| Notities persoon | niet in de boterpachtregisters genoemd. Gezien hun positie op de volkstellingslijst van 1748 in relatie met de boterpachtregisters moeten ze in de buurt van het zogenaamde Pixsensland hebben gewoond. Dit sluit aan bij de de mening van Herman Jansen dat hij (en zīn voorouders) op het Piksenderksland hebben gewoond aan het Westeinde (nummer 374-382 huidige nummering). Zie blz. 222 Ken uw dorp en heb het lief. Het Piksenland komt wel voor in de boterpachtregisters. In het uitgebreide register van ca. 1735 staat echter dat het "Pixsensland" opgesplitst is en er staat geen Tijhof als eigenaar bij. Ik heb eerder de indruk dat de familie Tijhof uit ambachtslieden en handelslieden bestond. Bij de volkstelling van 1795 worden 4 Tijhoffen genoemd (1 x timmerman, 1 x wever, 1 x koopman, 1 x cathegeseermeester). Van een achterkleinzoon van Jannes (Jan gehuwd met Lena Juliana Jansen) is bekend dat hij in Sint Petersburg in de handel zat: Vriezenveense Rusluie, J. Hosmar). Op grond van het verpondings en contributieregister van 1723 kan geconcludeerd worden dat Jannes de woning van zijn vader heeft overgenomen; deze staat namelijk in 1723 op de zelfde locatie vermeld als Jannes in de latere belastingregisters, zoals Hoofdgeldkohier van 1736. In het hoofdgeldkohier van 1752 wordt de weduwe Tijhof genoemd, ze wordt aangeslagen voor 3 personen en betaald hiervoor slechts 14 stuivers. Hiermee stond ze in de hoofdelijke omslag toch op een lagere sociale ladder. Mogelijk dat door het overlijden van Jannes (als deze koopman of ambachtsman was) de inkomsten waren weggevallen, waardoor ze in een lagere belastingklasse was terechtgekomen. Het lijkt in elk geval niet aannemelijk dat ze een boerenbedrijf hadden, dat met een knecht en kinderen altijd nog wel draaiende kon worden gehouden en inkomsten bleef genereren. Ook zoon Jan, die in het register van de hoofdelijke omslag in 1760 wordt genoemd voor 5 personen heeft een veel lager dan voor Vriezenveen gemiddelde aanslag en wel 12 slechts stuivers. In het kohier van de 1.000e penning uit 1751 wordt Jannes Tijhof geschat op een vermogen van slechts 50 gulden. |
|