| Notities persoon | Ben hem niet onder de naam Smelt tegengekomen. Gezien het gegeven dat 3 (vermeende) kinderen van Hermen onder de naam Smelt in de boterpachtregisters voorkomen, ga ik ervan uit dat Hermen ook onder de naam Smelt in Vriezenveen bekend zal zijn geweest. Mogelijk heette hij Smelten Hermen, evenals dochter Smelten Mette en zoon Smelten Goordt. Hermen Johansz bezat ongeveer 6 akkers land.
Of Hermen Jansen die op het erf , ter hoogte van het Westeinde 76, woonde -waar in 1632 Smelten Mette woonde- de vader is van Mette, Jan en Geert en nog twee onbekende kinderen (N.N.), is speculatief, maar zeker niet onmogelijk. Probleem is dat er, voordat Mette Smelt die met haar man Jasper Henricks op dit erf woont (Boterpachtregister 1652), tussentijds nog een zekere Berent Wolters op deze lokatie woonde (boterpachtregister 1633-1648). Waarschijnlijk is hij de tweede man van Mettes moeder. Mette zelf wordt in de boterpachtregisters voortdurend aangeduid als Smelten Mette. Zo zal ze in het dagelijks leven genoemd zijn. De constructie van de naam is er één van hoe een bijnaam in Vriezenveen meestal is opgebouwd, dat wil zeggen de voornaam volgt in zo´n geval altijd als laatst. Zoals bekend was een bijnaam, in tegenstelling tot een familienaam, doorgaans erfgebonden. Maar allerlei variaties zijn mogelijk familienamen die bijnamen worden en bijnamen die familienamen worden. Kortom erg ondoorzichtig allemaal. De naamsopbouw bij Smelten Mette zegt echter wel iets over het feit dat het wat haar betreft als bijnaam gebruikt werd door de Vriezenveners. Mette ben ik niet onder een patroniem tegengekomen maar alleen als Smelten Mette (o.a.1658-1668) of in het boterpachtregister van 1679 als de wed. Jasper Hendrix. Na de verdeling van het erf van Jasper Hendrix (omstreeks 1658) behoudt Mette Smelt 1 akkertje, waarschijnlijk om in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. In 1657 staat het erf nog vermeld onder de naam "de weduwe van Jaspar Henriks" (daarbij staat nog vermeld dat 1/2 kop boter van dit erf door Geert Luichiens aan de heer van Almelo moet worden voldaan en ook nog een halve kop boter door Geert Hermans). In 1657 voldoet een buurman van Metten Smelt al een deel van de boterpacht van haar erf. Het is Wolter Derks die mogelijk door koop van de erven een deel van het Smeltserf verworven heeft (of is hij een schoonzoon?). Ik noem dit erf het Smeltserf vanwege Mette, maar ook vanwege het feit dat de nakomelingen van de andere deelgenoten van dit erf zich later inderdaad met de naam Smelt aan laten spreken. Maar niet alleen Smelten Mette wordt in verband met het Smeltserf tussen 1658-1668 genoemd, al eerder in 1648 en ook in 1653 en 1656 staat Smelten Goordt (Geert of Gerrit Smelt) in het boterpachtregister in verband met dit erf vermeld. In andere jaren staat Goordt vanaf 1644 regelmatig ook onder de naam Gerrit of Geert, dan wel Goordt Hermsen, vermeld. Geert Hermsen had een erf op het Oosteinde en had kennelijk een klein aandeel (1 akker) in zijn ouderlijk erf. Ook Smelten Mette (gehuwd met Jasper Hendriks) komt overigens ook wel onder haar patroniem Hermsen in de boterpachtregisters voor, zodat het aannemelijk lijkt dat we hier met broer en zus te maken hebben. Dat veronderstelt toch zeker een vader Hermen Smelt die op dit erf moet hebben gewoond. De eerste Hermen die we op dit erf tegenkomen in de boterpachtregisters staat op dit erf vermeld tussen 1601 en 1632 is Hermen Johansz. Na 1632 staat dus Berendt Wolters als eigenaar van het erf vermeld. Zoals gezegd, vermoedelijk de tweede (?) echtgenoot van de weduwe van Hermen Johansz [Smelt].
Naast Smelten Mette die dus 1 akker verwerft van het oorspronkelijke goed dat aanvankelijk zo´n 7 akkers groot is (o.a. boterpachtregister 1652), verwerft dus buurman Wolter Derks een miniem stukje land, het is nog geen akker groot. De rest gaat naar (vermoedelijk de schoonzonen van Mette) Frerick Engberts en Hermen Pauwels of Pouwels. Ieder verwerft bijna 3 akkers. Van deze laatste twee gaan de kinderen die op het Smeltserf wonen zich later Smelt noemen. De zoon van Frerick Engberts die later het ouderlijk erf bewoont heet in het boterpachtregister van 1713 Jasper Frerix Smelt (Jasper is kennelijk vernoemd naar z´n grootvader, de man van Mette Smelt). De zoon van Hermen Pouwels die later z´n vaders erf aan het Westeinde bewoont, Berent Hermsen, wordt in het boterpachtregister van bijvoorbeeld 1692 aangeduid met de familienaam Smelt. Voor deze families Smelt geldt dat de naam dus door de vrouwelijke lijn is verworven nl. via moeder Smelten Mette. Tenminste als deze hypothese klopt. Het erf moet ongeveer op de lokatie van het Westeinde 76 hebben gelegen (het later Mosgoed is nl. een afsplitsing van het erve Smelt).
In de periode dat Mette met de naam Smelt in de boterpachtkohieren voorkomt, komt er op het Oosteinde een zekere Jan Hermans voor die in het boterpachtregister van 1657 aangeduid wordt met "alias Smelt Jan". Ik ga er even van uit dat hij een broer is van Smelten Mette. Verder woont er op het Oosteinde nog een zekere Geert Hermans wiens zoon, die z´n vaders erf dan bewoont,zich in het boterpachtregister van 1694 Hermen Gerrits Smelt noemt. Geert Hermans wordt trouwens ook genoemd in het boterpachtregister van 1657 bij het Smeltserf (van de erven van Jaspar Henriks), hij betaalt dat jaar van dat erf (van zijn zuster (?) Smelten Mette) een halve kop boter van de te betalen boterpacht. Ik ga ervan uit, gezien het patroniem, dat hij een broer is van Jan. Mogelijk zit de familierelatie met Mette iets anders, maar verwantschap zal er vrijwel zeker zijn geweest. Ik ga ervan uit dat dit de meest voor de hand liggende constructie van verwantschap is. De families Smelt oorspronkelijk afkomstig van het Oosteinde hebben de familienam Smelt dus via de mannelijke lijn verworven. En de oorspronkelijk van het Westeinde afkomstige families Smelt hebben de naam Smelt via de vrouwelijke lijn doorgegeven. |
|