TERUG NAAR START
Frerik Jansen Tuitertien
GeslachtMan
Leeftijd< 77 jaar
 
Geboren± 1670
Overleden< 28-8-1747teVriezenveen
Vader Jan Jansen Toutertjen (Kerkmeester)
 Geboren ± 1640
 Overleden < 6-12-1683
Halfbroer  Berent Jansen *± 1655
Halfbroer  Jan Jansen *± 1660
Halfzus  Grietjen *± 1660
 
Huwelijk 16-7-1693 te Vriezenveen
 
metJenneken Henriks
 Geboren± 1670
 Overleden> 1757
Kinderen  Jan Freriks
Metjen Freriks
Herman
Jan Freriks
Hendrikjen Frerijks
Jannes Freriks
Notities persoonkerkmeester (meiavond 1729 verkozen) bron: HAA inv.nr. 2737.
Komt in het boterpachtregister van 1705 voor het eerst voor, neemt het land dan over van zijn schoonvader Henrick Egberts, het beslaat zo´n 8 akkers land en is gelegen aan het begin van het Oosteinde (van Geesteren uit gezien). In het boterpachtregister van ca. 1735 beschikt hij over meer dan 10 akkers land. Is een grote landeigenaar voor die tijd. Zijn landerijen omvatten in 1735 het zogenaamde "Blessenlant", later bekend als het Tuttertiesspil op Oosteinde 357-359 en waar hij volgens Herman Jansen in "Ken uw dorp en heb het lief", ook moet hebben gewoond (zie blz. 150) en de landerijen die in 1744 bezit zijn geworden van de volgende personen: Hendrik Otten en Harmen Claessen. Herman Claessen woonde op Oosteinde 312 (huidige nummering), één van de voorvaders van de familie Aman. Kennelijk heeft Frerik dan de helft van zijn landerijen van de hand gedaan. In 1752 wordt voor het adres Oosteinde 357-359 de weduwe Frerick Tuttertien als eigenares vermeld in de boterpachtkohieren. In 1755 wordt hun schoonzoon Gerrit Hendrixsen als eigenaar vermeld. In 1748, bij de volkstelling, wordt vermeld dat de familie van Gerrit Hendrixsen een scheper (schaapherder) heeft en een meid, inwonend is de weduwe van Frerik Tuttertjen. Voorwaar een familie in goede doen. Inzake het hoofdgeld van 1737 wordt "fred: tuijtertien" aangeslagen voor 5 personen en bedraagt de aanslag 2,20, dat is 44 cent per persoon en daarmee scoort de familie iets lager dan gemiddeld op het Oosteinde in dat jaar (nl. 46 cent), mogelijk ook werden personeelsleden, die inwonend waren met een andere verdeelsleutel belast, immers deze werden ook al aangeslagen voor de dienstbodenbelasting of mogelijk werden grotere gezinnen lager belast per persoon.
Kijken we naar de kohieren van de 1.000e penning dan had Frerik in 1715 een vermogen van 500 gulden, in 1734 staat hij niet vermeld en in 1739 is het opeens 1000 gulden. Na de dood van Frerik is het slechter gegaan, want in 1751 wordt de wed. Frerik Jansen Tuttertjen nog slechts voor een vermogen van 250 gulden ingeschat.

Volgens de doopregistratie van zoon Herman (23-4-1702) was Frerik Tuitertien kerkmeester, althans hij wordt genoemd "Frerik Jansen kerkm." Kerkmeester was een bestuurlijke functie, die alleen door mensen van aanzien werd vervuld.
Er is in het archief van Huize Almelo een processtuk te vinden uit 1713 waaruit blijkt dat Frerik Jansen Tutertien toen behoorlijk is toegetakeld door Jan Henrixen Olde met wiens vrouw Frerik een woordenwisseling had gehad in de herberg van Jan Henrixen Olde welke op het Westeinde was gelegen. Jan Olde volgde Frerik Tutertjen bij het verlaten van de kroeg en sloeg hem vervolgens met een puthaak zodat Frerik in de modder viel en het bloed hem langs het hoofd liep. Daarbij werd hij ook nog voor "hoerenloper" uitgescholden. Dit alles gebeurde op de weg van Hinrick Kluppels die in de buurt van de herberg van Jan Henrixen Olde woonde (bron: AHA inv. nr. 2932) .