TERUG NAAR START
Hermen Jansen Berkhoff
GeslachtMan
Leeftijd> 51 jaar
 
Geboren1702teVriezenveen
Overleden> 1753teVriezenveen
Vader Jan Berents Berkhoff
 Geboren ± 1660
 Overleden ± 1713
Moeder Fennighjen Hermsen
 Geboren ± 1660
 Overleden ± 1734
Broer  Berend Jansen *1691
Broer  Jan Jansen *25-9-1701
 
Notities persoonkerkmeester (o.a. 1729-1730). Hoewel hij reeds genoemd wordt in een zeer uitgebreid boterpachtkohier van 1720, wordt z´n moeder als de weduwe Jan Berentsen Berkhoff nog tot 1734 genoemd, als eigenaresse van het erf Oosteinde 109. Hermen of Harmen wordt pas weer in het boterpachtkohier over het jaar 1736 genoemd. Dit tot 1755. Het betrof een 5 ½ akkerstuk.
Uit het volkstellingsregister van 1748 blijkt dat hij het erf samen met zijn ook ongetrouwde broer Jan bewoonde inwonend is dan Fenneken Berends. Het meest waarschijnlijk is dat zij de dochter is van hun broer Jan Jansen Berkhoff.
Volgens het hoofdgeldkohier van 1737 bestaat het huishouden uit 3 personen en wordt hij aangeslagen voor een bedrag van 1,60. Dat is ca. 0,53 p.p en daarmee had het gezin een hogere aanslag dan gemiddeld op het Oosteinde dat jaar (nl. 0,46). In 1753 wordt Hermen dan Harmen genoemd weer aangeslagen voor 3 personen en de aanslag bedraagt dan 1,30 (0,43 p.p.), dit ligt iets boven het Vriezenveense gemiddelde van 0,39 p.p..
Volgens Herman Jansen (in Ken uw dorp en heb het lief blz. 82) werd het goed in 1756 verkocht aan de echtgenoot van Fenneken Berents Berkhoff nl. Frederik Bramer. Kennlijk koopt hij niet het hele goed, want volgens Herman Jansen gaat het hier om de verkoop van "3 akkeren land met daarop staand huis" en verdere bebouwing. Waarschijnlijk blijven de broers Jan en Hermen gewoon in de oude boerderij wonen, want in 1760 wordt Frederik Bramer, inzake de Hoofdgeldbelasting aangeslagen voor 4 personen (1 gulden en 14 stuivers). Dit is 1,70 en afgerond 0,43 p.p., dit is iets boven het gemiddelde van 0,39 p.p. voor Vriezenveen. In 1753 wordt Harmen IJansen (Berkhoff) voor 3 personen aangeslagen en moet hij 1 gulden en 6 stuivers betalen.
Uit het kohier van de 1.000e penning blijkt dat Harmen een behoorlijk vermogen had, namelijk 1000 gulden in 1734 en 1739 en 1250 gulden in 1751.

Zal identiek zijn aan de kerkmeester Hermen "Berckhoff" in 1729 en 1730; wordt als kerkmeester Hermen Berckhoff op 4-2-1730 aangesteld als hoofdgeldsetter, dat wil zeggen dat hij de bedragen van de hoofdgeldbelasting in zijn buurt vaststelde (bron: HAA inv. nr. 2737).