| Notities persoon | landbouwer en koopman in linnen, mogelijk in maatschap met Gerrit Jansen Broertjen. Is in het jaar 1737 (de maand september of oktober) in de stad Halle en Leipzig samen met Gerrit Jansen Broertjen. Ook Henrik Jansen Boeschen en Jan Fredriks Fronten waren in dezelfde periode in die streken, mogelijk betokken bij dezelfde maatschap. Dit blijkt uit een memorie uit het archief van het hooggericht Almelo. Hierin staat dat Henrik Jansen Boeschen samen met Jan Fronten van een bankier in Halle (Duitsland) enkele honderden guldens geld geleend hadden onder borg van 7 stuks linnen, maar de schuldverklaring zou Henrik Boeschen met een valse naam hebben ondertekend. Jan Jansen Berkhof en Gerrit Jansen Broertjen, die dezelfde bankier in Halle bezochten, werd gevraagd of zij de twee ( "een dikke zware man en een klein keerltien met swart haar") kenden en hen werd de valse schuldverklaring getoond, waarop ze ontkennend zouden hebben geantwoord. De man deelde de twee nog mee, jullie zijn het niet, maar ze hadden wel dezelfde spraak. (bron: HAA inv. nr. 2969). NB theoretisch zou ook Jan Jansen Berkhof Kruijs degene kunnen zijn die in deze kwestie bedoeld wordt. Echter de andere 3 kooplieden komen uit het oostelijk deel van het Ooosteinde, evenals Jan Jansen Berkhoff. Jan Jansen Berkhof Kruijs woonde meer westelijk op het Oosteinde, bovendien werd hij ook vaak met de naam Kruijs aangeduid. Wel is het zo dat de nabestaanden van Jan Berkhof Kruijs diens boedel in later jaren (1764) vanwege schulden aan Gerrit Coster Egberszoon, linnenkoopman te Almelo verkopen, dus mogelijk is toch Kan Berkhof Kruijs de koopman in Halle? Anderzijdsis het zo dat van 2 broers van Jan Berkhof (gehuwd met Hendrikje Smelt),te weten Berent en Albert bekend is dat zij kooplieden in linnen waren. De absentie van zoon Jan tijdens de volkstelling van 1748 duidt mogelijk ook op handelsactiviteiten in dit gezin.
De link met de vader is niet hard, echter wel zeer waarschijnlijk. De mogelijke andere kandidaat Jan Berents Berkhoff (Kruis) heeft nl. al een zoon die Jan heet en waarvan de vaderlink wel hard te maken is via het boterpachtregister. Jan heeft gewoond in de boerenwoning Oosteinde 409, naast het voormalige Feijerserf, tegenover het oude Jan Butenserf. Jan wordt niet in de boterpachtregisters genoemd, maar wel in diverse belastingkohieren, zoals het hoofdgeldkohier van 1737. Toch moet hij over enige weide- en bouwgronden hebben beschikt, want in het jaar 1753 is bekend uit de belastingregisters dat Jan 1 paard had, 3 schapen en 4 bijenkorven, ook had hij nog 2 hoornbeesten (runderen ouder dan 3 jaar). NB De belasting op gehoornd vee betrof nl. koeien ouder dan 3 jaar. Hoornvee jonger dan 3 jaar zijn dus niet meegenomen in de belastingkohieren. Verder moest hij in 1753 belasting betalen voor meer dan een perceeltje land dat bezaaid was. In 1748 bij de volkstelling worden genoemd Jan Jansen Berkhoff en Henderikjen Smelt, verder 2 zonen boven de 10 jaar de oudste Jan die "absent" is, dat wil zeggen dat hij mogelijk voor handelszaken op pad was en dat dit mogelijk ook zijn voornaamste bezigheid was en verder nog Jannes die elders ook wel Johannes wordt genoemd. Verder had het echtpaar een dienstbode genaamd Janna Gerritsen. Bij de belastingen der personele quotisatie van 1750 wordt zijn jaarinkomen onder de 200 gulden geschat. Van het jaar 1753 is bekend uit de belastingregisters dat Jan 1 paard had, 3 schapen en 4 bijenkorven.
Volgens het kohier van de 1000e penning uit 1751 had Jan Berkhoff senior een geschat vermogen van 650 gulden. In 1758 is dat inmiddels 700 gulden geworden. In de kohieren van 1734 en 1739 werd Jan Berkhof nog niet in de registers vermeld. Dat betekent dat zijn vermogen toen nog onder de 500 gulden moet hebben gelegen. Jan Berkhof wordt nog genoemd in het Hoofdgeldkohier van 1758. Hij wordt dan belast voor 2 gulden, gezien dit bedrag kan het moeilijk een armoedzaaier zijn geweest, ondanks het feit dat hij geen landerijen had (althans niet als zodanig traceerbaar in de boterpachtregisters). In 1759 wordt zijn zoon Jannes (ook wel Johannes) genoemd die dan kennelijk het ouderlijk erf heeft overgenomen. Zoon Jan heeft al eerder de ouderlijke woning verlaten en heeft zich gevestigd aan de zuidzijde van de dorpsstraat Oosteinde (de Jan Butens). Jan Jansen Berkhof was mogelijk in 1740 door het college van Kerkmeesters en zestienen benoemd tot geslachtsetter, dat wil zeggen dat hij de hoogte van deze belasting bij hem in de buurt moest vaststellen (inv. nr. 2770 archief Huize Almelo). Aangezien de belastingsetters uit dit bestuurlijke college werden gekozen zal Jan waarschijnlijk sestiene zijn geweest (als kerkmeester is hij nl. niet bekend). In 1747 wordt Jan Jansen Berkhof eveneens benoemd tot geslachtsetter (bron: gemeentejaarrekening). Overigens is er nog een andere kandidaat die in deze tijd leeft en Jan Jansen Berkhoff heet, 100% zekerkheid over de identiteit is dan ook niet te krijgen.
Rond 1742 heeft Jan mogelijk meer land verworven, want in dat jaar moet hij opeens meer belasting betalen volgens het verpondings en contributieregister van 1742. Zo wordt de verpondingsbelasting verhoogd van 3 gulden en 2 stuivers naar 4 gulden en 3 stuivers en de contributie gaat omhoog van 9 stuivers en 10 penningen naar 12 stuivers en 6 penningen. |
|