| Notities persoon | Wolter had een erf aan het uiterste Westeinde, het was 3 1/2 akker groot, gezien zijn naam zal hij waarschijnlijk wel smid van beroep zijn geweest. Na 1696 heeft zoon Jan Wolters Smit het erf overgenomen (wordt genoemd in het boterpachtregister van 1696) die overigens grote schulden maakt, waardoor de boedel later in opdracht van de heer van Almelo verkocht moet worden (1733).
In het breukregister van Almelo komt Wolter Jansen Smit voor op 11 juli 1664 omdat hij door Wester Berents Gerrit voor een tovenaar was uitgescholden en dat was per plakkaat verboden. Het leverde Gerrit een boete op van 50 goldgulden á 28 stuivers per stuk. Roelof een kan naar het hoofd had gegooid. Dit leverde hem een boete op van 1 1/2 oude schild bron: (AHA inv. nr. 3245).
In 1694 wordt al een Jan Wolters in het zoutgeldkohier en het register van de duizendste penning genoemd. Deze Jan Wolters (vermoedelijk Smit) heeft een eigen vermogen van 3.000 gulden en behoort daarmee zeker tot de elite van Vriezenveen. Opmerkelijk genoeg wordt Jan Wolters in 1675 in het register van de 500e penning nog niet genoemd. Wel staat in dat jaar de vader Jan Wolters nog genoemd met een vermogen van 4.000 gulden.
De volgorde in de data van geboortejaren van de kinderen zijn enigszins willekeurig, maar zijn wel in volgorde van de benoeming in een verkooptransactie van huis en erf op 16-02-1702, ervan uitgaande dat de kinderen in de akte in volgorde van leeftijd zijn genoemd. Bij Albert staat vermeld dat bij wordt vertegenwoordigd door een momber (= voogd). Dit betekent dat laatstgenoemde in 1702 jonger dan 25 geweest moet zijn. Was men gehuwd, of gehuwd geweest, dan was men sowieso (ook indien jonger dan 25) meerderjarig en handelingsbekwaam. Jennigje heb ik echter niet als jongste vermeld, terwijl ze in de opsomming van 1702 wel als laatste is vermeld. Van haar is namelijk een eerste doop van een zoon bekend in 1697 (bron: archief Schoutambt Vriezenveen, inv. nr. 2673). |
|