| Notities persoon | landbouwer en koopman in linnen. Bewoonde een boerderij aan het Oosteinde 301-303 (huidige nummering). Mogelijk dat hij de boerderij, of in elk geval het land had geerfd van zijn schoonvader Jan Hendriks Boesschen, want die woonde in deze buurt. De woning zou later bekend zou worden als het Beemoanserf, een erg oude vakwerkwoning, waarvan nog oude fotoŽs bestaan. Albert Jansen Berkhof is voor of omstreeks 1742 overleden. In dat jaar wordt in het hoofdgeldkohier nl. de weduwe Albert Barckhof genoemd. Zijn weduwe Hendrikjen Jansen Timmer of Boeschen is op 21-6-1749 schuldig aan de wed. van wijlen dhr. Schultus Claas Kruys 163 gld en 16 st, voorts aan Gerrit Costers, Coopman tot Almelo, wegens gekochte en geleverde linnens 190 gld 13 st en 12 p, belovende jaarlix ende alle jaren te sullen en willen verintressen met een somma (?) van 14 gulden jaarlix of twee schuite vol turf. Hypotheek op huis en land. De schulden uit de handel van wijlen haar man waren kennelijk dusdanig opgelopen dat ze haar huis in onderpand moest geven (Bron: Ken uw dorp en heb het leif, blz. 129 en 130).
1738,1741 en 1744 linnen geleverd aan de wed. Albert Berkhof door Gerrit Nieuwkerk en Gerryt Kosters . *bron: verzamelde info door Herman Jansen (Mieten Herman) dan wel dr. Jonker (museum Vriezenveen).
Volgens het boterpachtregister van 1735 bezat Albert een stukje land (ongeveer 1 akker) op het zogenaamde "Kintmansland" gelegen aan het Oosteinde (dit was een versplit erf .
Albert wordt in het hoofgeldkohier van 1736 aangeslagen voor 3 personen en krijgt daarvoor een aanslag van 1,30 stuivers (43 cent p.p.), daarmee lag hij ongeveer op het gemiddelde aan het Oosteinde (46 cent p.p.). In 1753 wordt de weduwe Albert Barkhof aangeslagen voor 2 personen en bedraagt de aanslag 15 stuivers en dat is zoŽn 38 cent p.p. waarmee men ongeveer op het gemiddelde van dat jaar zat 39 cent p.p. |
|