulden betalen. Dat is 0,50 per persoon, en hiermee lag men boven de gemiddelde aanslag van 0,39 per persoon. In 1779 wordt genoemd de weduwe Schipper, zij krijgt een aanslag van 3 gulden voor 2 personen.
Wolter Schipper heeft waarschijnlijk en rol gespeeld in het Vriezenveens bestuur, herhaaldelijk komt in de gemeentejaarrekeningen voor (zestiger jaren van de 18e eeuw) dat Wolter betrokken was bij vaststelling van belastingregisters, in 1779 wordt met de weduwe van Wolter Schipper nog een bedrag in de gemeentejaarrekening opgenomen van 5,25 voor het beestentellen. Zoon Berent zal de functie van zijn vader op dit vlak overnemen en staat vanaf 1780 in de gemeentejaarrekening als beestenteller vermeld.

Op 12-01-1763 ontvangen Egbert Berends Berkhof en Wolter Derks Schipper van de schout Jan Dikkers 237,10 gulden, in verband met proceskosten inzake de sluis bij het Kooikershuis, die wijlen hun (schoon) vader als verwalter-schout had gemaakt en van gemeentewege had voorgeschoten (Archief Huis Weleveld, kerspel Vriezenveen, inv. nr. 2).
Notitie bij het overlijden van Wolter Derks: In 1779 wordt de weduwe Wolter Schipper genoemd in de gemeentejaarrekening, waarbij haar nog een vergoeding toekomt van het beestentellen voor de belastingvaststelling dat Wolter kennelijk dat jaar voor zijn overlijden nog heeft uitgevoerd.

248. Fredrik Hendriks Aman (dezelfde als 68 in generatie VII), tr. Vriezenveen 20 sept. 1783
249. Kunnigje Jansen Berkhoff (dezelfde als 69 in generatie VII).

Notitie bij Fredrik Hendriks: landbouwer, imker (zie boedelscheiding) en koopman (1806). In de overlijdensakte genoemd landbouwer van beroep.
was kerkmeester van de Ned. Herv. kerk te Vriezenveen (o.a. in 1809).
Bewoonde de boerderij aan het Oosteinde 312 (huidige nummering). Deze boerderij zou de bakermat van alle families Aman zijn.
Volgens het register op de personele quotisatie van 1808 beschikte Fredrik over een inkomen tussen 200 en 250 gulden en dat was aanzienlijk.

Frederik verstrekte aan diverse dorpsgenoten hypotheken en kocht een vierakkerstuk (bron: Ken uw dorp en heb het lief blz. 146).
De boerderij van Fredrik brandde in 1818 af. De schout Jan Kruijs schrijft hierover in zijn dagboek:
veertien dagen voor Paasschen brande het Huys van Frederik
Aman af. Zulks geschiede op een agtermiddag, Terwyl
de vrouw (eten?) bezig waren aan de wasch, de vlam
nam zo spoedig de overhand dat selfs het vhee en het
Paard niet heeft gered kunnen worden. Ymen, Honig,
wasch en byna de geheelen Inboedel is verloren gegaan.
Het Huys was gelukkig in de brand cas voor f 1200.-
Thans staat er weder een allerbest boeren Huys in de
plaats."

In de Staatscourant van 24 maart 1818 wordt de brand zelfs vermeld: "Vrieseveen, den 17 maart.
Heden nadenmiddag ten 4 uren, is, door eene geheele onbekende oorzaak, de woning van den landbouwer Frederik Aman in brand geraakt en, met den geheelen inboedel, benevens de schuur, met zeven stuks rundvee en een paard, als in een ogenblik, een prooi der vlammen geworden. Door den ijver der brandspuitgasten, van de ingezetenen ondersteund, zijn de belenden woningen, niettegenstaande den fellen wind, behouden gebleven (Overijsselsche Courant)".

De betreffende boerderij had in 1832 een gemiddelde huurwaarde van 36 gulden en viel daarmee in belastingklasse 4 en was daarmee toendertijd zeker een woning van betere stand. De gegoede stand blijkt ook uit de bijdrage van Frederik aan de verbouwing van de Hervormde kerk in december 1801 ten bedrage van 32 gulden. De inwonende vader Hendrikus doneerde 5 gulden.
In het belastingkohier van de quotisatie wordt het jaarlijks inkomen van Fredrik op 250 tot 300 gulden geschat en dat was voor Vriezenveense begrippen erg veel.
Op 11-11-1820 vind er een boedelscheiding plaats tussen Fredrik Aman en zijn kinderen in verband met de verdeling van het voormalige aandeel van Kunnigje Jansen Berkhof in de boedel. De gezamenlijke boedel van het voormalige echtpaar omvatte in 1820:
2 akker land bij de boerderij aan het Oosteinde gelegen (toen genummerd 27), gelegen tussen de landerijen van Hendrik Hoff en Jan Hoff.
-2 koeweiden in het zogenaamde Onweersland. Diverse stukken wilde veengrond o.a. bij de buurtschap Geesteren.
-1 akker wilde grond in de Oosterhoeven
-2 akker wilde grond op de Grote Superplus.
totale waarde van landerijen geschat op 1.800 gulden.
Verder bezat Fredrik Aman:
- 5 koeien, waarde 150 gulden.
-1 paard, waarde 100 gulden.
-2 kalveren, waarde 20 gulden
-2 wagens, waarde 40 gulden
-2 kisten, waarde 15 gulden
-1 kast, waarde 10 gulden
-2 tafels en enige stoelen, waarde 10 gulden
-2 bedden met toebehoren, waarde 80 gulden
- enige potten, pannen, schotels, borden en verder keukengerei, waarde 40 gulden
-diverse bouwgereedschappen, waarde 26 gulden
-voorraad ongedorste rogge, waarde 70 gulden
-dito boekweit, waarde 70 gulden
-dito hooi, waarde 40 gulden
-dito aardappelen, waarde 50 gulden
-bijen, bijenkorven, was, honing, honingvaten en alle toebehoren voor de bijenteelt, waarde 850 gulden.

Aan leningen had het echtpaar in totaal 1.849 gulden uitstaan.
4 kinderen ontvangen een uitkering uit de boedel ter waarde van 712,25 te weten:
Hendrik Aman, Johanna Aman, Magdalena Aman en Hendrikus Aman ontvingen een aandeel van 721,- , in totaal 2.521,-. Als gemachtigde van Hendrikus Aman trad op zijn zwager Berend Hof, landbouwer te Vriezenveen (bron: notarieel archief Overijssel nr. 15)
Notitie bij het overlijden van Fredrik Hendriks: Fredrik is overleden op 10 april ’s-avonds om 6 uur in Almelo nabij het huis van Hendrikus Kortenvoord staande op de Schelfhorst wijk 5 nr. 273 en 274.

250. Berend Alberts Broertjen (dezelfde als 66 in generatie VII), tr. Vriezenveen 17 febr. 1793
251. Janna Berends Holland (dezelfde als 67 in generatie VII).

Notitie bij het huwelijk van Berend Alberts en Janna Berends: huwelijksregistratie luidt als volgt: "Berent Broertien Z. van Albert Broertien en Janna Henderiks Hof en Janna Holland D. van Baerent Holland en Janna Schipper J.D. geb: en wonende beide alhier"

252. Berent Jansen Hoff (Hofman), ged. Vriezenveen 15 aug. 1745, † ald. 20 mei 1814, tr. 2e Vriezenveen 2 sept. 1780 Gesina Joost, ged. Vriezenveen 4 juli 1756, † ald. 17 sept. 1838, dr. van Jan Harmsz. en Aeltjen Berends Frielinck; tr. 1e Vriezenveen 17 juni 1769
253. J(oh)anna Jansen Bramer, ged. Vriezenveen 18 juni 1747, † ald. vóór 1780.

Notitie bij Berent Jansen: in 1795 bij de volkstelling schipper van beroep. Moet in de buurt van Oosteinde 340 hebben gewoond gezien zijn positie op de lijst van de volkstelling. Het gezin omvatte toen 5 personen. Volgens de auteurs van Ken uw dorp en heb het lief, moet het pand Oosteinde 308 (huidige nummering) zijn geweest. In 1783 besloeg het goed nog 4 akkers. Daarna raakte het sterk versnipperd. In 1801 droeg Berend 10 gulden bij aan de vernieuwing van de gereformeerde kerk (is huidige hervormde kerk).
08-05-1780 akte van transport. Verkoop door Berent Jansen Hoffman en Janna Jansen Braamer, de hen toebehorende landerijen van Jan Berents Braamer voor 100 guldens aan Henricus Boesschen (bron: archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2678).

01-06-1781 akte van transport: verkopers:
-Hermen Schipper en Fenneken Hoff
-Hermannus Hof en Janna Egbers
-Berent Jansen Hoff voor zich zelf en als vader en wettige voogd voor zijn onmondige kinderen.
verkopen 1 akker bovenwegsland, (gemeenschappelijk met Derk Drosten bezeten) voor 100 gulden aan Albert ten Oever en Berent Bos.
Ook wordt nog een grasgaarden, gelegen in de landerijen van Gerrit Harms, verkocht voor 151 gulden aan Lucas Bom.
(archief schoutamt Vriezenveen inv. nr. 2678).
Notitie bij het overlijden van Berent Jansen: in de overlijdensakte staat vermeld: oud 70 jaar, landbouwer, echtgenoot van Gezina Joost.

254. Jannes Jansen Jacobs (de Baes), ged. Vriezenveen 3 juni 1743, † ald. 14 jan. 1822, tr. 2e Vriezenveen 19 april 1783 Aaltje Bramer, †?; tr. 1e Vriezenveen 11 april 1772
255. Johanna (Janna) Jansen Post, ged. Vriezenveen 3 dec. 1747, † ald. vóór 19 april 1783.

Notitie bij Jannes Jansen: boer volgens de volkstelling van 1795. Het gezin omvat dan 4 gezinsleden en de aangifte van de registratie van het gezin wordt gedaan door dochter Johanna. Jannes bewoont vanaf 1764 het erf westelijk van het Onweerserf aan het Oosteinde. Hij koopt het erf van Gerrit Fluge en zijn vrouw. (bron: Ken uw dorp blz. 147). Het erf is dan 3 akkers groot.

Samen met zijn dochter Janna wordt hij genoemd op de lijst van begunstigden met betrekking tot de verbouwing van de Hervormde kerk 1801. Jannes staat op de lijst ingeschreven voor 7 gulden en zijn dochter Janna voor 10 gulden (archief NH-kerk).

oa. inn 1778 staat hij in het belastingregister van kerspellasten onder de naam "de Baes" vermeld. Daar komt ongetwijfeld de bijnaaam de Baais van zijn nazaten vandaan.
Notitie bij het overlijden van Jannes Jansen: in zijn overlijdensakte staat dat hij 85 jaar is geworden. Dit klopt toch niet helemaal met de werkelijkheid (78 jaar!). Vermeld is verder dat hij weduwnaar is van Jenneken Bramer, ook dit is onjuist, want hij was gehuwd met Aaltje Bramer, tenzij hij nog een derde keer gehuwd is geweest..
Als ouder staat wel juist vermeld Jan Jacobs, in leven landbouwer te Vriezenveen.

Generatie IX

256. Jan Jansen Berkhoff, geb. Vriezenveen omstr. 1695, † ald. omstr. 1758, tr. Vriezenveen omstr. 1725
257. Hendrikje Jansen Smelt, ged. Vriezenveen 21 juli 1700,13 † ald. omstr. 1776.

Notitie bij Jan Jansen: landbouwer en koopman in linnen, mogelijk in maatschap met Gerrit Jansen Broertjen.
De link met de vader is niet hard, echter wel zeer waarschijnlijk. De mogelijke andere kandidaat Jan Berents Berkhoff (Kruis) heeft nl. al een zoon die Jan heet en waarvan de vaderlink wel hard te maken is via het boterpachtregister. Jan heeft gewoond in de boerenwoning Oosteinde 409, naast het voormalige Feijerserf, tegenover het oude Jan Butenserf. Jan wordt niet in de boterpachtregisters genoemd, maar wel in diverse belastingkohieren, zoals het hoofdgeldkohier van 1737. Toch moet hij over enige weide- en bouwgronden hebben beschikt, want in het jaar 1753 is bekend uit de belastingregisters dat Jan 1 paard had, 3 schapen en 4 bijenkorven, ook had hij nog 2 hoornbeesten (runderen ouder dan 3 jaar). NB De belasting op gehoornd vee betrof nl. koeien ouder dan 3 jaar. Hoornvee jonger dan 3 jaar zijn dus niet meegenomen in de belastingkohieren. Verder moest hij in 1753 belasting betalen voor meer dan een perceeltje land dat bezaaid was.
In 1748 bij de volkstelling worden genoemd Jan Jansen Berkhoff en Henderikjen Smelt, verder 2 zonen boven de 10 jaar de oudste Jan die "absent" is, dat wil zeggen dat hij mogelijk voor handelszaken op pad was en dat dit mogelijk ook zijn voornaamste bezigheid was en verder nog Jannes die elders ook wel Johannes wordt genoemd. Verder had het echtpaar een dienstbode genaamd Janna Gerritsen.
Bij de belastingen der personele quotisatie van 1750 wordt zijn jaarinkomen onder de 200 gulden geschat. Van het jaar 1753 is bekend uit de belastingregisters dat Jan 1 paard had, 3 schapen en 4 bijenkorven.

Volgens het kohier van de 1000e penning uit 1751 had Jan Berkhoff senior een geschat vermogen van 650 gulden. In 1758 is dat inmiddels 700 gulden geworden. In de kohieren van 1734 en 1739 werd Jan Berkhof nog niet in de registers vermeld. Dat betekent dat zijn vermogen toen nog onder de 500 gulden moet hebben gelegen.
Jan Berkhof wordt nog genoemd in het Hoofdgeldkohier van 1758. Hij wordt dan belast voor 2 gulden, gezien dit bedrag kan het moeilijk een armoedzaaier zijn geweest, ondanks het feit dat hij geen landerijen had (althans niet als zodanig traceerbaar in de boterpachtregisters). In 1759 wordt zijn zoon Jannes (ook wel Johannes) genoemd die dan kennelijk het ouderlijk erf heeft overgenomen. Zoon Jan heeft al eerder de ouderlijke woning verlaten en heeft zich gevestigd aan de zuidzijde van de dorpsstraat Oosteinde (de Jan Butens).
Jan Jansen Berkhof was mogelijk in 1740 door het college van Kerkmeesters en zestienen benoemd tot geslachtsetter, dat wil zeggen dat hij de hoogte van deze belasting bij hem in de buurt moest vaststellen (inv. nr. 2770 archief Huize Almelo). Aangezien de belastingsetters uit dit bestuurlijke college werden gekozen zal Jan waarschijnlijk sestiene zijn geweest (als kerkmeester is hij nl. niet bekend).
In 1747 wordt Jan Jansen Berkhof eveneens benoemd tot geslachtsetter (bron: gemeentejaarrekening). Overigens is er nog een andere kandidaat die in deze tijd leeft en Jan Jansen Berkhoff heet, 100% zekerkheid over de identiteit is dan ook niet te krijgen.

Rond 1742 heeft Jan mogelijk meer land verworven, want in dat jaar moet hij opeens meer belasting betalen volgens het verpondings en contributieregister van 1742. Zo wordt de verpondingsbelasting verhoogd van 3 gulden en 2 stuivers naar 4 gulden en 3 stuivers en de contributie gaat omhoog van 9 stuivers en 10 penningen naar 12 stuivers en 6 penningen.

Is in het jaar 1737 (de maand september of oktober) in de stad Halle en Leipzig samen met Gerrit Jansen Broertjen. Ook Henrik Jansen Boeschen en Jan Fredriks Fronten waren in dezelfde periode in die streken, mogelijk betrokken bij dezelfde maatschap. Dit blijkt uit een memorie uit het archief van het hooggericht Almelo. Hierin staat dat Henrik Jansen Boeschen, samen met Jan Fronten, van een bankier in Halle (Duitsland) enkele honderden guldens geld geleend had onder borg van 7 stuks linnen, maar de schuldverklaring zou Henrik Boeschen met een valse naam hebben ondertekend. Jan Jansen Berkhof en Gerrit Jansen Broertjen, die dezelfde bankier in Halle bezochten, werden gevraagd of zij de twee ( "een dikke zware man en een klein keerltien met swart haar") kenden en hen werd de valse schuldverklaring getoond, waarop ze ontkennend zouden hebben geantwoord. De man deelde de twee nog mee: "jullie zijn het niet, maar ze hadden wel dezelfde spraak". (bron: HAA inv. nr. 2969). NB theoretisch zou ook Jan Jansen Berkhof Kruijs degene kunnen zijn die in deze kwestie bedoeld wordt. Echter de andere 3 kooplieden komen uit het oostelijk deel van het Oosteinde, evenals Jan Jansen Berkhoff. Jan Jansen Berkhof Kruijs woonde meer westelijk op het Oosteinde, bovendien werd hij ook vaak met de naam Kruijs aangeduid. Wel is het zo dat de nabestaanden van Jan Berkhof Kruijs diens boedel in later jaren (1764) vanwege schulden aan Gerrit Coster Egberszoon, linnenkoopman te Almelo verkopen, dus mogelijk is toch Jan Berkhof Kruijs de koopman in Halle? Anderzijds is het zo dat van 2 broers van Jan Berkhof (gehuwd met Hendrikje Smelt),te weten Berent en Albert bekend is dat zij kooplieden in linnen waren. De absentie van zoon Jan tijdens de volkstelling van 1748 duidt mogelijk ook op handelsactiviteiten in dit gezin.
Notitie bij Hendrikje Jansen: bij de doop staat vermeld Henrikjen dochter van Jan Smelt en Kunneken Brouwers. Hendrikje kwam uit een zeer welgesteld gezin. Haar vader was een belangrijke geldschieter.
Tenminste als de vaderlink klopt. Ik heb daar toch wel wat vraagtekens bij. Hendrikje moet als jong meisje in Deventer hebben gewoond, waar haar ouders zich rond 1710 (burgerschap vader Jan in dat jaar) moeten hebben gevestigd. Toen Hendrikje 19 jaar oud was (1719) hertrouwde haar vader te Rotterdam. Broer Bernardus was al vanaf 1714 in Rotterdam op een leer-werkplek gezet om de fijne kneepjes van het koopmanschap in lijnwaad onder de knie te krijgen. Mogelijk dat Hendrikje in betrekking was in Vriezenveen. Helaas wordt Hendrikje niet in het testament van broer Bernardus (1758) genoemd; nicht Aleijda Smelt, die bij Bernardus in Deventer inwoonde, erfde alles, inclusief de Vriezenveense bezittingen. Ook vader Jan Smelt, die dan nog leeft komt zijn legitieme erfdeel toe. Op zich wel vreemd dat Hendrikje in het geheel niet wordt genoemd in het testament van haar broer. Het is natuurlijk altijd mogelijk dat de familieverhoudingen waren verstoord en gezien het gegeven dat Aleijda Smelt bij Bernardus inwonend was en kennelijk ook een garantie voor zijn oudedagsvoorziening was, is het niet zo vreemd dat zij tot universeel erfgenaam werd benoemd. Dergelijke constructies waren in die tijd heel gebruikelijk. Echter dat zuster Hendrikje in het geheel niet wordt genoemd in het testament is toch wel opmerkelijk.
Ik had graag een akte gezien (naast de doopregistratie) die bevestigt dat Hendrikje (echtgenote van Jan Berkhoff) inderdaad de dochter is van Jan Roelofs Smelt. Helaas heeft Jan zelf nooit een testament opgemaakt. Zijn 2e huwelijk in Rotterdam was niet in gemeenschap van goederen en daardoor was er kennelijk geen aanleiding een testament op te maken. Het zou theoretisch kunnen dat Hendrikje de dochter is van een andere Jan Smelt, die meer bij het (mindere) welstandsniveau van de Berkhofsfamilie aansloot. Hoewel er geen ander doop bekend is van een andere Hendrikje is het mogelijk dat ze voor 1697 gedoopt is (de doopregistraties van Vriezenveen beginnen in 1697) ofwel dat de doop om één of andere reden niet genoteerd is. Daar zijn veel gevallen van bekend. Ook de doopdatum van echtgenoot Jan Berkhoff is onbekend.

Mogelijke andere vaderkandidaten "Jan Smelt" van Hendrikje zouden kunnen zijn:
-Jan Freriksen Smelt geb. 1659, linnenkoopman, huwde 1687 te Amsterdam, voor zover bekend geen nakomelingen.
-Jan Gerritsen Smelt geb. 1667, boer, huwde in 1694 Hendrikje Jansen van der Aa, zou potentieel een kandidaat zijn, ware het niet dat een mogelijke dochter Hendrickjen Jansen huwde met Engbert Jansen, geb. ca. 1690. De aanname van deze dochter Hendrikje Jansen Smelt is gebaseerd op een transportakte van 4 mei 1765 (Archief Schoutambt Vriezenveen) waar de erfgenamen van de weduwe van Jan Gerritsen Smelt een stuk land verkopen. Onder hen is Berent Engberts, de zoon van Engbert Jansen en Hendrikje Jansen. Aangezien Engbert Jansen mogelijk een zoon zou zijn van Jan Egberts Kleijne zou Hendrikje Jansen daarom een dochter moeten zijn van Jan Gerrits Smelt. Als Egbert Jansen (ook een mogelijkheid) echter de zoon is van Jan Gerrijtsen Smelt ligt de situatie anders. In dat geval zou Hendrikje Smelt, gehuwd met Jan Berkhof uit dit gezin kunnen stammen; als erfgenaam wordt Jan Berkhof (man representeerde doorgaans de echtgenote) niet in de transportakte van 1765 vermeld. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de transportakte uit 1765 niet pretendeert alle erfgenamen weer te geven. De genoemde erfgenamen treden namelijk mede op namens niet vermelde erfgenamen. Bijvoorbeeld voor broer Frerik die in Meppel woonde en daarom wel vertegenwoordigd moest worden door een familielid. Nu woonde Jan Berkhof gewoon in Vriezenveen, maar als hij met de linnenmars op pad was in 1764 zou ditzelfde voor hem gegolden kunnen hebben. Jan Gerrijtsen Smelt wordt in het register van de 1.000e penning van 1715 aangeslagen voor een geschat vermogen van 500 gulden en sluit daarmee ook beter aan bij de geschatte vermogens der Berkhofjes (Jan Berkhof senior(gehuwd met Hendrikje Smelt) in 1751 650 gulden).
Conclusie Hendrikje Smelt (gehuwd met Jan Berkhoff) als dochter van Jan Gerrijtsen Smelt valt niet 100% uit te sluiten.
-Jan Harmsen Smelt, geb. 1620 (getuige in een proces in 1711, was toen 91 jaar!), huwde (o.a.?) Anneke Arentsen. De datering van deze persoon lijkt te ver terug in de tijd om een serieuze kandidaat te kunnen zijn.
-Jan Roelofsen Smelt geb. ca. 1665, de enige kandidaat waarvan een dochter Hendrikje als doopregistratie bekend is. Een belangrijk argument voor hem, als vader. Echter Hendrikje wordt niet genoemd in het testament van broer Bernardus (1758) en volgens het verpondings en contributiebelastingregister komt alle Vriezenveense grond van vader Jan Smelt na diens overlijden terecht bij zoon Bernardus; in elk geval de belastingen voor de voormalige Vriezenveense landerijen van Jan Smelt komen in 1750 volledig ten laste van Bernardus (ook wel Berent) Smelt.
Zie het hierna volgende overzicht:
verponding en contributie:
Jan Smelt 1734: 13 stuivers en 0 penningen (verponding); 1 gulden 13 stuivers en 0 penningen (contributie)
Jan Smelt 1736: 12 stuivers en 0 penningen (verponding); 1 gulden 13 stuivers en 0 penningen (contributie)
Jan Smelt 1739: 12 stuivers en 0 penningen (verponding); 1 gulden 13 stuivers en 0 penningen (contributie)
Jan Smelt 1745: 12 stuivers en 0 penningen (verponding); 1 gulden 13 stuivers en 0 penningen (contributie)
Jan Smelt 1750: niet meer vermeld

Berent Smelt 1734: 1 stuivers en 8 penningen (verponding); 0 gulden 4 stuivers en 2 penningen (contributie)
Berent Smelt 1736: 1 stuivers en 8 penningen (verponding); 0 gulden 4 stuivers en 2 penningen (contributie)
Berent Smelt 1739: 1 stuivers en 8 penningen (verponding); 0 gulden 4 stuivers en 2 penningen (contributie)
Bernard Smelt 1745: 1 stuivers en 8 penningen (verponding); 0 gulden 4 stuivers en 2 penningen (contributie)
Bernard Smelt 1750: 13 stuivers en 8 penningen (verponding); 1 gulden 17 stuivers en 2 penningen (contributie)

Jan Berkhof 1734: 3 stuivers en 3 penningen (verponding); 0 gulden 9 stuivers en 6 penningen (contributie)
Jan Berkhof 1736: 3 stuivers en 3 penningen (verponding); 0 gulden 9 stuivers en 6 penningen (contributie)
Jan Berkhof 1739: 3 stuivers en 2 penningen (verponding); 0 gulden 9 stuivers en 6 penningen (contributie)
Jan Berkhof 1745: 4 stuivers en 3 penningen (verponding); 0 gulden 12 stuivers en 6 penningen (contributie)
Jan Berkhof 1750: 4 stuivers en 3 penningen (verponding); 0 gulden 12 stuivers en 6 penningen (contributie)

Er gaat niets naar Jan Berkhof (x Hendrikje Smelt). Iets wat je normaliter toch zou verwachten bij een boedelverdeling. Niet bepaald onbelangrijke tegenargumenten die er mogelijk op duiden dat de Hendrikje Smelt, dochter van Jan Roelofs Smelt, mogelijk op jonge leeftijd is overleden en dus niet identiek zal zijn met de echtgenote van Jan Berkhof.
-Mogelijk zijn er nog andere vaderkandidaten. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan kinderen van Engbert Smelt geb. ca. 1647, waarvan niet alle namen bekend zijn. Mogelijk zat hier ook een Jan bij.
Alles in ogenschouw genomen hou ik het vooralsnog op Jan Roelofs Smelt als de enige echte vader, gezien de enige bekende doopregistratie, maar wel met een belangrijke slag om de arm.

Hendrikje Jansen Smelt wordt genoemd in het testament van zoon Jannes Berkhoff op 08-12-1759 (bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2676).
Notitie bij de geboorte van Hendrikje Jansen: gedoopt "Henrikjen dv Jan Smelt en Kunneken Brouwers".
Notitie bij het overlijden van Hendrikje Jansen: komt mogelijk nog voor op een collectelijst voor reparatie van de kerk uit ca. 1776 als de weduwe Jan Barkhoff (donatie van 5 guldens en 5 stuivers. inv.nr. archief Huize Almelo 3526).

258. Derk Jansen Faijer, geb. Vriezenveen omstr. 1682, † ald. vóór 1737, tr. 1e Vriezenveen 13 jan. 171047 Aaltje Hermsen Berkhoff (zie 387); tr. 2e omstr. 1713
259. Jennigje Geerts, geb. Vriezenveen(?) omstr. 1690, † Vriezenveen na 1730.

Notitie bij Derk Jansen: koopman (?) en landbouwer. Bewoonde het erf van zijn schoonvader Hermen Berkhoff (Oosteinde 407 huidige nummering). Wordt vanaf 1713 in de boterpachtkohieren genoemd. Het betreft een goed van 4 ½ akkers. In het boterpachtkohier over het jaar 1736 wordt de weduwe "Derk Janse Fayer" als eigenaresse genoemd van het goed.
In het hoofdgeldkohier van 1737 wordt "Derk Feijer" echter nog wel genoemd, "hij" wordt dan aangeslagen voor 3 personen en moet 1,50 betalen, met 50 cent p.p. ligt hij wat boven het gemiddelde voor het Oosteinde (0,46).

Zijn vermogen werd in 1715 geschat op 800 gulden, in 1734 eveneens 800 gulden en in 1739 op 600 gulden (bron: 1000e penningkohier 1734/39; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2553/2550). Derk behoorde daarmee niet tot de allerrijksten, maar gold toch zeker als een welgesteld persoon.

Op 6-1-1714 is er een kwestie tussen Hermen Berkhoff en zijn schoonzoon Derk Faijer over 40 pond spek, 8 pond reuzel en 4 pond "gegooten ongel" waarvan Derk Faijer dacht dat hij het gekregen had, maar Hermen wilde het terugzien, omdat het volgens hem geleend was (bron: archief Schoutambt Vriezenveen inv.nr. 22).

Een zoon van Derk, Jannes (gedoopt 10-4-1719) was koopman in Sint Petersburg (1749) (Bron: Ken uw dorp en heb het lief blz. 156). Hij neemt het ouderlijk erf over. De helft van de landerijen van het Faijerserf komt bij schoonzoon Jan Berkhof terecht, ook wel bekend als Jan Buten.

Derk Faijer wordt genoemd als schuldeiser van Willem van Oinck inzake een bedrag van 300 gulden ("van Derk Faijer genegotieerd hebbende"). Negotie staat voor verkregen gelden (bron: akten 16-4-1733 en 9-7-1733 (inv. nr. 2965 HAA). Uit andere stukken blijkt dat de schuld eigenlijk uit stond bij Willems broer Jan van Oink, maar Derk eist zijn geld terug waardoor Willems huis verkocht dreigt te moeten worden om de schulden te kunnen voldoen. Willem heeft zelf geld tegoed van zijn zuster. Derk liet het aankomen op een publieke verkoping van huis en erf van Jan van Oink om aan zijn geld te komen. Jan zocht wanhopig steun bij de Heer van Almelo om dit te voorkomen. De Heer van Almelo stak er een stokje voor en stelde dat Jan door de verkoop van zijn huis onevenredig benadeeld zou worden, hij had het geld uitstaan bij zijn eigen familie en kon dit niet direct opeisen, maar werd op termijn wel geacht het geleende terug te betalen. Derk, die geen schade zou lijden als de terugbetaling later zou plaatsvinden werd dus tot de orde geroepen door deze uitspraak, die op 18 april 1733 werd voorgelezen aan de wed. van Hermen Berkhof, dit omdat Derk niet aanwezig was (verblijf in het buitenland vanwege koopmanschap?) (bron: AHA inv. nr.2964 foto 260)

Op 21 februari 1716 treedt Derk Jansen Faijer samen met Geert Herms Holst op als voogd op van het onmondige kind Willem Roelofs inzake de verkoop van zijn moeders zaliger kleren. NB Willem Roelofs is de zoon van Roelof Willems en Armke Geerts.(bron AHA inv. nr. 2966).
Notitie bij Jennigje: Gezien het patroniem van Jennigje en de enige kandidaat die rond 1705 in het boterpachtregister aan het Oosteinde Geert heet en daarbij het gegeven dat de jongelui meestal met een meisje of jongen in de buurt woonde trouwde, (vaak gewoon een buurjongen of meisje), lijkt de enige kandidaat Geert Hermsen Hulst te zijn. Hij was getrouwd met Cunne Smelt en een dochter van Jennigje (gedoopt 30-1-1724) wordt Kunneken genoemd, dus dat zou die naamgeving ook verklaren.

Het feit dat Derk Jansen Faijer op 21 februari 1716 samen met Geert Herms Holst als voogd optreedt van het onmondige kind Willem Roelofs [de zoon van Roelof Willems en Armke Geerts] lijkt de hypothese zeker te bevestigen dat Jenngje Geerts een dochter van Geert Hermsen Hulst is.(bron AHA inv. nr. 2966).

260. Derk Berends Schipper (dezelfde als 192 in generatie VIII), tr. Vriezenveen omstr. 1730
261. Lutje Derks Fayer (dezelfde als 193 in generatie VIII).

262. Berent Jansen Berkhof, geb. Vriezenveen 1691, † ald. vóór 29 juli 1758,48 tr. Vriezenveen omstr. 1718
263. Geertje Jansen Evertman (Post), geb. Vriezenveen omstr. 1695, † ald. na 27 maart 1769.

Notitie bij Berent Jansen: was van 1734-1752 verwalter-scholtus van Vriezenveen. Ook Key Berend genoemd (Archief Jansen/Jonker), bewoonde het pand Oosteinde 251, bekend als het Keibeerndserf (blz. 114,115 Ken uw dorp en heb het lief).

In 1720 voor het eerst in het boterpachtregister vermeld. Had toen een 3-akkerstuk overgenomen van zijn schoonmoeder de weduwe Jan Henrixen Post, die in 1719 nog als eigenaresse van het goed genoemd werd, dat toen overigens nog 5 akkers besloeg. Key Berend kon zich ook nog eigenaar noemen van een halve akker "woestenland". Wordt in het boterpachtkohier van 1756 (over 1755) nog genoemd. In 1763 wordt als eigenaar van het goed genoemd zijn schoonzoon Wolter Derks Schipper.
Berend wordt in 1737 inzake het Hoofdgeld aangeslagen voor 2 personen en moet betalen 1 gulden en 6 stuivers. Dat is 0,65 per persoon. Behoorde met zo´n aanslag zeker niet tot de minder bemiddelden van het dorp. In het Oosteinde lag de gemiddelde aanslag destijds op ongeveer 0,46.
In 1753 wordt Berend inzake het hoofdgeld aangeslagen voor 5 personen en moet 1,85 betalen. Dat is 0,37 tegen een gemiddelde in Vriezenveen van 0,39 per persoon. Daarmee was de familie op de maatschappelijke ladder enigszins gedaald , tenminste als je dat aan de hoofdelijke aanslag af mag meten.

Diakonale kerkrekening:
8-12-1763 ontvangen van de wed. Berent Jansen Berkhoff de somma van 25 gulden welke penningen zijn bekomen uit de nalatenschap van haar overleden zoon Frederik Berkhoff (bron: Gens Nostra, artikel van de heer H. Wagenvoort ca. 1977)

Op 05-05-1750 verklaart Berent Jansen Berkhof 150 gulden schuldig te zijn aan Bernardus Spijker en Gezijna Cruijs (Archief Huis Weleveld, kerspel Vriezenveen, inv. nr. 2).

Rond 1750 was er een grote sociale onrust in Vriezenveen. Deze onrust hield verband met de landelijke onrust (in Amsterdam bekend als de Doelistenbeweging). Berent was onderdeel van deze onrust, zo was hij één van de 9 Vriezenveners die zich met de strijd inzake de sluis bij het Kooikershuis tegen de Heer van Almelo keerde, samen met 8 andere Vriezenveners voerde hij processen namens de Vriezenveense gemeenschap, inzake de bevoegdheid en het gezag van de Heer van Almelo aangaande de sluis. Verder had Berent zich in 1747 actief bemoeid om de door de Heer van Almelo gewenste nieuwe beroepen predikant van Eibergen persoonlijk te overtuigen dit beroep niet aan te nemen, hetgeen Berent op een boete van 200 zilveren dukaten kwam te staan en de proceskosten. Het gezag van de Heer van Almelo die predikanten in Almelo, Vriezenveen en Wierden benoemde was in het geding. Berent werd eveneens in juli 1752 uit z’n ambt als verwalter-schout gezet wat de Vriezenveense boeren protestbeweging niet accepteerden. In een smeekschrift van Jan Brink en Hendrik ten Cate aan Ridderschap en steden van Overijssel d.d. 07-08-1752 werd onder andere gevraagd dit ontslag door de Heer van Almelo terug te nemen en de benoeming van procurator Harwig, die nieuw benoemd was in zijn plaats, ongedaan te maken. Het smeekschrift mocht niet baten. Berent bleef aan de kantlijn staan en door de grote boete heeft de familie ongetwijfeld grote schade gelden.
In 1752 werd Berent in verband met de kwestie ondervraagd en verklaarde hij als verwalter-schout aangesteld te zijn geweest door de Richter met een akte die ondertekend was door de Heer van Almelo en dus niet door de schout of de Vriezenveense gemeente was aangesteld. Berkhof verklaarde ook dat de Heer van Almelo in juli en augustus zijn ontslag als verwalter-schout had medegedeeld. De Heer van Almelo beweerde dat Berkhof op 31 juli 1752 zelf om zijn ontslag had verzocht en liet dit Berent Berkhof ook verklaren. De hele verklaring paste precies in het straatje van de Heer van Almelo. Het lijkt er sterk op dat Berent inzake zijn verklaringen sterk onder druk was gezet (bron AHA inv nr’s 3209 en

12-01-1763 ontvangen Egbert Berends Berkhof en Wolter Derks Schipper (gehuwd met Jenneken Berends Berkhof) van de schout Jan Dikkers 237,10 gulden, in verband met proceskosten inzake de sluis bij het Kooikershuis, die wijlen hun (schoon) vader als verwalter-schout had gemaakt en van gemeentewege had voorgeschoten (Archief Huis Weleveld, kerspel Vriezenveen, inv. nr. 2).
Notitie bij de geboorte van Berent Jansen: is in 1752 61 jaar volgens eigen getuigenverklaring (HAA inv. nr. 3209)
Notitie bij het overlijden van Berent Jansen: op een lijst van Vriezenveners die de boerhaverplicht (uit protest) niet hadden voldaan staat op een lijst,( die opgesteld is tussen 28 november en 1 december 1752), de vrouw van de gewezen verwalter scholtus Berent Berkhoff. In het belastingregister van de 1000e penning van 29-7-1758 wordt genoemd de weduwe Berent Barckhoff.
Notitie bij Geertje Jansen: Schoutambt Vriezenveen nr. 2677: (Rijksarch. Overijssel)
6-6-1768 testament van Geertje Jansen Post ten huize van schoonzoon Wolter Schipper.
Erfgenamen zijn: Jan, Jenneken (x Roelof Wolters), Fenneken(x Frederik Braemer), Hendrik, Egbert, Jenneken (x Wolter Schipper)
en de 4 kinderen van haar dochter Janna Berends Berkhof bij haar eerste man Jan Hendrix Brink verwekt (Janna vruchtgebruik).
legaat aan diaconie van 25 Car. gulden.
Zij had geen zegel (uitdrukkelijk vermeld).
27-3-1769 is dit testament ingetrokken en vernietigd.

264. Berend Gerritsen Broertjen, ged. Vriezenveen 2 april 1699, † ald. omstr. 1766,49 tr. 2e Aeltjen Hendriks, geb. omstr. 1700, † Vriezenveen, dr. van Hendrik Harms; tr. 1e
265. Geertjen Derks Smit, ged. Vriezenveen 25 nov. 1699, † ald. na 14 okt. 1766, tr. 2e Hendrik Harms, † Vriezenveen na 1747.50

Notitie bij Berend Gerritsen: linnenkoopman. Zou volgens Herman Jansen gewoond hebben aan het Oosteinde nr.266 (huidige nummering). Bron: maagscheiding Geertje Derks Smit 1766 (archief gemeente Vriezenveen) en ook Ken uw dorp en heb het lief blz. 135,136. Volgens de maagscheidingsakte van Geertje was haar erf gelegen tussen dat van Lucas Harmsen Vik enerzijds en anderzijds Jan Boeschen en Jan Berends Berkhof. Ik heb Berent echter niet kunnen traceren in de boterpachtregisters. Waarschijnlijk deelde Berend de woning met zijn broer Jan Gerritsen Broertjen, die wel in de boterpachtkohieren wordt vermeld. In de hoofdgeldkohieren komen Jan en Berend wel beide voor, bijvoorbeeld in 1737. In alle kohieren en ook bij de volkstelling van 1748 staan ze naast elkaar genoemd.

In 1737 met de hoofdelijke aanslag wordt "berent brortien" aangeslagen voor 2 personen, en bedraagt de aanslag 1 gulden , dit is 50 cent p.p. (gemiddeld Oosteinde 46 cent p.p.).
" Jan Broertien" wordt voor 1 persoon aangeslagen en moet 90 cent betalen, een hoog bedrag. In 1753 is alleen de weduwe "ijan bruetien" te vinden ze wordt aangeslagen voor 3 peronen en moet 1,30 betalen ca. 43 cent p.p.(tegenover gemiddeld 39 cent). In 1760 is dan weer uitsluitend "berent broertijen" vermeld, hij wordt aangeslagen voor 4 personen en moet dan 1 gulden betalen, met deze aanslag van 25 cent p.p. ligt hij behoorlijk onder het dorpsgemiddelde (39 cent).
In het register van de 1.000e penning valt het geschat vermogen van de meer welgestelde Vriezenveners af te lezen.
Berent had in 1751 een geschat vermogen van 550 gulden. Best wel aardig, maar toch de helft minder dan zijn vader eertijds. Het vermogen lijkt tussen de twee broers (Berent en Jan) opgedeeld te zijn. In het register van 1758 komt Berend niet meer voor wat betekende dat Berend onder de 500 gulden was gekomen. Die werden in dat register niet vermeld.




De landerijen van de familie Broertjen, die dus in de boterpachtregisters nog op naam staan van Jan Gerritsen Broertjen, raken vanaf 1755 verdeeld tussen Jan Berents Berkhof en Jan Boeschen, die elk met een dochter van Jan Gerrits Broertjen getrouwd zijn. De familie Broertjen blijft in de persoon van Albert Broertjen nog wel op de oude lokatie wonen, maar wordt in de boterpachtregisters niet meer als eigenaar van landerijen vermeld.
Volgens Herman Jansen in Ken uw dorp en heb het lief zouden de landerijen in de familie zijn gekomen via de eerste vrouw van Berend te weten Aeltjen Hendriks. Op grond van de informatie uit het boterpachtregister blijkt het echter anders te liggen, de landerijen komen gewoon uit de eigen familie.
Berend dreef samen met zijn broer Jan een handeltje in linnen. Othmar ten Cate, spreekt de broers op 11-11-1741 aan voor 19 stuks geleverde linnen ter waarde van 1500 caroli guldens, waarvan pas 815 was betaald. (Bron Herman Jansen, Ken uw dorp etc. blz. 135). Maar bij deze problemen bleeft het niet. Ook tussen de beide broers ontstonden grote problemen. eveneens in 1741 klaagde Berend zijn broer Jan aan vanwege een schuld van 130 gulden die deze bij hem uit had staan. Twee jaar later waren deze schulden nog steeds niet voldoen en liet Berend de landerijen van zijn broer Jan veilen. Berend kocht deze landerijen zelf voor 300 gulden (Bron Herman Jansen, Ken uw dorp etc. blz. 262). Berend verbleef ook in de vreemde. Zo was hij in 1737 in Stettin met Gerrit Boesschen. Laatstgenoemde stierf in deze stad en Berend Broertjen betaalde de verpeelg- en begrafenis kosten à raison van 78 gulden en 17 stuivers. deze rekening is bewaard gebleven (Bron Herman Jansen, Ken uw dorp etc. blz. 262).

Wat ik uit de gegevens van de hoofdelijke aanslag in combinatie met de andere gegevens concludeer is dat de handel niet lucratief is geweest voor Berend. Mogelijk dat hij zich later evenals z´n zoon op de turfschipperij heeft toegelegd, een beroep dat toch ook maar een karig bestaan opleverde, terwijl er hard gewerkt moest worden.

Op 28-07-1747 maakt Henrick Harms, de kinderen van zijn schoonzoon, bij zijn [tweede vrouw] Geertje Derks verwekt, genaamd Berent, Derk en Albert tot universeel erfgenaam (bron: schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).

Volgens Herman Jansen, in ken uw dorp en heb het lief hield Geertje Derksen Smit in 1766 een boedelscheiding met haar 2 zoons Albert en Derk . Ik citeer: "De zoon Albert kreeg het huis en de landerijen in eigendom met de verplichting om zijn moeder en zijn broer, als deze niet trouwde, voor ’den tijt huns levens’ te onderhouden en ’kost, dranken kleederen en al hetgene sij verder van node mochte hebben’ te verschaffen. Verder zou derk, als hij dit verkoos, kunnen eisen dat Albert hem moest geven de stapel- en linnenkiste, de turfschuite en de beste koperen pot. Verder zou de weefkamer en het weefgetouw, zoals hij dat steeds had gebruikt, ter zijner beschikking moeten staan, verder moest aan derk worden toegetsaan uit het scharrebiervat of melkvat te mogen drinken. dat wil zeggen dat hij vrij scharrebier, dat zelf werd gebrouwen en melk mocht drinken."
Notitie bij Geertjen Derks: In 1766 wordt er boedelscheiding gehouden tussen de moeder Geertje en haar zoons Albert en Derk Broertje. Albert krijgt hierbij huis en landerijen, maar kreeg hierbij de verplichting zijn moeder en zijn broer (tot aan zijn trouwen) te onderhouden. Derk mocht, als hij dit wenste, aanspraak maken op de "stapel- en linnenkiste", maar belangrijker hij mocht ook de turfschuit opeisen en moest de weefkamer met weefgetouw, zoals Derk deze steeds gebruikt had, tot zijn beschikking staan. Verder kreeg Derk vrije consumptie van melk en zelf gebrouwen bier. (Bron Ken uw dorp en heb het lief blz. 136).

266. Hendrik Jansen Hofman, geb. Vriezenveen omstr. 1700, † ald. vóór 1756,51 tr. Vriezenveen 4 april 1728
267. Berendje Jansen, geb. Vriezenveen omstr. 1700, † ald. na 18 maart 1767.

Notitie bij Hendrik Jansen: was afkomstig van het oude Hofmansgoed (Oosteinde 115 uitgaande van de huidige nummering) (Bron: Ken uw dorp en heb het lief, blz. 85, 86). Vanaf ongeveer 1735 in de boterpachtregisters genoemd. Hij heeft het goed overgenomen van zijn vader Jan Berents Hofman, beter bekend als Hofjan.

Verkoopakte begin mei 1728 van Jan Berendsen Hofman en zijn vrouw Armke Egbersen een derde halakker land met huis, schuur en schapenschot aan hun zoon Hendrik Jansen en zijn aanstaande vrouw Berentien Jansen (bron: inventaris archief verening Oud Vriezenveen)..

In 1752 staat hij in het boterpachtregister vermeld als Hend. Jansen Hofman en bezit dan 3 1/2 akker land. In het boterpachtregister van 1755, opgemaakt in 1756 staat vermeld de weduwe Henr. Hofman.

Inzake het hoofdgeld wordt "hijnderyck yansen" in1753 aangeslagen voor 2 personen en moet hij 85 cent betalen, het gemiddelde lag op 39 cent p.p. In 1737 betaalde hij 1,40 voor 3 personen, dat is ca. 47 cent p.p., dat was overeenkomstig de gemiddelde aanslag voor het Oosteinde dat jaar.

In 1751 heeft Hendrik Hofman een geschat vermogen van 600 en aanvullend 50 gulden voor tewerkgesteld personeel, dat ook als vermogen werd beschouwd (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556). In 1758 is het vermogen van de weduwe Hendrik Hofman geschat op 675 gulden (bron: 1000e penningkohier 1758; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2557).

11-08-1744 kopen Hendrik Jansen Hoffman en echtgenote voor de som van 127 car. guldens wat land van Egbert Jansen en Berentjen Rotgers (bron: Archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).
Notitie bij Berendje: De ouders van Berendje zijn mede afgeleid op basis van de doop van dochter Grietje in 1728, die naar haar grootmoeder vernoemd zou moeten zijn. De enige Jan (afgeleid van het patroniem Jansen van Berentjen) en Grietje die in de doopregisters voorkwamen zijn in 1702 te vinden en wel Jan Berents en Grietje Berents. Hun huwelijk is te vinden in de trouwregisters van 1684.

In 1758 genoemd in het register van de 1.000 penning als de wed. Hind. Hoffman.
Transportakte: 18-03-1767 verkoop door Berendje Jansen, wed. van Henderik Jansen Hoff van 3 akkers veengrond gelegen in het Smits Roelofsland aan Lambertus Peuver voor 90 gulden (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2677).

268. Berend Berends Hollander, geb. Vriezenveen 29 maart 1716, † ald. omstr. 1754, tr. Vriezenveen 19 mei 1737
269. Berendje Alberts Jonker, ged. Vriezenveen 14 aug. 1718, † ald. na 1792, tr. 2e (ondertr. Vriezenveen 9 okt.) 1756 Berend Berends Wippe, geb. Ulsen (Duitsland) omstr. 1720, † Vriezenveen vóór 1779, zn. van Berend Hendriks.

Notitie bij Berend Berends: landbouwer en linnenkoopman. In 1752 ook nog vermeld als zijnde herbergier (AHA inv. nr.3242). Noemde zich ook Holland. Bewoonde het erf Oosteinde 325-327 (huidige nummering). Bron Ken uw dorp en heb het lief, blz.141. Het goed stond ook bekend onder de bijnaam "Joonkbeernds" welke bijnaam af zou stammen van de Berend, getrouwd met Berendje Jonker. Dit erf staat in de boterpachtregisters uit die tijd geregistreerd als het gemeenschappelijke bezit van Berent Hollander en zijn zwager Lucas Jonker. In 1755 wordt de weduwe B. Hollander vermeld. Het gedeelde erf beslaat 4 1/2 akker. In 1744 staat de vader van Berendje Jonker, "Albert Vreriks Jonker" nog als eigenaar van het goed vermeld.
Volgens Herman Jansen bewoonden later de 2 zoons Jan en Hendrik Holland het erf, echter in de boterpachtregisters is dit niet terug te vinden. In 1764 staat nog wel Lucas Jonker in de boterpachtkohieren vermeld, mogelijk betaalde hij ook het deel aan boterpacht voor de gebroeders Holland. Dit gebeurde wel vaker op opgesplitste erfen.
In 1753 wordt Berend inzake de hoofdgeldbelasting aangeslagen voor 1 gulden voor 2 personen, dit is 0,50 per persoon, gemiddeld voor Vriezenveen was dit 0,39. In 1760 wordt "Berent Wippe" de 2e echtgenoot van Berendje Jonker aangeslagen voor 3 personen en moet 1,40 betalen, ongeveer 0,46 per persoon, tegenover een dorpsgemiddelde van 0,39.
Berend Holland had het erf overgenomen van zijn schoonvader Albert Jonker. Dat wil zeggen de grond, aangezien Albert in 1748 bij zijn zoon Albert inwoont, lijkt het vermoeden gerechtvaardigd dat Berent een nieuwe boerderij heeft neergezet, terwijl zijn zwager Lucas het vaderlijk erf zal hebben bewoond.
Dat Berend ook naast boer ook linnenkoopman was blijkt uit een schuldbekentenis van 11 mei 1745, waarin hij en zijn vrouw verklaren een schuld te hebben in verband met gekochte en geleverde linnens (Bron: Ken uw dorp en heb het lief. 141)

Op 14-05-1745 verklaren Berent Berentsen Hollander en zijn vrouw Berentjen Alberts Jonker in verband met gekochte en geleverde linnens van 261 car. guldens schuldig te zijn aan Jan Freriks Fronten en zijn broer Hendrik Freriks Fronten. Aan Lambert Costers te Almelo een som van 58 car. guldens 17 stuivers en 3 penningen. Aan Jan Derks 188 car. guldens en 2 stuivers. Aan Jan Albers Jonker de som van 50 car. guldens. Aan Gerrit Fronten 52 car. guldens. aan de kinderen van Berent Koers, met name Jannes Berens Koers en Jan Braamer de somma van 165 car. guldens. In totaal de som van 916 car. guldens 13 stuivers en 3 penningen te verrenten tegen 3 % rente onder hypotheek van huis en land aan het Oosteinde. Gelegen tussen het land van Jan Freriks Fronten en de wed. Garrijt Bramer(bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 2675).
Notitie bij Berendje Alberts: Berendje wordt nog genoemd in het hoofdgeldkohier van 1779 als de weduwe Wippe.
In het testament van zoon Gerrit in 1792 wordt diens moeder ook nog genoemd.

06-07-1793 transportakte: verkoop van een stuk land door Albert Holland en Berentje Albers Jonker, wed. van Wippen Barent aan Crols... en Lambert Dakes (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2680).
Notitie bij het huwelijk van Berend Berends en Berendje Alberts: genoemd in een breukregister van huwelijken waarbij een kind geboren werd binnen 9 maanden voor het huwelijk. het huwelijk vond plaats op 19 mei en het eerste kind werd al op 26 januari 1738 gedoopt. Een "moetje" dus dat in die tijd werd beboet door de Heer van Almelo.

270. Wolter Hermsen Schipper (dezelfde als 202 in generatie VIII), tr. omstr. 1742
271. Kunnigjen Egbers de Groot (dezelfde als 203 in generatie VIII).

272. Harmen Claassen Stroomer, ged. Vriezenveen 25 nov. 1705, † ald. vóór 1760, tr.
273. Grietjen Hendriks Aman, geb. Vriezenveen omstr. 1705, † ald. na 1764.

Notitie bij Harmen Claassen: turfschipper (blijkt uit stukken van een rechtzaak uit 1743) AHA inv. nr.1731.
familienaam Stroomer afgeleid uit stukken betreffende een gerechtelijk vooronderzoek inzake een vechtpartij in de woning/herberg van de schout (bron: Archief Huize Almelo inv. nr. 2932 d.d.10-4-1731), waarbij Harmen Claassen Stroomer als getuige optreedt en aangeeft "omtrent 24 jaeren" oud te zijn.

Bewoonde de boerderij aan het Oosteinde 312 (huidige nummering), bezat volgens het boterpachtregister van 1743 3 akkers land. In het boterpachtregister van 1763, (opgemaakt in 1764) wordt vermeld als eigenares de weduwe Harmen Claesen.

Heeft het erf waarschijnlijk omstreeks 1740 door koop -en dus niet door vererving- verworven. In 1736 staat als eigenaar van het goed Frerik Jansen Tuytertjen genoemd. Een familierelatie met hem is niet aan te tonen.

In het hoofdgeldkohier van 1737 wordt "Herm Klaassen" genoemd als bewoner aan het begin van het Oosteinde (de kant van Geesteren), hij wordt belast voor 2 personen en moet 80 cent betalen, met 40 cent zit hij wat onder het gemiddelde van dat jaar voor het Oosteinde, 46 cent).
Zijn vermogen werd in 1751 geschat op 50 gulden en een extra 50 gulden voor tewerkgesteld personeel, dat ook als vermogen meetelde (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556). Hiermee zat de familie in de onderste sociale gelederen van het dorp.
In het hoofdgeldkohier van 1753 wordt "harmen klasen" aangeslagen voor 3 personen en moet hij 1,30 betalen. Daarmee zat de familie toen vreemd genoeg iets boven de gemiddelde aanslag per persoon nl. 0,43 tegenover gemiddeld 0,39 dat jaar voor Vriezenveen. Harmen Claassen staat in het register van de 1.000e penning uit 1751 vermeld met een geschat vermogen van 100 gulden en dat was niet veel. In 1760 wordt zoon "hendrijkes harms" inzake het hoofdgeld aangeslagen. Harmen Klaassen zal dan waarschijnlijk zijn overleden.

Op 23-12-1743 verklaren Harmen Claassen en Grietjen Hindriks enig bouwland, gelegen in het Jan Onweersland, liggend tussen de landerijen van Jan Onweer en Jan Jacobs, verkocht te hebben aan Jan Jacobs en zijn vrouw voor 118 car. guldens.
(bron:archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

Op 11-05-1756 verklaren Harmen Claassen en Grietjen Aaman 700 car. guldens schuldig te zijn aan Jan Jansen Does [ de naam Does komt in Vriezenveen ook voor als alias van de familienaam Hopster] te verrenten tegen 2 gulden en 10 stuivers per 100. Deze rente was lager dan gemiddeld voor die tijd. Jan Jansen Does was dan ook familie, hij was de zoon van Jan Berends Does en Jenneken Claassen [Stroomer]. Jenneken was de zuster van Harmen Stroomer, dus Jan Does was een oomzegger. Onderpand zijn 2 akkers land en huis en erf, dat gelegen was tussen de landerijen van Lucas Onweer (oostwaarts) en dat van Jan Berens Hoff (westwaarts) (bron:archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).
Dit geld was nodig om de aankoop van 2 akkers land van het zogenaamde provinciale schoutengoed (van oudsher door de familie Hoff bewoond), te financieren, die van de provincie op 2 januari 1756 waren aangekocht (bron:archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2675).

274. Gerrit Harmsen Smelt, geb. Vriezenveen omstr. 1690, † ald. na 19 nov. 1766,52 tr. omstr. 1725
275. Metjen Freriks Tuttertjen, ged. Vriezenveen 13 aug. 1699, † ald. na 19 nov. 1766.53

Notitie bij Gerrit Harmsen: landbouwer, bewoont het erf gelegen aan het Oosteinde 144 (Zie Ken uw dorp en heb het lief blz. 93). Voor 1717 huurder van het erf dat oorspronkelijk klooster Sibculo toebehoorde. In 1717 als het goed eigendom is van de Provincie koopt Gerrit dit voor 1370 car. gulden. Het betreft 4 akkers land met hierop staand 2 huizen.

Op 06-03-1715 zou Gerrit Harmsen Smelt 300 gulden hebben geleend van Hendrik Jaspers Olde (bron: archief Overijssel Toegang 263, inv. nr. 837), dit bedrag betaalt hij volgens de stukken niet terug, die hierdoor veel nadeel zou hebben geleden.

Op 12-06-1717 leent Gerrit Harmsen Smelt een enorm bedrag van 1370 gulden van Klaas Janssen Cruis en Geertje Luixen Schol. Onderpand zijn 2 huizen en 4 akkers land, waarvan het ene huis gelegen is aan de "buijter egge deser wech"en het ander huis aan de "boover egge desen wech". Het is gelegen naast de landerijen van Gerrit Bartelink. Dit ongetwijfeld ter financiering van zijn aankoop van landerijen met woningen van de provincie in 1717. (bron: Archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674).

In 1719 (15 november) wordt door het gericht van Ootmarsum de verpanding gevorderd van alle goederen van
Gerrit Harmsen Smelt ivm de kosten van een gerechtelijke procedure ad. 165-15-8 en voor de nakosten 29-6- en voor vertering en paardenhuur 2-15-. Tenslotte voor advies 19-2- is totaal 216-18-8. Het verpande erf van Gerrit Smelt staat beschreven als gelegen tussen het erf van Gerrit Bartelink, Jan Egberts en Berend Bootsman (oostwaards) en Roelof Willemsen westwaards. (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 23).

In 1720 vindt er een publieke verkoop plaats van goederen van Gerrit Harmsen Smelt om schulden aan de eiser Perizon te kunnen voldoen.perizon contra Gerrit Harmsen Smelt verkoop goederen verkoop keijsers gulden van 21 stuivers het stuk; 18 vijm rogge voor 54 gulden aan schout Claas Cruijs; oud zwart paard 10 gulden aan schout Claas Cruijs; 3 koenen en een gust beest 31 gulden en 10 stuivers aan Claas Cruijs; een kist met een oude spinde verkocht voor 15 gulden aan Claas Cruijs; een motte met 2 biggen verkocht voor 12 gulden aan Claas Cruijs. (bron: archief schoutambt Vriezenveen inv. nr. 23).


In 1737 met het hoofdgeld wordt "gerriet herms" voor 2 personen aangeslagen en moet hij 1 gulden betalen, dat is 50 cent per persoon, tegenover gemiddeld 46 cent voor het Oosteinde dat jaar. In 1750 wordt "garryt harmesen" aangeslagen voor 3 personen en bedraagt de aanslag 1,50, ruim boven het gemiddelde van 39 cent per persoon. In 1760 als hij aangeduid wordt als "garrit smelt" is de aanslag voor 4 personen 2 gulden, dus 50 cent per persoon, tegenover gemiddeld 39 cent. De familie moet dus wel in goede doen geweest zijn. Hoewel hij in de kohieren van de 1.000e penning van 1734 en 1739 niet voorkomt, werd zijn vermogen in 1751 geschat op 1.000 gulden en een extra 150 gulden voor tewerkgesteld personeel, dat ook als vermogen meetelde (bron: 1000e penningkohier 1751; Statenarchief van Overijssel inv. nr. 2556).
Zijn erf wordt later overgenomen door zijn schoonzoon Hermannus Bramer.

Hermen Gerritsen [Smelt] en zijn echtgenote Jenneken Janssen (de ouders van Gerrit) verkopen op 06-03-1715:
- huis en landerijen (gelegen naast dat van Gerrit Bartelink) [aan het Oosteinde],
-en een gaarden een vierendeel akker woestenland gelegen in de Westerwoesten
-en een vierendeel akker bovenwegsland en nog een vierdepart bovenwegsakker afkomstig van zijn overleden moeder, gemeenschappelijk mede-eigendom van zijn broers Jan -, Lucas- en Gerrit Gerritsen Smelt
aan hun zoon Gerrit Harmsen Smelt voor de som van 300 car. guldens (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2673).

Op 22-03-1719 verklaart Gerrit Hermsen Smelt nog schuldig te zijn aan de schout Claas Cruis en Geertjen Lucas Schol 450 car. guldens. Op dezelfde dag verkoopt hij ook zijn aandeel in een vierendeel woestenland (4 akkers) aan de schout . Het land was gelegen op de Wester woesten en werd gemeenschappelijk bezeten met Frerik Jansen Waanders, Jan Gerritsen Smelt en Gerrit Faijer. Ook werd nog een gaarden verkocht die gelegen was in de landerijen van kerkmeester Jan Henriksen Bourman en Jan Alberts. De verkoopprijs was 125 gulden. (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674)

Op 14-02-1722 eist Harmen Geertsen Huls 6 guldenvan van Gerrit Harmsen Smelt vanwege een dagwerk aangetastte turf (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 23).

Op 25-09-1730 verklaren Gerrit Hermsen Smelt en Mettien Freriksen Tuttertien 800 gulden schuldig te zijn aan Jan Janssen Geertsen en zijn echtgenote Henrikien Gerritsen Graave, alsmede aan Aaltien Jansen, wed. van wijlen Berend Gerritsen Winter. Onderpand zijn 4 akkers land en huis en schuur daarop staand. Buiten het onderpand blijft de woning die door Jan Hinrixen Gijseler wordt bewoond (archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2674).

11-10-1760 akte van transport: verkoop op 08-05-1760 door de erven van wijlen Jan Freriks (broer van Metjen Freriks Tuttertjen) van 1 akker superplusland aan Gerrit Harms Smelt en zijn vrouw voor 130 car. guldens.
(bron: archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2676).
Notitie bij het overlijden van Gerrit Harmsen: is overleden bij het huwelijk van zijn zoon Hermen in 1774.

276. Jan Jansen Berkhoff (dezelfde als 256), tr. Vriezenveen omstr. 1725
277. Hendrikje Jansen Smelt (dezelfde als 257).

278. Jan Berends Tuijtertjen, ged. Vriezenveen omstr. 1710, † ald. vóór 1760, tr. omstr. 1734
279. Hendrikjen Frerijks Tuttertjen, ged. Vriezenveen 19 dec. 1706, † ald. na 1768.

Notitie bij Jan Berends: in het boterpachtregister vanaf ca. 1735 genoemd met de naam "Tuijtertjen", heeft 2 akkers land en een halve akker woestenland aan het Oosteinde in de buurt van het Midden. In het hoofdgeldregister van 1737 wordt "Jan Berens" aangeslagen voor 4 personen en moet daarvoor 1,60 betalen, met 35 cent per persoon zit hij aardig onder het gemiddelde van het Oosteinde dat in dat jaar 46 cent is. In 1753 wordt "ijan tuetertjen" voor 2 personen aangeslagen en bedraagt het te betalen bedrag 85 cent, is ca. 43 cent p.p. tegenover voor Vriezenveen 39 cent gemiddeld. In 1760 wordt in het Hoofdgeldregister de weduwe Jan Berent genoemd en is Jan Tuttertjen dus overleden, zij wordt dan aangeslagen voor 3 personen en moet 1,30 betalen = ca. 43 cent per persoon en daarmee iets boven het Vriezenveense gemiddelde van 39 cent in 1760. In 1733 wordt op dit goed als eigenaar Hermen Egberts genoemd. Of Berent het erf door koop of vererfing heeft gekregen is onduidelijk. In 1748 bij de volkstelling heeft dit echtpaar een meid in dienst, genaamd Maria Claesen.

De vader van Jan moet wel Berent Jansen Tuitertien zijn die geheel op het uiterste puntje van het Westeinde woonde (o.a. in de boterpachtregsiters van 1690 genoemd).
Notitie bij Hendrikjen Frerijks: akte van transport: 10-10-1760 verkoop door de erven van wijlen Jan Freriks (broer van Hendrikjen Tuttertjen) van een akker superplusland voor 124 car. guldens aan Hendrikjen Freriks, wed. van Jan Berentsen.
(bron archief schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2676).

akte van transport: verkoop door Henderikjen Frederix Tuitertien, weduwe van wijlen Jan Berents, (geassisteerd met haar zoon Berent Jansen) van een halve akker bovenwegsland, beginnend aande Buteren of Woest